
De Kruisweg kan niet eindigen met de dood. Het mag voor ons gevoel niet doodlopen op het kruis. Vele moderne kunstenaars die zich aan de Kruisweg wagen, kiezen daarom voor een of meer extra staties, bij de traditionele veertien. Zo ook Ted Felen, die zijn Kruisweg een halve eeuw geleden (nog maar) schilderde. Uitgebroken, heet deze statie. Christus breekt uit het graf van voorbij, uit het graf van de dood. Uit het zwart, rijst het wit van zijn stralende verschijning op. In het donker, zien wij het licht. Dat is, in één zin: de Paasnacht, vandaag.
De extra statie doet niet alleen recht aan onze moderne gevoelens. Het is ook een terechte aanvulling op de traditionele Kruisweg. Een mens kan zich dood-staren op het kruis, op het verdriet, de ellende en het lijden. Maar leven en geloven is, niet bij het kruis blijven staan. Pasen is, we gaan opgewekt verder.
Ja, en toch. We doen soms alsof er een naadloze overgang is, tussen kruis en opstanding, goede vrijdag en Pasen. Eén grote beweging van de drie dagen van Pasen.
Maar onderweg is er wel degelijk iets gebeurd, gebroken, onder-broken.
Dat is Stille Zaterdag, en dat is ook vandaag. Het graf. De dood – en die moet je laten wegen, laten spreken om er werkelijk aan voorbij te kunnen komen, in de gelijktijdige wetenschap dat dat dus nooit helemaal lukt.
Het is niet zo, dat het verhaal zomaar verder gaat, na het kruis.
Het is niet zo dat het leven zomaar verder gaat na de dood. Dat weet iedereen die hoe dan ook met dood of welk verlies dan ook te maken heeft. Daarna is alles anders, is niets meer gewoon. ‘Je moet de draad weer oppakken’, zeggen de mensen dan. Maar dat lukt dus niet. Want de draad is gebroken.
Maar wat is het dan, dat Paasfeest dat wij vieren?
Ik denk dus dat het niet kan zonder die vervreemding, zonder die hapering. Pasen is uit de dood geboren dat is een diep geheim. Onvanzelfsprekend.
Je kunt niet over Pasen spreken en preken en zingen, zonder het kruis erbij te bedenken.
Maar je kunt ook niet bij het kruis staan, zonder de Paasmorgen daarachter te zien gloren.
Die beide dingen horen in ons geloof bij elkaar, maar ze passen niet. Je krijgt het nooit helemaal rond.
In het geloof praat je altijd tenminste met twee woorden. Stem en tegenstem. Als dat niet zo is, vervallen we in one-liners, in slogans en partijleuzen.
Dood en leven. Het een niet zonder het ander. En elk heeft zijn eigen gewicht. De een is niet tot de ander te herleiden. Het leven van Pasen heft de dood en onze sterfelijkheid en het kwaad in de wereld voorlopig niet op.
Je kunt niet over het leven spreken, zonder de dood daarbij te bedenken.
Tegelijk geldt ook: je hoeft niet bij de dood te blijven staan, zonder je weer aan het leven te durven toevertrouwen.
Maar er is iets veranderd. Er is iets beschadigd, er is iets gebroken. En ook al wordt dat geheeld, het litteken blijft zichtbaar, en voelbaar. En hoe vreemd dat misschien ook mag klinken, je zou niets anders willen…
Aan zijn littekens zal de Opgestane straks door zijn vrienden herkend worden. Daaraan, en aan niets anders. De herinnering aan zijn lijden. Het teken van zijn verbondenheid met ons lijden en al ons verdriet, op leven en dood.