Voel je je aangesproken?, Mat. 18, 15 – 20

Deze zomer was er het bericht dat de NS een nieuwe regel wilde invoeren. Een verbod op het plaatsen van tas of bagage op de stoel naast je. De tas moet op schoot of in het bagagerek om zo voldoende zitplaatsen in de trein beschikbaar te houden. Doe je dat niet, dan riskeer je een boete.

Waarom ontstaat zo’n idee?
Vanwege de volle treinen, ja, dat begrijp ik ook. Het zal vast goedbedoeld zijn. Maar de ongeschreven regel, dat je de stoel naast je vrijmaakt voor iemand die wil zitten, werkt toch ook? Heeft het er mee te maken dat we graag alles in ons land in regeltjes en afspraken en protocollen vastleggen? Heeft het er misschien ook mee te maken, dat we het met elkaar steeds lastiger vinden om een ander aan te spreken? Voordat je het weet krijg je een grote bek terug, of erger. Is dat het?
Inmiddels is het plan weer teruggedraaid. De conducteur gaat niet beboeten, maar mensen wel op hun gedrag aanspreken.

In het evangelie van deze zondag vinden we aanwijzingen van Jezus over hoe om te gaan met iemand die in de fout gaat in de gemeente. Zondigt, in het taalveld van de Bijbel.
Het begint ermee om iemand daarop aan te spreken, onder vier ogen. Helpt dat niet, dan moet je er een paar anderen bij halen en als dat ook niet helpt, dan aan de gemeente voorleggen en als hij of zijn dan nog weigert te luisteren, ja dan wordt diegene uiteindelijk bij het volgende station uit de trein gezet.

Het element dat vanmorgen centraal staat, is dat aanspreken. De broeder of zuster die zondigt, wordt aangesproken.
Maar wie spreekt wie aan? Zijn wij zelf, ben ik aanspreekbaar? En waar gaat het dan om? Toch wel om wat anders dan een tas op de stoel of de voeten op de bank – regels van fatsoen – zou je denken.

Nu is één van de moeilijkheden dat dat uit de tekst niet duidelijk wordt. Er is sprake van zondigen – in de fout gaan. Maar wat dan die zonde is, daar wordt niets over gezegd. Dat kan natuurlijk van alles zijn.
In onze vertaling staat: als een broeder of zuster tegen je zondigt, enzovoort. Dat klinkt alsof iemand jou iets heeft misdaan, jou heeft benadeeld. Tegen je. Alsof het iets persoonlijks is. Nu is het zo dat die woorden ‘tegen je’ niet in alle handschriften voorkomen. Het is onduidelijk of dat er nu wel of niet bij hoort.

Een uitleg, die ik zelf wel plausibel vind, kiest ervoor om het te houden bij: als een broeder of zuster zondigt… dan moet je diegene daarop aanspreken. Dat zondigen is dan niet iets wat jou persoonlijk treft, maar wat de gemeenschap aangaat. Dat wordt duidelijk als je het grotere verband waarin de tekst staat erbij betrekt. Het gaat in dit gedeelte om het leven van de beginnende christelijke gemeente, om de juiste omgangsvormen in de gemeenschap. Zondigen, dat is niet zomaar iets verkeerd of verbodens doen, zondigen is dát wat de gemeenschap schaadt; wat afbreuk doet aan de goede naam van de gemeente; zonde is wat ergernis veroorzaakt, of tweespalt, of ander rumoer. Zondigen schaadt de nog jonge gemeente, het is gedrag of handelen dat niet opbouwt, maar afbreekt. Vandaar dat, als het escaleert, de gemeente erbij geroepen wordt. Vandaar ook de uitspraken over bindend verklaren en ontbinden – kerkelijke rechtspraak, met gevolgen. Om de gemeenschap te behoeden. Om de eenheid te bewaren.

Jaren geleden heb ik ook eens over deze tekst gepreekt en toen zei iemand na afloop: ‘dus, dominee, als ik het goed begrijp, wilt u de kerkelijke tucht weer terug’. De manier waarop hij het zei, liet wel merken dat hij dat geen goed idee vond.
Ja, vroeger was er de kerkelijke tucht. Eigenlijk ben ik zelf te jong om dat te hebben meegemaakt, maar misschien anderen niet, ligt er ook een beetje aan waar je kerkelijk bent opgegroeid.

Het zal allemaal wel goedbedoeld zijn geweest, maar die kerkelijke tucht heeft veel ellende meegebracht. Het vanuit de hoogte oordelen. Machtsspelletjes in de kerk. Vernederingen die een leven lang doorwerken. De kerk die genade preekt kan soms genadeloos voor mensen zijn. Dat natuurlijk niet.

Maar er moeten toch ook andere manieren zijn om elkaar aan te spreken? Juist als het om de gemeente gaat, de manier waarop we met elkaar omgaan en de manier waarop we ons in de maatschappij manifesteren. Kan dat ook op een positieve manier, op een opbouwende manier? Dat hangt voor een groot deel, denk ik, af van de toon en van de goede verhoudingen. Tegen vrienden moet je alles kunnen zeggen, ook de onderlinge ergernissen en meningsverschillen. Maar iedereen weet ook hoe zoiets gemakkelijk kan ontsporen, vriendschappen kan kosten, relaties voorgoed beschadigen.

