Overdenking

Zonder vragen?, marcus 1, 14 – 20

Aan het begin van het evangelie, roept Jezus Simon en Andreas, Jakobus en Johannes, twee stel broers, om hem te volgen. En … ze doen het.

Elke keer verbluft dat weer.
Ze laten hun netten vallen, ze laten hun boten achter – hun hele vissersbedrijf. Ze volgen zonder vragen.
Nou kun je je afvragen, of dat voor ons een voorbeeld moet zijn. Het heeft ook iets engs. Kritiekloos volgen. Haast slaafs. Is dat dan de bedoeling?
Het is haast onvoorstelbaar, dat het zo is gegaan. Dat ze niet eerst hebben overlegd, met hun vrouw of vriendin (of vriend?), met het thuisfront. Dat ze er niet tenminste even over hebben nagedacht, de plussen en minnen op een rijtje. Of toch nog een nachtje er over slapen…

Je hoort wel eens verhalen van mensen die plotseling het roer hebben omgegooid. Hun baan opgezegd, hun huis verkocht, iets heel anders gaan doen. Vaak is zo’n verandering voor de buitenwereld een volkomen verrassing, maar waren ze er zelf al langer mee bezig.

We weten niet van de motieven van deze broers. Wat bezielt hun? Het verhaal zegt daar niets over. Ik denk ook niet dat het daarover moet gaan. Bijbelse verhalen psychologiseren niet.
Het is ook niet de vraag of het werkelijk zo gegaan is – wat weten we daar van? – ook daar gaat het niet om in Bijbelse verhalen, hoe het gegaan is.
De enige vruchtbare manier om dit verhaal voor jezelf tot spreken te brengen, is dunkt me, als je het neemt zoals het er staat. Als je je afvraagt waarom het zó verteld wordt als het verteld wordt. Wat wil deze opmerkelijke scene ons, mij, zeggen?.

De roeping van de vier broers is zo’n beetje het allereerste wat Jezus doet, direct nadat hij zijn prediking begonnen is met de oproep: Het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en geloof het evangelie.
Nog voordat hij enig wonder heeft verricht, voordat hij één van zijn gelijkenissen heeft verteld of zijn boodschap in een langere toespraak heeft kunnen toelichten, begint hij met het roepen van deze vier mensen. Het eerste decreet, op de dag van zijn inauguratie.
Meteen wordt daarmee duidelijk, de weg die Hij, Jezus, moet gaan, wil hij niet, kan hij niet alleen gaan…?! Hij roept mensen om zich heen. Want God heeft mensen nodig. Anders wordt het niks met die boodschap van het Koninkrijk.

Dat Jezus om zich heen verzamelt, is geen toevalligheid, maar is wezenlijk. Daarom begint hij er mee. Nu zijn die leerlingen echt geen supergelovigen, dat blijkt uit het vervolg wel. Ook dat is een opmerkelijk gegeven in het evangelie. Ze lopen hem vaker in de weg, lijkt het wel, dan dat ze behulpzaam zijn. Ze begrijpen het niet; ze stellen de verkeerde vragen; ze lopen als het erop aan komt allemaal bij hem weg, de een verraadt hem, de ander – nota bene de eerste die hier geroepen wordt – verloochent hem. En zo voort.
Het zijn heus niet de geloofshelden, het zijn mensen zoals wij dikwijls zijn.

Wij kunnen ons aan die leerlingen uit het verhaal spiegelen. Het zijn gewone mensen – net als wij. Visserlui. Mannen van het volk. En natuurlijk horen bij de mensen om Jezus ook vrouwen. We komen ze tegen, al zijn ze in de traditie een beetje weggemoffeld. Waar het om gaat is dat de mensen om Jezus gewone mensen zijn, zonder aanzien, zonder macht, zonder pretenties ook.
Mensen met dezelfde angsten, onzekerheden, twijfel, onbegrip en zo voort, die ons kunnen overvallen. Kijk maar hoe menselijk ze worden geportretteerd in het verhaal. Heel anders dan je op grond van dit begin, dit meegaan zonder vragen, zou verwachten, zijn er straks bij diezelfde leerlingen volop aarzelingen, vragen, onzekerheden en zo meer.

