Als Jezus zijn Vader looft en dankt ‘omdat U deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt gehouden, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld’, dan moeten we er vandaag geen moeilijk verhaal van maken, lijkt me. Het leven is al ingewikkeld genoeg, en dat geldt ook voor ons geloof. Het een versterkt het ander. Omdat het leven en de wereld van vandaag de dag zoveel vragen en onbegrip op roept, valt het niet mee om te geloven. Tenminste, zo ervaren veel mensen dat en wellicht herkent u dat.
Zijn wij soms als die ‘wijzen en verstandigen’, voor wie het kennelijk verborgen blijft?
Moeten we terug naar die kinderlijke eenvoud? Is dat wat Jezus bedoelt?
Vroeger stond het er ook zo: aan de kinderkens geopenbaard. Nu is het vertaald als ‘eenvoudige mensen’. Maar wat is dan die eenvoud precies?
U merkt het, als je erover na gaat denken dan is het niet zo eenvoudig als het lijkt.
Dat geldt wel voor meer dingen in het leven.
Ik wil het niet onnodig ingewikkeld maken, maar het loont zich om er wat dieper in te duiken. Dat is wat ik vanmorgen met u wil doen. Het gaat over de eenvoud. De eenvoud van het leven en de eenvoud van het geloof. En het gaat over de vraag, of wij die eenvoud kunnen ervaren en hoe dan.
Om te beginnen is het goed om het volgende onderscheid te maken: het geloof is wel eenvoudig, maar het is niet simpel. Daar zit een verschil tussen, tenminste zo proef ik dat. De woorden eenvoudig en simpel lijken hetzelfde te betekenen. Toch kun je een verschil voelen. Simpel, dat is simplistisch, dat heeft iets beperkts. Het gaat niet om de vraag of je hebt doorgeleerd, dat is niet aan de orde. Simpel, dat zijn mensen die aan de oppervlakte blijven staan, die gemakkelijk roepen van dit of dat – die zichzelf voorbij praten. Simpel dat is voor mij iemand die geen zelfreflectie heeft. Die niet doorheeft hoe zijn gedrag of woorden op anderen overkomen. En ja, misschien klinkt dat ook veroordelend, en daarmee moet je oppassen. Maar die gedachte, die komt bij een simpele ziel nooit van zijn leven op.
Eenvoudig, dat is wat anders. Dat zijn mensen die een bepaalde levenswijsheid hebben of uitstralen. Nogmaals, dat heeft niets te maken met diploma’s of opleiding – je merkt het aan ze, hoe ze in het leven staan. Een soort minzaamheid. Voorzichtig in het spreken; zorgvuldig in het luisteren. Zoiets? Eenvoud heeft te maken met eerlijkheid. Mensen zonder lelijke bijgedachten. Een zeldzaamheid. Eenvoud heeft een bepaalde diepgang.
Misschien idealiseer ik het, of ben ik te romantisch als het over de eenvoud gaat.
Maar dat er een verschil is tussen simpel en eenvoudig, lijkt mij van belang. En dan gaat het dus om die eenvoud, die oprechte eenvoud. In het leven en ook in het geloof.
Eenvoud heeft iets van zuiverheid, echtheid. Daar waar het uiteindelijk op aan komt, als alle overbodige franje er van afgehaald is.
Het woord van Jezus maakt een tegenstelling tussen ‘wijzen en verstandigen’ aan de ene kant en de ‘eenvoudige mensen’ aan de andere kant. Zoals gezegd, er staat een woord dat letterlijk ‘kind’ betekent. Onmondig, in juridische zin (zo vertaalt de Naardense Bijbel).
Vanzelf denken we dan aan die andere scène uit het evangelie, waar Jezus de kinderen tot zich laat komen en ze zegent. Dat klinkt hier ook mee, maar er is meer.
Jezus doet deze uitspraak op een moment in het evangelie als blijkt dat zijn prediking – Hij heeft zijn leerlingen erop uitgestuurd om onderricht te geven (11: 1) – niet overal tot resultaat leidt. Jezus verwijt richt zich op de inwoners van plaatsjes als Chorazin, Betsaïda en Kafarnaüm (vers 21 en 23). De ‘wijzen en verstandigen’- er klinkt ook ironie in door – de geestelijke leiders, de mensen die het zouden moeten weten, de schriftgeleerden – zij zien het dus niet. Jezus dankt de Vader dat Hij het wel aan ‘eenvoudige mensen’ heeft onthuld.
Met die eenvoudigen zijn de mensen bedoeld, die door het hele evangelie heen Jezus voorkeur ondervinden. Hij is er in het zelfde Mat.-evangelie de Bergrede mee begonnen.
“Gelukkig wie nederig van hart zijn”(NBV) – Zalig de armen van geest.
Gelukkig de treurenden … de zachtmoedigen … wie zuiver van hart zijn …. de vredestichters.
Déze mensen haalt Jezus naar voren.
Juist degenen die in dagelijks leven vaak op de achtergrond blijven, in de schaduw staan – zo als het nog altijd is. De mensen die niet op de voorpagina van de krant staan. Die over het hoofd worden gezien, niet worden gehoord of geteld. De stillen in den lande…? De eenvoudige mensen van het volk.
Niet dat dit betere mensen zijn. Dat is het niet. Maar ze zijn anders.
Misschien is het onderscheid wel dat er bij veel mensen altijd iets tussen zit of bij komt, wat ze verhindert om in eenvoud te leven. Dan gaat het over macht en prestige, geldingsdrang. Je goede naam of faam – wat zullen de mensen er wel niet van zeggen?
In het geloof gaat het ook zo. Dat was al in Jezus’ tijd het geval. Die wijzen en verstandigen, dat waren de mensen van de regeltjes en de voorschriften. Van het instituut en de organisatie. Van de dogmatiek en de geloofsleer. Dat kan er allemaal tussenkomen, tussen het leven van een mens en zijn God, of tussen de mensen onderling. En dan wordt het leven onnodig ingewikkeld, omdat het je afleidt van het ware.
Begrijp me goed, dat is niet per se verkeerd dat die dingen er zijn – het leven zou onmogelijk zijn zonder organisatie. Maar als dat de boventoon gaat voeren, dan voert het ons weg van het eigenlijke, dan zijn we de menselijke maat kwijt.
Ik wil u iets vertellen over een boek dat bijna 100 jaar geleden werd geschreven. Het gaat om de roman Job van de schrijver Joseph Roth, die onlangs opnieuw is vertaald.
Joseph Roth was een joodse schrijver, geboren in het Habsburgse Rijk in een stadje dat nu bij Oekraïne hoort. Hij leefde als journalist in Wenen, Berlijn en na de machtsovername van Hitler in Parijs en andere Europese steden. Hij zag de verschrikkingen aankomen maar overleed voor het zover was, in 1939.
In 1930 brak hij door met de roman Job, over de lotgevallen van Mendel Singer. Een jood uit Oost-Europa, die de nodige ongelukken meemaakt. Het boek heet niet voor niets Job. De ondertitel is: het verhaal van een eenvoudig mens. Ik ga u het boek niet navertellen. Dat voert te ver. Hij maakt van alles mee, dreigt zijn geloof te verliezen net als de bijbelse Job, komt in opstand tegen God. Er is iets van een happy end, maar dat is niet het belangrijkste. Wat vooral blijft hangen is de manier waarop deze eenvoudige mens het leven leeft en in dat alles zijn menselijkheid bewaart.
Het boek eindigt met zijn sterven: “Mendel viel in slaap. Hij rustte uit van de zwaarte van het geluk en de grootsheid van de wonderen”.
Het is een verhaal. Maar het is geworteld in een lange (geloofs)geschiedenis. ‘Honderdduizenden voor hem hadden op dezelfde manier geleefd en lesgegeven’.
Er is een soort onverwoestbare traditie van mensen, mannen en vrouwen, die leven uit die eenvoud – een soort innerlijke kracht, die gevoed wordt door geloof en vertrouwen. Dat begint al in de bijbel en loopt door tot in onze tijd.
Geloof en vertrouwen. Niet op een goedkope manier. Niet op een sentimentele manier. Maar in alle menselijke eenvoud. Door mensen die niet zichzelf breed maken of gewichtig of naar voren drukken. Maar die leven in een ongecompliceerde eenvoud, die je niet voor oppervlakkig moet houden. Eenvoudig maar niet simplistisch.
Zij verstaan de kunst het leven te leven zoals het komt en daar het beste van maken en daarbij de menselijkheid niet uit het oog te verliezen. Want daar is geloof voor nodig.
Bij zulke mensen vallen de woorden van Jezus in goede aarde, blijkt steeds weer uit al die verhalen en ook hier. Alsof zij spontaan begrijpen waar het in het leven echt op aankomt.
Tegen die achtergrond krijgen die andere woorden die Jezus hier ook spreekt, en die bekend zijn geworden, hun diepgang: “Kom allen bij Mij, jullie de vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, Ik zal jullie rust geven. Neem mijn juk op je en leer van mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart (de woorden uit de Zaligsprekingen!).”
Jezus bevrijdt je van elke krampachtigheid en van iedere onzekerheid. Dat betekent die rust. De stille zekerheid van het gelovige vertrouwen.
En dat is niet iets simpels. Want het leven is niet simpel. Dat was het niet voor die mensen die Jezus hier als eerste toespreekt; het was een hard en onzeker bestaan, waaraan je hard moet werken. Rust betekent dan ook niet, achterover leunen. Rust sluit activiteit, werken, je inzetten voor een beter bestaan en een leefbare wereld niet uit, maar in. Het is een rust op een dieper niveau, voorbij of onder alle onrust die het leven nu eenmaal brengt.
Ons leven vandaag is zoveel anders, haast onvergelijkbaar, met het leven van de mensen tot wie Jezus zich in het evangelie richt. Tegelijkertijd worden ons de moeiten en de lasten en de vragen van het leven evenmin bespaard. Daar weet ieder van mee te praten en elk op zijn eigen wijze. Tegen de achtergrond van je eigen leven spreekt Jezus ons aan en bemoedigt Hij ons en klinkt zijn uitnodigende oproep: Kom tot Mij.
Niet dat dan al je problemen zijn opgelost, of dat het je dan allemaal mee zit, of dat je dan antwoorden krijgt op al je vragen. Zo simpel werkt het niet, nooit niet. En als iemand je op die manier het geloof zou willen verkopen, dan zou ik zeggen: trap er niet in.
Maar wat het wel is, dat is de eenvoudige verzekering, voorbij alle redeneringen en theorieën en religieuze instellingen: Ik zal je rust geven.
Het leven vanuit die zekerheid geeft ontspanning en vreugde, niet ondanks maar in alle onrust. Dat is de eenvoud van het geloven. Een soort onverwoestbare kern die niemand van je af kan pakken.
AMEN