Wie is Jezus? Joh. 21, 1 – 14

Onlangs kwam ik een gedicht tegen van Toon Hermans. Hij overleed in 2000 maar we kennen hem allemaal nog wel, vermoed ik.

Het gedicht heet: Jezus

Ik heb zijn beeltenis maar vaag in mijn gedachten
en ik weet haast niets van hoe hij sprak en hoe hij keek
‘k zou willen weten hoe hij liep en hoe hij lachte
‘k zou willen weten hoe hij door zijn haren streek

‘k zou willen weten of Hij appels at of noten
en hoe hij hoestte als hij bij de oever stond
hoe hij zijn baard geknipt heeft en zijn neus gesnoten
iets van zijn oogopslag, zijn tanden en zijn mond

en hoe hij sliep en hij heeft ontbeten
en of hij koffie dronk of thee bij het ontbijt
en of hij wel ’s met de deuren heeft gesmeten
en of hij hield van knoflook of van zoetigheid

maar ik ruik wierook, plechtig klinkt in alle talen
wat hij gezegd heeft, en ik verdwaal in mijn gebed
want ik zoek de kleuren van zijn kleed en zijn sandalen
ik zoek gewoon de Man van Nazareth

De mens Jezus, de eenvoudige man van Nazareth, is uit het zicht geraakt. Gehuld in wierook, in pracht en praal – dat is katholiek. Of, bedolven onder onze dogmatische begrippen en vrome kerktaal – dat is dan meer protestant. Om maar niet te spreken van al die beelden waarin Jezus voor het karretje van het eigen gelijk wordt gespannen. U hebt misschien ook die vreselijke AI-beelden gezien van de Amerikaanse president als Jezus of met Jezus. Eigenlijk is het niet waard om daar woorden aan vuil te maken.

Wie is Jezus? Wie was Jezus? Wie is Jezus voor ons, voor jou, vandaag?

Vragen waar je nooit uit komt, waar je een leven lang mee bezig blijft, maar waarvan het wel zinvol is om daar van tijd tot tijd bij stil te staan. Het gedicht van Toon Hermans zette mij op dat spoor. En ik verbind dat vandaag met het verhaal van Jezus’ verschijning, meteen na Pasen, aan zijn leerlingen.

Want één van de opmerkelijke dingen aan die zogenaamde verschijningsverhalen is, dat Jezus daarin ook al vreemd is geworden. Er staat dat als de leerlingen op het meer zijn Jezus op de oever staat, maar dat ze hem niet herkennen. Ze wisten niet dat het Jezus was.
Waarom is dat?
Omdat de afstand te groot was? Omdat door de ochtendmist het zicht beperkt is? Het staat er niet. Sterker, als Jezus hen aanspreekt: ‘Heb je iets te eten?’ is er nog geen herkenning. Is zijn stem vervormd? Hij staat in ieder geval op gehoorsafstand.
Pas als ze op advies van deze onbekende hun net over de andere boeg hebben gegooid en ze opeens volop vissen vangen, dan is er de herkenning: ‘Het is de Heer’.
Tegelijk blijft de schroom bij zijn leerlingen.
Als ze even later op een houtskoolvuurtje brood en vis roosteren en Jezus hen uitnodigt mee te eten, staat er: ‘Geen van de leerlingen durfde Hem te vragen wie Hij was, ze begrepen dat het de Heer was’.

Het houdt iets wonderlijks, als je er nuchter naar kijkt.
Er zit vast meer achter.

Als je deze verhalen leest als verslagen van gebeurtenissen, dan roept dat allerlei vragen op. Hiervoor is Jezus aan Tomas verschenen. Waar is Hij daarna gebleven? Had Hij een eigen optrekje in Jeruzalem, in die dagen na Pasen? We horen er niets over. Opeens staat Hij daar weer, mysterieus aan het meer.

Jezus verschijnt een aantal malen. Maar steeds in de kring van zijn leerlingen. Je zou toch denken, als je een maximaal effect wilt sorteren, als je zoveel mogelijk mensen wilt overtuigen, dan had Hij toch beter kunnen verschijnen in het paleis van Pilatus, of op het plein van de tempel voor de hogepriesters en schriftgeleerden en al het andere volk?
Maar kennelijk gaat het daar niet om.
Jezus verschijnt, daar waar er een openheid is om Hem te herkennen, te ontvangen. Is dat het? Jezus staat op in de gemeente. Opstandingsgeloof is daarmee ook een kwestie van wat je wilt zien. Je moet er wel oog voor hebben.

Er zitten meer elementen in het verhaal zoals het verteld wordt, dat wijst op een diepere of symbolische betekenis.
Zo staat er bijvoorbeeld dat als ze het volle net aan land slepen, ze 153 vissen tellen.
Zouden ze nu echt die vissen één voor één hebben geteld? En wat is dat voor wonderlijk getal? Waarom wordt dat exact zo vermeld?

Al in de oude kerk verbaasden ze zich daarover. Maar ze kwamen ook met een vernuftige uitleg, want in die tijd hadden ze nog meer gevoel voor dit soort symbolische elementen. Met name kerkvader Augustinus heeft er menige preek aan gewijd. 153 is het getal dat je krijgt als je 1 + 2 + 3 + 4 optelt tot en met 17. 17 is 10 + 7. Dat staat voor de tien geboden en de zeven geesten voor Gods troon, volgens Augustinus. Het oude en het nieuwe testament.
Daarnaast zijn er ook nog andere uitleggingen, want 10 en 7 zijn bijbelse getallen met een bijzondere betekenis. Altijd als er een telwoord staat, zegt dat iets.
Ook hier, aan het einde: ‘Dit was al de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen nadat Hij uit de dood was opgestaan’. Drie keer scheepsrecht?

En dan is er ook nog die symbolische betekenis van de vis. We zongen er al over.
Ichthus in het Grieks. Je kunt het zo lezen dat iedere letter staat voor een woord, in het Grieks, en dat is dan vertaald: Jezus Christus Zoon van God Zaligmaker of Redder.

Er klinkt dus meer in mee.
Dat geeft het verhaal die wonderlijke mysterieuze sfeer, van herkenning en niet herkenning, van schroom om te spreken, van als het ware elkaar voorzichtig aftasten.
Jezus die wordt herkend, aarzelend, onzeker, en tegelijk aan onze greep ontsnapt.

Dat het beeld iets vreemds en raadselachtigs houdt, dat we dus nooit helemaal zicht krijgen op deze mens Jezus, ligt niet alleen aan allerlei kerkelijke en vrome aankoeksels – dat is een beetje de suggestie van Toon Hermans’ gedicht.  Misschien kun je zeggen dat het wezenlijk tot ons beeld van Jezus hoort, dat we het nooit helemaal scherp krijgen, maar dat Hij tegelijkertijd ons blijft fascineren. Juist ook weer door het gewone en alledaagse, wat zelfs in dit verhaal speelt.
Brood en vis.
Eten dat wordt gedeeld – suggereert dat iets van de maaltijd, de eucharistie.
Jezus die met één woord, gooi je net over de andere kant, zorgt voor overvloed.

Dit evangelie van Johannes begon ooit met het wonder van Kana – het eerste teken. Teken van overvloed, water wordt wijn.
Hier aan het einde is er de overvloed van de visvangst. Bij anderen staat dat overigens aan het begin, maar hier past het als een soort boog die de verbinding tussen begin en slot van het evangelie maakt.

Jezus deelt met ons het leven.
Hij zorgt voor overvloed, en dat is wat anders dan materiële rijkdom. Daar gaat het helemaal niet om. Het gaat om een ander soort rijkdom, meer geestelijk, meer levensecht.
Jezus zorgt dat het feest door kan gaan, in Kana, hij zorgt ervoor dat de menselijke arbeid, hier het vissen, niet zonder resultaat is. Met andere woorden, bij Jezus vind je een vervulling van het leven. Ieder teken in het evangelie geeft leven, nieuw leven. Jezus geneest, een blinde die gaat zien, een verlamde die gaat lopen, Jezus zorgt voor brood uit de hemel, roept de dode tot leven, denk aan Lazarus. Zo zou je het hele evangelie door kunnen gaan. Alles hangt met elkaar samen in één verband.

Jezus blijft fascineren. Maar hoe werkt dat nu uit? Wat doe jij ermee, wat doen wij daar vandaag mee?
Dat zijn al even onmogelijke vragen, als die vraag naar wie Jezus is.
En toch gaat het om dit soort vragen.
Wie is Jezus voor jou? En hoe kleurt dat jouw leven?
Die vragen kan niemand anders voor jou beantwoorden, ook een dominee niet.

Maar ik wil er nog wel iets over zeggen, en daarvoor blijf ik toch weer dichtbij het verhaal.

Want we hebben het nog niet over Simon Petrus gehad. Hij speelt een belangrijke rol. Hij is steeds degene die het initiatief neemt.
Zo ook aan het begin, als hij – plompverloren – zegt: ‘Ik ga vissen’.
Hoe nuchter, ontnuchterend klinkt dat, na Pasen, na de eerste twee verschijningen van Jezus.
‘Ik ga vissen’.  Logisch, zegt u, al even nuchter. Er moet weer gewerkt worden, brood op de plank, of vis zo u wilt. In mijn eerste gemeente in Friesland was iemand die mij vertelde dat hij aan dit vers – Ik ga vissen – troost ontleende, na het tragische verlies van hun zoon door een ongeluk. Er moet weer gewerkt worden, en dat kan je er door slepen. Ik ben dat nooit vergeten.

En toch, in dit verhaal is de suggestie dat door te gaan vissen, Simon en zijn vrienden terugvallen in een oud en vruchteloos verleden. Dat vissen wordt ook geen succes. Ze vangen een nacht lang niks. Ze hebben Jezus op de oever niets te bieden.
Pas als Jezus er aan te pas komt, als ze het letterlijk en figuurlijk over een andere boeg gooien, dan is er resultaat. Zegt dat niet iets?
Hierna is er geen sprake meer van dat Simon Petrus zijn oude beroep weer oppakt. Hierna is die scène waarin hij van Jezus de opdracht krijgt om ‘mijn schapen te hoeden’, met andere woorden: de gemeente te leiden. Tot driemaal aan toe (om de drievoudige verloochening ongedaan te maken).
Simon Petrus moet als het ware bekeerd worden. Zijn oude leven en beroep moet hij loslaten, de netten definitief achter zich laten. Hij moet Jezus volgen (22b).

De verschijning van de Opgestane verandert je leven. Vernieuwt je leven. Iedere dag opnieuw.
Jezus nodigt ons uit om Hem te volgen. Om het oude leven achter je te laten. Om je toe te vertrouwen aan de toekomst die Hij opent. Een leven van overvloed, van diepe rijkdom, een leven van vervulling.

View Comments (1)
  1. Luuk Sollie

    Mooie overdenking collega Bert! Ik zeg er Amen op.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *