Verlatingsangst, Hemelvaart

Er zijn mensen die lijden aan verlatingsangst.
Misschien bent u daar zelf mee bekend of kent u mensen in uw omgeving. We kunnen ons er allemaal iets bij voorstellen. Want in zekere zin en in lichte mate kent iedereen het. Het onbehaaglijke gevoel als je te maken krijgt met een ingrijpende gebeurtenis, een scheiding, een overlijden, een ruzie die een eind maakt aan een jarenlange vriendschap. Dan is het normaal dat je daar emotioneel op reageert.
Maar verlatingsangst, zeker als die aanhoudt en structureel is, is nog wat anders en grijpt dieper. Dat zit al in het woordje angst. Angst kan mensen volledig in zijn greep houden.
Ik ben geen psycholoog, dus laten we voorzichtig zijn, zeker om allerlei labeltjes op mensen te gaan plakken, of om het hier over oorzaken of therapie te gaan hebben.

Het woord ‘verlatingsangst’ kwam bij me op, bij het verhaal van deze dag / Hemelvaart. Het verhaal dat we daar elk jaar weer over horen uit het begin van het boek Handelingen.
Op het gevaar af dat we het teveel psychologiseren of er van alles in gaan leggen, maar toch.
Verlatingsangst.
Ik hoor er iets van in de vraag van de leerlingen: ‘Heer, gaat U dan binnen afzienbare tijd het koningschap over Israël herstellen?’– er klinkt onzekerheid in door. Wat gaat er nu gebeuren? Ze zijn volgens het verhaal veertig dagen samen geweest met de uit de dood herrezen Christus. Het was vreemd vertrouwd, toch niet helemaal als voordien. Dat klonk in al die verschijningsverhalen door. Er staat met nadruk dat ze instructies van Jezus hebben gehad – wat hun opdracht was – en dat ze met Hem over het koninkrijk van God hebben gesproken. En toch, op een of andere manier is het allemaal nog niet geland of goed binnengekomen, lijkt het. Verwarrend? Onzeker?
Verlatingsangst.
Ik hoor er ook iets van, tussen de regels door, als de wolk is gekomen en ze Jezus niet meer zien. Hoe ze daar naar de hemel staren. Je ziet ze als het ware, met verstarde blikken, gefixeerd op een hemel waar niets meer te zien is dan wolken die voorbij gaan – begrijpen ze wat er is gebeurd? Ze zijn als gebiologeerd door de afwezigheid. Verlaten? Op zichzelf teruggeworpen? Ze leven nog in het verleden, ze kijken nog in de richting waarin Hij verdween.

En dan zijn er daar die twee mannen in witte gewaden.
Als je dat hoort en ziet, weet je: nu komen er engelen aan te pas. Mensen die God stuurt om het verhaal verder te brengen. Om waar het gestokt is, er weer vaart en beweging in te brengen.
“Wat staan jullie naar de hemel te kijken?”
Met andere woorden: je moet niet omhoog kijken, of beter: je moet niet alleen maar omhoog kijken. Kijk voor je. Er is een opdracht, weet je nog. Er is nu werk aan de winkel. Het komt nu op jullie aan. De ‘handelingen’ mogen nu wel beginnen.
Dat staat er dan misschien niet zo letterlijk, maar dat is wel het effect van die tussenkomst van die twee mannen met witte gewaden aka engelen. De boodschapjongens van God. De hemel zelf richt ons weer op de aarde.

Het is een bekend thema in de evangeliën. Dat het onbegrip, of de angst, of het kleingeloof van de leerlingen een duwtje nodig heeft.
Dat is natuurlijk een weerspiegeling van hoe het met ons zelf gesteld is. Precies zo.
Ook ik heb af en toe dat duwtje nodig, in de goede richting.
Die stimulans om in beweging te komen. Om me niet te fixeren op het verleden. Om niet te verzwelgen in het verdriet of rondjes te draaien in mijn verlatingsangst.

God zendt zijn engelen om ons in die goede richting te duwen.
Soms is er een ander mens voor nodig, om bij jou de boel weer los te trekken, als het ware.

Het feest van Hemelvaart oriënteert ons op de aarde.
Het gaat niet om allerlei gedachten of speculaties over de hemel. De hemel is in de bijbel de aanduiding voor de wereld van God – waar wij geen toegang toe hebben. God in de hoge hemel is daarentegen gericht op de aarde, op de schepping, op de mensen en het menselijk geluk.
Zoals Jezus in de hemel is opgenomen, verklaren de engelen, zo zal Hij ook terugkomen. Dat laatste wordt benadrukt.

Je hoeft geen verlatingsangst te hebben.
Je blijft verbonden.
‘Al heeft Hij ons verlaten, Hij laat ons nooit alleen’, zongen we. Daar staat het in een en dezelfde versregel. Een lied dicht bij de bijbeltekst.

