Boeken

Rik Torfs, De Kerk is fantastisch

In een peiling naar vertrouwen in instituties, bungelde de kerk onderaan het lijstje. Minder dan een derde van de respondenten zegt vertrouwen in de kerk te hebben, beduidend minder dan het vertrouwen dat mensen stellen in de banken (sic!), het leger of de rechterlijke macht. Het onderzoek dateert van twee jaar geleden. Niets zo grillig als het consumentenvertrouwen, maar zeer waarschijnlijk hoort Rik Torfs dus tot een minderheid, als hij in zijn boekje, De kerk is fantastisch, de loftrompet over de kerk steekt.
Misschien opmerkelijk voor iemand die in het dagelijks leven werkzaam is als kerkjurist – naast een heleboel andere activiteiten die de nijvere Vlaming ontplooit. In zijn boekje blijkt dat die ervaring met wat tegenwoordig de ‘achterkant’ heet, zeg maar met de schaduwzijden van de kerk en de kerkpolitiek, juist bijdraagt aan zijn liefde voor de kerk. De kerk is niet goed, zegt hij uitdrukkelijk. Ze is altijd al een mix van goed en kwaad geweest. De drift om haar te willen verbeteren, richt vaak veel kwaad aan. Maar juist in haar al te menselijke imperfectie heeft ze iets fantastisch, volgens Torf. Vanuit acht invalshoeken schetst hij zijn enthousiasme voor de (rooms-katholieke) kerk. Als ze niet bestond, zou ze nodig uitgevonden moeten worden.

Zijn liefde voor de kerk begint met het gebouw. Hij schetst een paar persoonlijke herinneringen aan kerkgebouwen die in zijn leven belangrijk zijn geweest, om de ervaring te bemiddelen van een andere dimensie, de ‘schitterende nutteloosheid’, van een gebouw dat tegelijkertijd verschillende betekenissen bij bezoekers op kan roepen. Torfs pleit er hartstochtelijk voor dat kerken elke dag open zijn: “Organiseer er met vrijwilligers een permanentie. Stel hen vrij van vergaderingen die over binnenkerkelijk structuurhervormingen gaan en laat hen gewoon in het gebouw nietsdoen. Bezoekers kunnen er dan komen op gelijk welk moment, gewoon om er te zijn. Ook om te bidden, mochten ze dat willen. En als ze niet bidden, bidt de kerk op hun plaats. Daarom moet een kerk een kerk blijven. Niet enkel, en zelfs niet zozeer voor de gelovigen, maar voor de hele samenleving. In een kerk moeten niet-religieuze activiteiten mogelijk zijn, ten bate van iedereen”(p. 31).

Dat de kerk opengesteld wordt voor andere dan religieuze activiteiten, is met name in katholieke kring een gevoelig punt, maar juist die brede publieke functie ligt hem na aan het hart. Een apart hoofdstukje wijdt hij aan de kerk voor ongelovigen, “als ultieme pleisterplaats voor alle vormen van geloof en van ongeloof. Zonder iets te eisen, zonder iets te vragen, zonder stil verlangen naar een ontluikend geloof” (p. 53).

Torfs enthousiasme ziet zelfs in het slechte dat onmiskenbaar in de kerk en de kerkgeschiedenis is, kansen. Aan Michel de Certeau ontleent hij de gedachte dat het kwaad van de verrotting als humus kan dienen voor een nieuwe bloei. Een soort kerkelijke variant van de marxistische Verelendungstheorie? Hoe we ons dat concreet moeten voorstellen, blijft wat boven de markt zweven, maar in ieder geval helpt het Torfs.

Wat ook helpt is humor. Het genadige vermogen om jezelf niet al te serieus te nemen en de kerk te behoeden voor al te veel ernstige gewichtigheid. Torfs heeft een broertje dood aan teveel moraal en teveel stelligheid in de kerk. “Haar charme zit in wat minder belangrijk lijkt, zoals haar functie als oase, als pleisterplaats voor ongelovigen of als hoedster van een milde evangelische moraal. Als ze faalt, is haar verrotting zelfs humus voor het geloof. Haar rol wordt niet mooier, maar juist schraler, wanneer hij wordt beperkt tot het beschermen van de absolute waarheid” (p. 101).

Zijn vlot, persoonlijk en met de nodige humor geschreven boekje, vat hij zelf samen in twee aspecten. Die van de gastvrijheid, door open te zijn, ook voor ongelovigen en onderdak te bieden aan de kwetsbaren. Daarnaast het ‘gevoel voor transcendentie’ dat voor Torfs uitmondt in het geloof in de verrijzenis. Voor hem altijd al een aangelegen punt. Zonder opstanding is ons geloof waardeloos, zegt hij Paulus na. De dood is het laatste niet, “we mogen geloven en hopen dat de opstanding ons niet zal ontgoochelen. Dat geloof is eerst en vooral persoonlijk. Maar het komt ook tot uiting in een kerk die een gelijkaardige sprong aandurft. En waar verder in volle vrijheid alles mogelijk is, twijfel, zelfs vertwijfeling inbegrepen” (p. 152).

Een mooie liefdesverklaring aan de kerk, zoals eigenlijk alleen een rechtgeaarde katholiek die schrijven kan.

Rik Torfs, De kerk is fantastisch, KokBoekencentrum Utrecht 2020, 158 pag., € 16,99

Previous Post Next Post

No Comments

Leave a Reply