Preken

zoals ook wij, matteüs 18, 21-35

Deze week stond een interview in de krant met een Zweedse ethicus, Ann Heberlein. De kop erboven: “Soms is het moreel fout om te vergeven”.
In het interview vertelt ze dat ze op 19-jarige leeftijd is verkracht. Ze kan en wil de dader niet vergeven. Ze zegt letterlijk:
“Ik ben een christen, en dan weet je dat vergeving belangrijk is. Het is moeilijk om daar anders over te denken”. Lachend: “Zeventig maal zeven maal zul je vergeven, dat wist ik wel. (Maar, zegt ze:) Vergeven hoeft niet altijd, mag zelfs niet altijd. De man had me enorm beschadigd, mijn zelfrespect ondermijnd. Vergeven zou onvergeeflijk zijn.”

PRINTVERSIE

Petrus vraagt: hoe vaak moet ik vergeving schenken? Tot zevenmaal aan toe?
Jezus’ antwoord is bekend en spreekwoordelijk geworden. Geen zeven keer, maar zeventig maal zeven.
Iedereen begrijpt, dat betekent niet: 490 keer, maar dat betekent: eindeloos. Het houdt nooit op. Vergeven, dat is een opdracht die altijd geldt.
Maar kan dat ook? Moet dat ook, in alle gevallen? Denk aan verkrachting, of nog erger, aan moord, aan oorlogsmisdaden op grote schaal. Kun je altijd en overal zomaar vergeven?

Om zijn antwoord aan Petrus (en dus aan ons) duidelijk te maken, vertelt Jezus een gelijkenis. We hebben het zojuist gehoord. Over iemand die een grote schuld vergeven wordt, maar die het zelf verdomt om een ander, die een veel kleinere schuld bij hem heeft, deze kwijt te schelden. Dat wringt, dat voelt iedereen meteen aan. En toch. Je zou denken dat die gelijkenis bedoeld is om het punt te verhelderen, maar eerlijk gezegd wordt het er alleen maar ingewikkelder van.

Want ga maar na. Je moet zeventig maal zeven, eindeloos, vergeven, maar in deze gelijkenis is het na één keer al op. De heer scheldt aanvankelijk de grote schuld van zijn dienaar kwijt, maar als hij hoort wat die dienaar vervolgens bij een ander doet, draait hij even gemakkelijk dat besluit weer terug. Hoezo eindeloos vergeven? Dan draagt hij hem over aan de gerechtsbeulen tot hij de hele schuld heeft terugbetaald.
Nu kunnen we daar wel een zeker begrip voor op brengen. Die dienaar is ook een lelijke linkmiegel. In moreel opzicht schiet hij tekort. Maar, wat heeft de heer eigenlijk te maken met die tweede schuld die wordt vereffend. Strikt genomen staat hij daar toch buiten. Moreel deugt het niet, maar juridisch heeft het een niets met het ander te maken.
En stel je voor, gewoon er nog even over doordenkend, dat het omgekeerd was. Dat die eerste schuld die wordt kwijtgescholden maar om een luttel bedrag ging, terwijl de ander juist een heel groot bedrag schuldig was. Zou diezelfde dienaar dan ook moreel verplicht zijn geweest die grote schuld kwijt te schelden, omdat hij zelf die kleine niet hoefde te betalen?

Kortom, hoe zit dat nu precies?
Vergeven is toch niet het automatische antwoord in alle gevallen, zou je zeggen.
Het hangt er van af, hoe groot de schuld is, en dan gaat het niet alleen om een geldbedrag. Bij echt ernstige zaken, kun je niet zomaar vergeven. Het punt van de Zweedse Ann Heberlein.

Maar betekent dat dan, dat ik pas kan vergeven, als ik er aan toe ben?
Je kunt vergeving niet afdwingen, niet van een ander, maar ook op een bepaalde manier niet van je zelf. Je moet het kunnen. Soms komt de vraag te vroeg. Soms is het gewoon teveel gevraagd. Allemaal waar, maar ook daar mee is het laatste niet gezegd, dunkt mij.

Hoe problematisch misschien de gelijkenis ook in bepaalde opzichten is, de strekking is toch dat we worden opgeroepen de broeder de zuster ‘van harte te vergeven’ – con amore. Zo staat het er in de laatste zin.
Zeventig maal zeven, niet als een opdracht, maar als een hartszaak.
Of zoals ik ooit eens geleerd heb, je kunt misschien niet altijd vergeven, maar als christen word je wel opgeroepen naar vergeving te streven. Misschien gaat deze gelijkenis vooral over je gezindheid, je instelling. Vergevingsgezind. Over de richting waarin je je beweegt.
Ook al zijn en blijven er soms situaties waarin het met al je beste bedoelingen uiteindelijk niet luk, ook al kan het niet altijd, of niet meteen, je blijft proberen om er wel toe te komen. Je beweegt je naar vergeving en verzoening toe, en dat betekent dat je niet de andere kant uitgaat, in de richting van haat en wrok en onverzoenlijkheid. Dat draait vast. Vergevingsgezindheid probeert juist openingen te creëren.

Ik zei het al bij de inleiding, dat heeft te maken met het hart van ons christelijk geloof.
Wij leven van Gods genade. Dat is meer dan een vrome zin. Dat is een levenswerkelijkheid die in ons gestalte wil krijgen. Het leven als een geschenk, zomaar, om niet. Als een gave om steeds meer mens te worden in zijn naam.
Je kunt in het geloof je zelf niet anders zien dan als een mens die voor alles uit leeft van Gods vergeving. Wij mogen er zijn, wij worden aanvaard, wij bestaan door Gods liefde, ondanks alles wat we zijn en wat we doen en wat we laten zitten en zo voort. Gods vergevende liefde gaat voorop. Omdat dat zo is, omdat we dat geloven, daarop vertrouwen, daarom zijn wij ook vergevingsgezind.

Je zou het kunnen verduidelijken aan een regel die we allemaal kennen, een bede uit het Onze Vader:
Vergeef ons onze schulden, zoals wij hebben vergeven wie ons iets schuldig was.
Het een hoort bij het ander. Net zoals in de gelijkenis van deze zondag. Als je zelf vergeven wordt, moet je bereid zijn de ander ook te vergeven. Als je voor je zelf om vergeving van God bidt, moet je zelf ook vergeving durven schenken aan anderen.
Sterker nog, het Onze Vader veronderstelt al dat we dat doen. Zoals… ook wij hebben vergeven.
Het is niet: vergeef ons, zodat wij anderen vergeven. Alsof het ene de voorwaarde voor het andere is. Als ik vergeving ontvang, dan kan ik het ook aan een ander geven. Nee, het gaat verder, het is radicaler. Wij bidden of God ons wil vergeven, zoals wij het ook al bij de anderen doen. Dat laatste is de vanzelfsprekende vooronderstelling. We leven zelf al vergevingsgezind, we komen zelf al de ander tegemoet, en wij bidden of God ons niet anders wil behandelen als wij al onder elkaar doen. Maar is dat ook zo?

Ann Heberlein zegt dat het soms moreel fout is om te vergeven. Dat zegt ze mede op basis van haar eigen pijnlijke ervaring. Ze wil de man die haar verkrachtte niet vergeven. Ze kiest ervoor om er zo onverschillig mogelijk over te zijn, zegt ze in het interview. U moet het maar eens nalezen. Of dat de oplossing is…? Maar wie kan dat voor een ander bepalen?

Vergeven kan soms te veel gevraagd zijn. Je kunt het een ander niet afdwingen of opleggen. Dat zijn allemaal aspecten waarom het zo ingewikkeld is en we hier het laatste woord erover niet kunnen zeggen.

Ik blijf geloven dat het je zelf goed doet om op vergeving ingesteld te zijn, en ik blijf proberen om dat in ieder geval na te streven. Het samenleven met de ander wordt er zoveel aangenamer door, als je je niet laat gijzelen door de wrok, de wraakzucht, de vergeldingsdrang, maar als je die ruimte voor een positieve welwillendheid toe kunt laten. Als ik besef, dat ik zelf leef van Gods genade, van Zijn vergeving, waarom zou ik dan onverzoenlijk tegenover een ander staan?

We worden uitgedaagd om in deze wereld een begin te maken met het koninkrijk van de hemel. Daar gaat de gelijkenis over! Het Koninkrijk is Gods werkelijkheid, waar mensen niet worden afgerekend op hun tekorten, op hun schuld, maar waarin de grondwet van de barmhartigheid en het mededogen geldt. Dat leer je misschien wel het beste, door het gewoon te doen. ‘Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaars vergeven’. Niet: voor zover. Niet: zodat. Maar: zoals. Waar vergeving is, daar is het koninkrijk al begonnen…

AMEN

Previous Post Next Post

1 Comment

  • Reply Gert Meijer 21/09/2020 at 18:57

    Mooi en m.i. terecht: licht van een hemels rijk onder woorden gebracht in ons gebroken leven.
    Lonkend en verlangen oproepend om lichter door het leven te gaan.

  • Laat een reactie achter aan Gert Meijer Cancel Reply