Ooit leerde ik van een mediator, iemand die bemiddelt bij burenruzies of relatieproblemen bijvoorbeeld, het woord ‘escalatieladder’. Een conflict ontstaat niet zomaar. Het groeit. Je kunt een aantal fasen in een conflict onderscheiden.
Het begint bij misverstanden en onbegrip en leidt dan via je principieel opstellen, de ander zwart maken, tot verbittering en verharding en in het ergste geval tot geen weg terug. Ik vat het even heel globaal samen. Op Internet vind je prachtige schema’s die dat visualiseren.

Nu weet ik ook wel dat de werkelijkheid zich niet houdt aan onze schema’s, maar het kan wel verhelderen. Grofweg zijn er drie fases: die van de win-win, wanneer het nog mogelijk is om er samen beter uit te komen; van de winst of verlies, de echte strijd wie aan het langste eind trekt of gelijk krijgt, tot de verlies-verlies fase, als het conflict helaas niet op te lossen is en beide partijen eigenlijk de verliezers zijn.

Zo ver hoeft het niet te komen. Daarvoor zijn juist die mediators, en al die andere mensen die proberen het goed te houden en conflicten open en eerlijk uit te praten of via wijze compromissen op te lossen.

Terug naar de tekst, kun je zeggen dat dat precies de insteek is, in de aanwijzingen die worden gegeven. Hou het klein, maar spreek de ander wel aan. Persoonlijk. En als dat niet helpt, met anderen. Alles is erop gericht om die ander voor je terug te winnen, voor de gemeenschap dus, als we de achtergrond er bij blijven bedenken.
Er zijn geen garanties, dus het kan ook zover komen dat je afscheid van elkaar moet nemen – zoals het tegenwoordig zo mooi wordt gezegd als iemand zijn ontslag krijgt. Maar eigenlijk moet je het zover niet willen laten komen. De kerk sluit toch geen mensen uit?

Hoe gaan we met elkaar om?
Als je nogmaals het verband van de tekst bekijkt, dan merk je dat het hierna meteen gaat over vergeving. Petrus vraagt dan aan Jezus hoe vaak je moet vergeven, zeven maal? En Jezus antwoordt dan: nee, zeventig maal zeven, met andere woorden: eindeloos.
Vergeving is het adagium. Daar is nog wel wat meer over te zeggen – maar dat is voor volgende week.

In ieder geval onderstreept het dat het erom gaat om mild en vergevingsgezind met de ander om te gaan, juist ook in de gemeente van Christus.
We zijn er niet om de ander vast te pinnen op zijn of haar gebreken of fouten.
We zijn immers ook mensen met onze gebreken en tekortkomingen.
Vergevingsgezindheid vraagt om mildheid en mededogen, om er alles aan te doen de ander voor je te winnen, om elkaar vast te houden. Om te verhinderen dat we die hele escalatieladder af moeten lopen, want dat wil je toch niet?

Maar, de andere kant is er ook en dat wordt vanmorgen in de tekst duidelijk: niet alles kan; niet alles dient de gemeenschap; niet alles is goed of bouwt op. Er zijn grenzen.
Vergeving is niet alles maar over je kant laten gaan.
Het is ook nodig om elkaar te blijven aanspreken. Niet uit de hoogte. Niet betweterig. Maar uit oprechte bezorgdheid. Iets aan elkaar gelegen laten liggen door elkaar aan te spreken.

Waarop?
Op de kwaliteit van hoe we gemeente, hoe we kerk zijn. Ik blijf terugkomen op dat verband van de tekst. Doen we de goede dingen en doen we de dingen goed?

Een laatste opmerking. Deze week riep minister Mirjam Sterk van Langdurige Zorg de kerken op zich meer in te spannen voor de zorgzame samenleving. Volgens de minister hebben de kerken zich teveel teruggetrokken op de zorg voor de ziel en zijn ze te weinig gericht op de zorgzame samenleving. Ze vindt dat de kerken meer naar buiten gericht moeten zijn. De minister spreekt ons aan!

Toen ik dat las, was ik eerst verontwaardigd. Hoe durft ze? Dat gaat toch niet over mijn kerk! Ik was geneigd om allemaal op te noemen wat wij allemaal aan goede werken doen, hoezeer we naar buiten gericht zijn.
Kijk, dat is de eerste reactie – ook in een conflict: de ander heeft ongelijk. Maar later dacht ik, misschien heeft ze wel een punt. Je denkt ook: als ik zo verontwaardigd ben, wat zegt dat dan? Dat er iets gevoeligs is geraakt, misschien?

De kerk is er niet om de gaten van de overheid op te vullen, maar ze is wel geroepen om in diezelfde samenleving en in de wereld van vandaag van betekenis te zijn. Om zich niet naar binnen te plooien en de boel draaiende te houden. Maar zich actief en met overtuiging in te zetten voor het goede in onze maatschappij.
Ook een kleiner wordende kerk kan op een beslissende manier bijdragen, als ze er niet is voor zichzelf maar voor de ander die God aan ons heeft toevertrouwd.

Voel je je aangesproken?

View Comments (1)
  1. Koos Wolda

    Ik voel me zeker aangesproken. Ik ben het helemaal eens met de zin ‘de kerk is er niet om zich naar binnen te plooien en de zaak draaiende te houden.’ Ook jouw woorden in de laatste ‘leeftocht’ ademen deze sfeer. De kerk is geen bejaardentehuis met leuke en gezellige activiteiten. Die mogen er zeker zijn. Maar het moet ook een broedplaats van ideeën en activiteiten zijn, om op te komen voor iedereen die verdrukt wordt, in Ter-Apel, in Gaza, in Winschoten, waar dan ook. Geloven is niet ‘we zien het wel’, maar ‘je bent mijn zuster/broeder, ik zie je en je kunt op me rekenen.’

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *