Jezus is vandaag jarig.
Hij heeft het zaaltje achter de synagoge afgehuurd om het met zijn vrienden te vieren. Want je wordt maar één keer 30.
Langzaam druppelen de gasten binnen. Aan de bar wordt al druk gekletst.
Petrus, zijn beste vriend, vraagt aan Jezus: ‘komen je ouders nog?’
Jezus rolt met zijn ogen en slaakt een diepe zucht.
‘Ik had tegen ma gezegd, komen jullie dit weekend maar, dan zijn we samen. Ik vier het op de dag zelf met mijn vrienden en vriendinnen, dat is veel te druk voor jullie. Maar je weet hoe koppig mijn moeder is. Die zei: ‘ik kom ook op de dag zelf, en je vader die kan die drukte best wel aan’.
En terwijl Jezus dat zegt, gaat de deur van het zaaltje open en komt moeder Maria binnen, met Jozef op sleeptouw.
Petrus begint te lachen en knipoogt naar de vrienden die er omheen zijn komen staan. ‘Wat leuk dat u er ook bij bent. En nog zo kwiek’, slijmt hij een beetje.
Als Maria en Jozef hun zoon hebben gefeliciteerd en aan de koffie met taart zitten, steekt ze van wal. Dit is het moment waar de vrienden op wachten. Ze kijken elkaar veelbetekenend aan. Want ze weten precies wat er nu komen gaat.
Maria zegt: ‘Ach Jezus, mijn jochie, alweer 30, waar blijft de tijd. Ik weet nog goed, de nacht van jouw geboorte….’
‘Toe, moeder, niet weer. Dat verhaal vertelt u elk jaar opnieuw, dat kennen we nu zo langzamerhand wel. Laten we het over het nu hebben…’.
‘Laat je moeder toch’, zegt Petrus. En de anderen knikken instemmend mee. ‘Ieder jaar komen we naar jouw verjaardag, om dát verhaal van je moeder te horen. Traditie hè. En ieder jaar wordt het mooier en mooier….’
Dat verhaal, dat kennen we zo langzamerhand wel.
En tegelijk komen we ieder jaar opnieuw om het te horen.
In de Kerstnacht het overbekende verhaal van de geboorte, van de stal en van de kribbe, van de engelen die de herders het goede nieuws vertellen.
Vandaag het sobere verslag van Matteüs. Maar ook die bekende profetische woorden, die we de afgelopen weken vaker hoorden: Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven …. Wonderbare raadsman, Sterke God, Eeuwige vader, Vredevorst. En je hoort er de muziek al bij.
En dan nog al die Kerstliederen, het kan niet op.
Kennen we dat verhaal zo langzamerhand wel?
Vast.
En toch hoop je ieder jaar weer dat het overbekende verhaal jou en anderen opnieuw weet te raken. Want daarvoor vier je toch het feest?
In de afgelopen weken hebben we hier regelmatig teksten uit Jesaja gelezen.
Ze zijn min of meer bekend, niet zo erg als het Kerstverhaal, maar toch. Omdat ze traditioneel gelezen en gebruikt worden in de advent, op weg naar Kerst.
En dan wordt het meestal zo uitgelegd, dat deze oude profetische woorden worden vervuld met de geboorte van het Kerstkind, de Messias, Jezus onze Heer.
Dat kun je zo zeggen.
Maar je moet niet vergeten dat toen Jesaja deze woorden uitsprak, bezield door de profetische geest, hij nog niet in de verste verte kon vermoeden dat ooit, acht eeuwen later, dit kind geboren zou worden.
Jesaja spreekt, als alle andere bijbelse profeten, allereerst voor de mensen van zijn tijd en in de historische situatie van dat moment.
Hij richt zich tot de koning en het volk van Juda, het kleine koninkrijkje rondom de stad Jeruzalem. Belaagd door de grootmachten van die tijd. In onzekere politieke omstandigheden.
We hoeven daar nu niet al te diep op in te gaan. Maar geloof me, Jesaja spreekt met het oog op de actualiteit van toen. Hij bemoedigt het volk en de koning. Hij spreekt over het dreigend onheil, maar ook over de tijd dat God zal zorgen voor herstel.
Daarvan zingt het lied. Het volk dat in duisternis ronddoolt / ziet een schitterend licht.
En die eeuwenoude woorden, blijven aanstekelijk.
U hebt het volk weer groot gemaakt / diepe vreugde gaf U het.
Het drukkende juk is verbrijzeld. De stampende laarzen hebben de aftocht geblazen.
Het is een visioen van vrede, en dat geldt voor alle tijden.
Dus ja, Jesaja spreekt voor zijn tijd maar, zoals echte profetie, hebben zijn woorden een grotere reikwijdte. Ze omspannen de eeuwen. Want deze woorden, deze droom, deze belofte geldt van Godswege.
En daarom is het niet vreemd dat deze woorden op Jezus zijn toegepast. Achteraf natuurlijk, toen zijn levensverhaal op papier werd gezet, werd doorgegeven, toen het verhaal van Kerst ontstond.
In Jezus krijgt de profetie van Jesaja, het visioen van vrede, vervulling.
Zodat die mooie woorden uit dat oude lied haast als vanzelf woorden worden die bij Jezus gaan passen. Hij is onze Vredevorst.
Het lijkt me belangrijk om dat laatste krachtig te onderstrepen. Juist in de wereld van vandaag. Jezus is onze Vredevorst.
Want hoe bekend die woorden ook klinken, zeker met Kerst, we realiseren ons steeds meer hoe haaks dat staat op wat er in de wereld van vandaag gaande is.
We worden langzaam maar zeker op een nieuwe oorlog voorbereid.
Politici spreken erover. Onze eigen Mark Rutte stookt in zijn nieuwe rol als chef van de NAVO het oorlogsvuurtje op. De overheid roept ons op bereid te zijn.
Is dat verstandig? Politiek onvermijdelijk? We moeten niet naïef zijn, zoals velen zeggen.
Of is het bangmakerij, misschien juist onverantwoordelijk?
Aan de talkshowtafels schuiven regelmatig hoge (ex)militairen aan om ons uit te leggen hoe de wereld in elkaar steekt. Maar is dat niet een heel eenzijdig perspectief? Natuurlijk pleiten zij voor meer wapens, tanks en geld naar defensie. Soms hebben ze daar ook zelf een belang bij.
Waarom niet andere inzichten toegelaten? Psychologen die uitleggen hoe vijandsbeelden elkaar juist versterken, of gedragstherapeuten die duidelijk kunnen maken hoe een pedagogiek van vrede werkt, of hoe in conflictgebieden gewerkt kan worden aan verzoening en heling.
Volgens mij hebben we meer mediators nodig dan militairen. Meer wijsheid dan wapens. Of is dat een idealistische gedachte?
Ja, dat is het. Maar idealisme is misschien wel de meest realistische optie.
Ik wil graag geloven dat dat schattige Kerstkindje, dat weerloze kind in de kribbe, Jezus, dat Hij de Vredevorst is, zoals de oude woorden zeggen.
Zeker.
Maar de vrede van Christus, is iets dat er niet automatisch is of vanzelf tot stand komt.
De vrede valt niet uit de hemel.
Die vrede, die moeten wij aan elkaar doorgeven. Zoals bij het avondmaal.
Maar ook in bredere zin. Die vrede moeten wij gestalte geven.
Het begint bij je zelf. En dat geldt voor iedereen. Alleen zo kan er een beweging van vrede op gang komen.
Die beweging is er altijd geweest, door de geschiedenis heen, overal waar mensen zich aan het verhaal van de vrede, aan het kind van de vrede, hebben overgegeven en toevertrouwd.
Zoek de vrede, voor de stad waar je woont. En bid voor haar.
Het zijn woorden van een andere profeet, Jeremia, die hij richt aan de ballingen in Babel (Jer. 29: 7).
Blijf niet alleen dromen van terugkeer, van vrede ooit.
Maar werk nu aan vrede, in de situatie waarin je verkeert, hoe moeilijk die misschien ook is.
We worden uitgenodigd om te geloven dat Jezus ons helpt hier gestalte aan te geven.
Rondom zijn geboorte is er al die wonderlijke vrede die er van hem uit gaat.
Zoals om ieder pasgeboren kind, de mensen voorzichtiger worden, zachter gaan praten, liefkozende woorden, tedere gebaren.
Er heerst vrede in de stal, waar herders en wijze magiërs samenkomen – waarom ook niet – hoog en laag, jan en alleman.
Er heerst vrede tussen mensen en dieren, de os en de ezel staan er vriendelijk bij. De zuigeling steekt zijn handje uit naar het hol van de adder (vgl. Jes. 11: 8).
En als dan straks het verhaal van Jezus verder gaat, zal hij woorden van vrede spreken. Gelukkig de vredestichters, zegt Hij. En Hij zal vrede brengen, daar waar haat regeert. Heb je vijand lief, zal Hij zeggen. En Hij maakt het zelf waar. Hij zal mensen bij elkaar brengen. Verzoenen, heet dat in Bijbeltaal.
Maar we weten ook, hoe vanaf het begin dat verhaal van de vrede en de Vredevorst aangevochten zal zijn. Hoe kwetsbaar het is. Hoe overgeleverd aan mensen die het verhaal voortzetten, blijven vertellen en uitdragen.
Want vrede valt niet uit de hemel.