Wat belangrijk is, is dat wij ons in deze eenvoudige leerlingen gaan herkennen. Zij zijn het beeld van de kerk.
Heel het evangelie is geschreven, om de lezer, om jou mee te nemen in de beweging die Jezus op gang heeft gebracht. Heel het evangelie is bedoeld om jou uit te dagen, te verleiden als het ware, ook die weg te gaan die Hij gaat, om mee te gaan op dat pad.
Het koninkrijk – het goede leven zoals God het bedoelt – is nabij, is binnen handbereik.
Kom, volg mij. Dat zegt Jezus tegen mij!

Wat dit opmerkelijke begin, met dat volgen zonder vragen van die eerste leerlingen, laat zien, is dat het gaat om een levensbeslissing met een eigen karakter. Jezus volgen, is geen conclusie na een potje plussen en minnen. In de kern is het, een sprong in het diepe, is het de overgave aan iets wat je geraakt heeft, zonder dat je het helemaal kunt verantwoorden of verklaren.  

Het is meegaan zonder vragen. Die vragen komen later wel. Dat blijkt genoegzaam uit het vervolg en zo is ook onze ervaring. Maar het begint, altijd, daar waar de vonk overslaat, waar je als het ware boven alle vragen en onzekerheid uit, de sprong waagt. Dat is de overgave van het geloof. Die daarom ook nooit helemaal te organiseren is. Het gebeurt, of het gebeurt niet.

Vandaar dat het ook zo moeilijk is om dat aan een ander uit te leggen, soms zelfs aan je zelf. Je kunt het nooit helemaal beredeneren.
Maar, er is iets in die boodschap – het koninkrijk is nabij – dat je raakt. Er is iets in zijn appèl, kom en volg mij, dat dieper binnenkomt dan al het andere. Geloven is een weten voorbij de zekerheid en de onzekerheid tegelijk. Hij is het. Uiteindelijk is voor iedereen de vraag, wat je doet met die roep, Kom en volg mij.

Misschien helpt het tenslotte, om op nog één detail uit het verhaal de aandacht te vestigen.
Bij deze eerste roeping – het wordt allemaal uiterst beknopt verteld – wordt met name genoemd dat Simon en Andreas hun netten aan het uitwerpen waren, en dat de beide andere broers in hun boot de netten aan het herstellen zijn. Het lijken details die niet ter zake zijn. Of misschien juist wel? Als daarmee wordt benadrukt, dat het niet alleen gewone mensen zijn die worden geroepen, maar ook dat ze worden geroepen terwijl ze met hun gewone dagelijkse dingen bezig zijn.
In het werk van iedere dag, daar moet het gebeuren. In de manier waarop wij onze dagelijkse taken verrichten, daar moet het rijk van God nabij kunnen komen. De vissers zijn, ook als leerlingen, vissers gebleven. Ze waren niet voor niets vaker in hun boot op het meer te vinden.

Nou ja, hoe je dat ook wilt begrijpen. Er zit iets in dunkt me, dat het belang van het gewone en het alledaagse onderstreept, juist in verband met onze roeping. Juist in de gewone dingen die we doen, ons dagelijks werk – de kalme gang, de kleine taak, zijn ruim genoeg voor Godes zaak, zoals het in een liedregel klinkt (Lied 215, strofe 6), juist in het gewone alledaagse krijgt het koninkrijk gestalte, wordt de wereld opgebouwd, door mensen die zich geroepen weten.

Jezus kan en wil het niet alleen. Hij heeft mensen nodig.
AMEN

Previous Post Next Post

No Comments

Leave a Reply