Je hoeft niet bang te zijn.

Dat is mooi.
En het is goed om dat van tijd tot tijd tegen elkaar te zeggen, en je het zelf gezegd te laten worden.
Maar zo makkelijk genees je mensen niet van hun verlatingsangst. Dat besef ik maar al te goed.

Ik ben geen therapeut. En het geloof is heus niet een makkelijke oplossing voor onze psychische problemen en angsten. Dat te denken zou gevaarlijk naïef zijn.
En toch, in dit verhaal zit misschien iets dat ons allemaal op de goede weg kan helpen, geloof ik. Eigenlijk kwam het al ter sprake.

Wat het ook geweest mag zijn, wat die verlaten leerlingen hebben gevoeld – noem het verlatingsangst – het is zo belangrijk dat die andere mannen erbij komen, hen aanspreken, hen letterlijk de goede richting op wijzen.
Mensen hebben mensen nodig.
Juist op die cruciale momenten, van ingrijpende gebeurtenissen en ervaringen van verlies.
Juist dan, kun je het niet alleen en op eigen kracht.
Juist dan kun je je optrekken aan die ander, die contact maakt, die je aanspreek, die als het ware jouw gesloten wereld openbreekt.

Er is nog iets.
Dat zit niet zozeer in het verhaal. Dat heeft te maken met het lied dat we ook zongen, lied 910. Soms groet een licht van vreugde de christen als hij zingt.
Ik las daar onlangs een mooie beschouwing over (van de lutherse predikant Hans Mudde – verschenen in Het lied bij het Woord) en ik geef daar graag wat van door.

Het is van oorsprong een Engels lied, geschreven door William Cowper, uit de 18e eeuw. Deze William Cowper leidde een moeizaam leven. Als kind van 6 jaar verloor hij zijn moeder en dat beïnvloedde zijn leven diepgaand. Even tussendoor: traumatische gebeurtenissen in de vroege jeugd zijn een belangrijke oorzaak van verlatingsangst, lees ik. Cowper doet als jongvolwassene enkele zelfmoordpogingen. Hij wordt onder de hoede genomen van een domineesgezin, vindt een zekere stabiliteit, maar blijft geplaagd worden door zijn ‘overgevoelige gemoed’.

Van William Cowper is dit lied. Ook een ander lied van hem is in het Liedboek opgenomen, God gaat zijn ongekende gang – Lied 943. Als je iets weet van de achtergronden van de dichter, gaat het lied nog meer tot je spreken.

Ik citeer nu uit de overdenking van collega Hans Mudde:

Soms groet een licht van vreugde… Soms! Vreugde, een licht van vreugde, is er lang niet altijd en zeker niet bij voortduring. Zo wordt het door enthousiaste mensen, en vooral vaak door enthousiaste gelovigen nog wel eens voorgesteld: altijd schijnt de zon, de vreugde is eeuwig, als je eenmaal aan het blijde avontuur van het geloof in je leven bent begonnen. Geloof je eenmaal, dan wordt het voortaan rozengeur en maneschijn. Geen vuiltje meer aan de lucht.
Maar zo is het meestal niet. Sóms groet een licht van vreugde. Af en toe. (…) Het overkomt je bij tijd en wijle. Niet verwacht, maar bij wijze van verrassing. Sometimes a light surprises, zo begint de Engelse tekst van Cowper.
Moet je dan intussen maar passief afwachten met de armen werkloos over elkaar? Nee: … Soms groet een licht van vreugde de christen als hij zingt…
Daarmee brengt Cowper een ervaring onder woorden, die zolang er mensen bestaan en zolang er in de kerken gezongen wordt, door miljoenen net zo is en wordt beleefd: de kracht van het zingen en de kracht van muziek.
Je voelt je verdrietig en terneergeslagen, maar daar klinkt muziek, iemand zingt of jijzelf zingt en het is alsof er iets van binnen in je gebeurt. De taal die je zingt, de toon die je neuriet nemen je als het ware op sleeptouw en loodsen je binnen in een ander vaarwater, even weg van de golven en de baren waarop je dreef met je tranen je verdriet en kijk: de tranen zijn nu wel niet in een klap voorbij, maar het is alsof er door de tranen heen toch iets van licht verschijnt…”

Er staat in het bericht van Handelingen, dat de leerlingen na de interventie van de twee mannen in witte gewaden, terug gaan naar Jeruzalem.
Ze zoeken elkaar daar op. En dan staat er dat ze samen met de vrouwen, met Maria en anderen, ‘zich eensgezind wijdden aan het gebed’.

Dat is mooi. Samen bidden bemoedigt. Zeker.
Maar toch, stel ik me zo voor, dat ze er ook vast wel bij gezongen hebben.

Schrijf een reactie

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *