Overdenking

Ten naasten bij, Lucas 10: 25 – 37

Bij ons in Assen wordt in één van de kerkgebouwen al jarenlang een maaltijdproject georganiseerd voor zeg maar de minder bedeelden. Dat project draagt de naam ‘De Samaritaan’. Het is niet zo moeilijk om te bedenken waarom ze voor die naam hebben gekozen. Je doet iets goeds voor andere mensen. Een warme maaltijd voor een paar centen. Het is typisch zo’n project dat bij de kerk past. Barmhartigheid in de praktijk, aardappelen met jus.

Vandaag gaat het over de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan.
Een verhaal dat we allemaal door en door kennen. Het is één van de bekendste gelijkenissen uit de Bijbel. Is daar nog iets nieuws over te zeggen?
We zien die gewonde man liggen. En de priester en vervolgens de leviet, die er straal aan voorbij lopen. We zien al van verre die Samaritaan aankomen, die zich wél over de gewonde man ontfermt. En zo zien we al van een kilometer afstand de moraal van dit verhaal aan komen zetten: we moeten een voorbeeld nemen aan die Samaritaan. Het past ons, kerkmensen, mensen in het algemeen, maar zeker ons christenen, het past ons om met ontferming bewogen te zijn, of zoals het nu is vertaald, om medelijden te hebben. Medelijden met de minder bedeelden. Medelijden met de gewonde en gekwetste medemens langs de kant van onze wegen…

Dat is allemaal waar. En tegelijk is daarmee niet alles gezegd. Misschien is er wel iets in deze gelijkenis, dat juist bij deze gangbare en voor de hand liggende uitleg, vraagtekens zet. Dat wil ik vandaag proberen te doen. Want als iets te veel voor de hand ligt, zeker als het gaat om Bijbelverhalen, dan loont het de moeite om nog eens goed en kritisch te kijken of we misschien niet iets over het hoofd zien.

Laten we het maar meteen noemen.
Het probleem is dat we te gemakkelijk de Samaritaan tot hoofdfiguur van deze gelijkenis maken. Zo kennen we het verhaal ook, de barmhartige Samaritaan. En het is ook zo dat zijn gedrag hier als een voorbeeld wordt gesteld. Waarom zou hij dan niet de hoofdpersoon zijn?

Het probleem is dat als je de Samaritaan als de hoofdpersoon ziet, ons ten voorbeeld, dat je dan misschien te veel nadruk legt op wat wij / wat ik moet doen, gewenst gedrag. Dat je gaat denken dat de oplossing altijd iets doen is, en dat jij dat in de hand hebt, dat jij daar verantwoordelijk voor bent. Er zit iets activistisch in, in de manier waarop wij het verhaal doorgaans lezen. Je moet iets doen, uit barmhartigheid, natuurlijk, maar het is toch doen. De oplossing ligt in onze handen. Die arme man niet voor dood laten liggen. Actie. Handen uit de mouwen. Een warme prak voor de uitkeringstrekkers.

Begrijp me goed. Dat is niet per se verkeerd. Zeker niet in de situatie die in de gelijkenis wordt geschetst. Het is niet dat we nu het gedrag van de priester of de leviet gaan goedkeuren of recht praten. Hun omtrekkende beweging. Nadrukkelijk de andere kant op kijken.
Natuurlijk is het terecht als Jezus aan het einde dit gedrag van de Samaritaan als voorbeeld stelt. ‘Doet u dan voortaan net zo’.
Maar dan moeten we nog eens goed opletten wat hij precies doet. En waar dat begint.

Het begint ermee dat dit een verhaal is dat Jezus vertelt als reactie op de vraag van een wetgeleerde: ‘Wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’ Als hij keurig de twee hoofdgeboden opnoemt: ‘Heb de Heer lief en de naaste als u zelf’ en Jezus hem aanraadt om daarnaar te handelen, vraagt hij: ‘maar wie is dan mijn naaste?’
Zou hij dat echt niet weten? Of wil hij Jezus uittesten? In de tekst staat dat hij ‘zijn gelijk wilde halen’ – maar wat zou dat dan precies zijn.
Hoe dan ook. Als reactie op die vraag – wie is mijn naaste – vertelt Jezus dit verhaal.
Bij Jezus is het antwoord vaak een verhaal. Dat is wat anders dan ja of nee, zwart of wit. Zijn verhalen, gelijkenissen, hebben vaak meerdere kanten, ook hier.

Het verhaal begint met de man die wordt overvallen en halfdood door zijn overvallers wordt achtergelaten.
Dan komt er een priester langs, dan een leviet. Tempeldienaars. Beiden zien de man liggen, beiden gaan er met een boog omheen. Waarom? Dat wordt niet verteld.
Dan komt de Samaritaan. Ook hij ziet de man liggen. Dat zien wordt alle drie keer met nadruk genoemd. Maar hij reageert totaal anders. Hij krijgt medelijden.
Waarom? Dat wordt ook niet verteld.
Het is een spontane reactie. Hij overweegt niet bij zichzelf, wat moet ik doen? 112 bellen? Wachten tot er iemand anders aankomt? Even van een afstandje zien hoe dit zich ontwikkelt? Of toch maar doorgaan, ik ben ten slotte op reis. Wie weet wat er allemaal achter weg komt?

Je zou je voor kunnen stellen dat hij zulke dingen denkt, net zoals je je van alles kunt voorstellen bij de beweegredenen van de tempeldienaars. Maar nogmaals, daar hoor je niks over. Gelijkenissen laten veel te raden over.

Wat we wel horen en zien is dat de Samaritaan, door medelijden bewogen, meteen in actie komt, spontaan handelt en doet wat nodig is in de situatie.

Zeker, hij is de handelende persoon. Hij is het goede voorbeeld. En toch.
Misschien kun je ook zeggen: hij is niet zozeer degene die doet, maar die het laat gebeuren.
Dat bedoel ik met het gevaar om het te activistisch, te doenerig, te lezen en uit te leggen.
Voordat hij in actie komt, welt in hem het medelijden op.
Voordat hij doet, wordt hij aangedaan.

Ook dat gebeurt spontaan. Hij kiest er niet voor. Hij had achteraf misschien ook liever gehad dat die gewonde medemens er niet lag, dat hij probleemloos zijn weg had kunnen vervolgen. Hij heeft ook afspraken staan, hij wordt ergens verwacht. Maar dat alles valt weg, dat alles is er niet, in het moment dat hij wordt geraakt. Dat deze Samaritaan, zijn menselijkheid toont, juist doordat hij zich laat raken, doordat hij zich uit zijn baan laat brengen.

Het beslissende in dit verhaal is misschien niet per se wat er allemaal wordt gedaan – hoe belangrijk dat natuurlijk ook blijft. Het belangrijkste is het menselijke vermogen dat deze Samaritaan toont, om zich te laten raken door de nood van een ander, een medemens, die hij niet kent, die wellicht niet van zijn eigen volk is – dat speelt natuurlijk ook nog mee. Hij doet dit niet, omdat het zo hoort. Hij doet het spontaan, omdat hij zijn menselijke spontaniteit niet heeft laten verstikken door allerlei regels en bezwaren en angsten.
Hij doet wat hij doet, niet omdat de regels dat voorschrijven, of om in een goed blaadje te komen bij God of bij de mensen. Hij doet wat hij doet omdat hij zijn menselijkheid laat spreken, omdat hij het laat gebeuren, hij doet wat er gedaan moet worden, omdat hij niet anders zou kunnen en zou willen. Hij heeft geen eens tijd gehad om er bij stil te staan.

Met dat alles is niet de Samaritaan de hoofdpersoon van dit verhaal. De belangrijkste figuur in deze hele gelijkenis is die naamloze man langs de kant van de weg.
Daar begint het verhaal toch ook mee? Er was eens iemand die van Jeruzalem naar Jericho reisde…

En als je goed oplet, dan eindigt het verhaal daar ook mee.
Want de vraag van de wetgeleerde, wie is mijn naaste, wordt door Jezus bewust omgedraaid: Wie van deze drie is de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?

Dat is een belangrijk verschil, hoort u het?
Wie is mijn naaste? Dat is een vraag die vertrekt vanuit mijn perspectief. En dan trek ik de lijntjes zelf, mijn naasten, de mensen van mijn groep of van mijn volk of van mijn kerk, of weet ik wat. En dat houdt natuurlijk ergens op, want je kunt niet de hele wereld op je nek nemen. Maar eigenlijk, zou dat natuurlijk wel moeten, want goed beschouwd is iedereen mijn naaste, en zo redeneren we nog een eind verder, en draaien ons zelf vast. Omdat we bij ons zelf beginnen. Omdat we de illusie koesteren dat wij / dat ik van alles moet doen, eigenlijk, toch.

Maar de vraag aan het einde is: wie is de naaste geworden van die gewonde mens?
Naaste is niet die ander, voor wie ik moet zorgen.
Naaste wordt iemand voor jou, die voor jou zorgt, die naast jou komt staan, die aandacht en zorg aan jou besteedt.
Ik ben niet alleen de Samaritaan in dit verhaal. Niet de held met de oplossing, die iets doet voor een ander. Ik ben ook die gewonde mens – de mens die een ander mens nodig heeft. Ik ben de mens die overgeleverd is aan de genade van anderen.

Wie je naaste is, de vraag waarmee het allemaal begon, wordt omgekeerd in de vraag voor wie jij een naaste kunt worden. En dat ontdek je niet per se door iets te doen, maar door iets te laten gebeuren. De mens die zomaar op je pad komt, onverwacht, onaangekondigd. Dat wat zich voordoet, terwijl je druk bezig was met hele andere dingen.
En dat kan pas gebeuren, als je een zekere openheid bewaart. Als je je ook kunt láten raken.
De priester en de leviet, nogmaals we weten hun beweegredenen niet, maar ze wekken de indruk teveel in beslag genomen te zijn door hun eigen besognes en bezwaren, mitsen en maren – ze draaien er om heen.
De Samaritaan is vrij genoeg om zich te laten binden. Hij is mens genoeg om zich van zijn stuk te laten brengen. En dan pas kun je voor anderen een naaste worden.

We moeten leren dit verhaal niet activistisch, maar in de eerste plaats passief te lezen.
Het ons te laten gebeuren. Wij zijn niet in control. Voordat we geven, moet je eerst kunnen ontvangen. Dat is, de bevrijdende les van het geloof.

Het voorbeeld van de Samaritaan. Toch wel. Niet alleen om wat hij doet, maar wat hij laat gebeuren, spontaan, zonder nadenken, zonder bijbedoeling, zonder vooropgezet plan. Hij laat zich raken – en in die geraaktheid, in het vermogen bewogen te worden door het leed van de ander, toont hij zijn menselijkheid, dient hij zonder te weten misschien wel, God en de naaste.
AMEN

Previous Post Next Post

No Comments

Leave a Reply