Preken, een vak, apart.

In het vakblad Bijbel en vertalen Met ander woorden van juni staat een informatief artikel van Matthijs de Jong over Preekinspiratie, het hulpmiddel dat het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap (NBG) heeft ontwikkeld. Het gaat om een site met een ruim aanbod van exegese gericht op de verkondiging.
Ik lees graag artikelen van De Jong, die meestal gaan over vertaalkwesties. Hij heeft een heldere stijl, argumenteert altijd heel zorgvuldig en daardoor zijn zijn artikelen goed leesbaar. De Jong werd onlangs benoemd als hoogleraar Oude Testament aan de Protestantse Theologische Universiteit. Daarmee kunnen we hem en de studenten feliciteren, maar ik vrees dat hij in die nieuwe functie vooral Engelstalige artikelen moet gaan schrijven in vakbladen die niemand buiten de eigen kring ooit leest en dat zou voor geïnteresseerde leken, waar ik mijzelf toe reken, een groot gemis zijn.

In zijn artikel Tussen tekst en kansel belicht De Jong de methode achter de nieuwe site Preekinspiratie, bedoeld om professionals in het werkveld te ondersteunen door goed exegetisch materiaal aan te bieden. Wat je vroeger aan commentaren in de kast had staan, is nu allemaal op Internet te vinden. “Dat materiaal moet makkelijk te vinden en betrouwbaar zijn. Het moet de historische en literaire context van de tekst belichten, kernwoorden uitleggen en theologische lijnen trekken. En cruciaal: het moet inspireren en de eigen creativiteit aanwakkeren zonder de voorganger het denkwerk uit handen te nemen.”
Uit onderzoek blijkt dat het grootste knelpunt in de preekvoorbereiding voor veel voorgangers ligt in “de stap van exegese naar toepassing, de vertaalslag van de verkondiging. Hoe doe je dat op een verantwoorde manier, waar vind je het juiste aangrijpingspunt?”

In dat creatieve proces is inspiratie natuurlijk van belang. Theologisch wordt dat uitbesteed aan de heilige Geest, maar iedere prediker weet dat je daar wel op vertrouwen mag maar dat dat je niet ontslaat van de plicht om er hard voor te werken. Preken is ook gewoon een handwerk.

De Jong baseert zich wat de preekvoorbereiding betreft op de vier fasen die Ciska Stark als volgt onderscheidt:
1. De oriëntatiefase met een exegetische verkenning van de tekst,
2. De hermeneutische fase, waarin tekst en context op elkaar worden betrokken,
3. De theologisch-reflexieve fase, waarin de theologische en spirituele dimensie van de preek wordt uitgewerkt, en
4. De retorisch-communicatieve fase, het schrijven van de preek.
De website Preekinspiratie richt zich op de eerste twee fasen. Dat lijkt logisch, want de deskundigheid van het NBG ligt bij de achtergronden van de (grond)tekst en het ontsluiten van degelijk exegetisch materiaal. Of dat ook geldt voor de tweede, hermeneutische fase, is al minder duidelijk. In ieder geval kom je hier in een grensgebied, tussen exegese en homiletiek.

Vanuit dat laatste is er overigens wel iets op te merken bij bovenstaande model van preekvoorbereiding. Een model is altijd een vereenvoudiging van de werkelijkheid. Iedere voorganger zal een eigen stijl van preekvoorbereiding hebben of ontwikkelen. Daarbij helpt het om de verschillende dimensies in dat proces te onderscheiden. Tegelijk zijn de vier fasen niet een stappenplan, dat successievelijk wordt afgewerkt. In de praktijk loopt het meer door elkaar, is mijn eigen ervaring. Juist voor de inspiratie kan een fasenmodel dat al te dwingend wordt gehanteerd, eerder hinderlijk dan helpend zijn. De weg van de tekst naar de preek (of van tekst naar kansel, zoals de titel van het artikel van De Jong) is niet een rechte lijn, dat is een oud misverstand. Een preek maken is een creatief proces en dat verloopt per definitie minder planmatig dan een fasenmodel doet veronderstellen.

In zijn artikel wekt De Jong ondertussen wel de indruk dat het in de preekvoorbereiding om het doorlopen van een stappenplan gaat. In de eerste fase is het van belang, schrijft hij, “dat je als exegeet openstaat voor de eigenheid van de tekst (…) Je openstellen voor de tekst is het tegenovergestelde van je afvragen hoe je uit de tekst een preek kunt halen”, wat hij een ‘utilitaire houding’ noemt. Wie de exegese overslaat en te snel naar de toepassing snelt, loopt het risico “dat je de tekst gebruikt als spiegel van je eigen ideeën. Die ideeën kunnen de moeite waard zijn, maar je laat dan het belangrijkste liggen: de kracht van de Schrift als getuigenis”. Belangrijk is in deze fase dat je ruimte schept “voor wat de tekst te zeggen heeft, zonder die in te perken of aan te passen aan je eigen theologie en denkbeelden (cursiveringen van mij).

Dat klinkt op het eerste gehoor plausibel en verstandig.
Toch kun je je afvragen of je het één zo scherp van het andere kunt onderscheiden. Alsof er een neutrale positie bestaat, waarin de tekst voor zichzelf spreekt of zijn eigenheid kan tonen. Wat is dat dan? Geen tekst spreekt voor zichzelf. Teksten worden door mensen tot spreken gebracht. Die menselijke factor, jijzelf dus als prediker in het preekvoorbereidingsproces, kun je niet uitschakelen of tussen haakjes plaatsen. Dat is zelfs heel onverstandig, want de preek moet het juist van die persoonlijke touch hebben, dunkt mij.
Uit de (bijbel)tekst moet inderdaad een preek ‘gehaald’ worden. Dat is de wekelijkse opdracht van de predikant, zijn of haar vak. In de preek blijkt wat de tekst ‘te zeggen’ heeft. Niet eens en vooral, niet neutraal of objectief, integendeel. Preken is uiterst subjectief en suggestief met de tekst aan de slag gaan (en dat ligt dichtbij aan de haal gaan). Zo precair is het iedere keer weer.

Bij zijn beschrijving van de hermeneutische fase vermenigvuldigen mijn bezwaren tegen de benadering van De Jong zich. Opnieuw wordt duidelijk dat hij de preekvoorbereiding opvat als het doorlopen van een stappenplan: “Na de oriënterende, exegetische fase volgt als tweede de hermeneutische fase (…) In de hermeneutische fase draait het om verbanden tussen toen en nu (…) Die verbanden dienen zich al aan tijdens de oriënterende fase (…) De kunst is om er niet meteen mee aan de slag te gaan, maar ze te registreren, en eerst de exegetische fase af te ronden” (cursiveringen van mij).
Kun je al vraagtekens zetten bij deze voorstelling van zaken, het wordt nog problematischer in het vervolg: “Het aangrijpingspunt waarmee je het gesprek tussen toen en nu tot stand brengt, dient immers niet te worden ontleend aan een bijkomstigheid of terloops detail, maar aan de essentie van de tekst. Het exegetische materiaal van Preekinspiratie benoemt de kern van de tekst, maar doet dat vanuit een exegetisch perspectief” (cursiveringen van mij).

Hier gaan mijn homiletische alarmbellen rinkelen.
Want wat is de ‘essentie’ van de tekst en wie bepaalt dat? Is er überhaupt zoiets als de ‘kern van de tekst’? En wat voor pretentie gaat er uit van de veronderstelling dat de exegese deze tevoorschijn kan laten komen?
Volgens De Jong is het aan de voorganger om “nu zelf, in de hermeneutische fase, de kern van de tekst theologisch te duiden, daarin door te dringen en van daaruit verbanden te aan zien met de eigen situatie. Daar ligt het raakpunt van het Bijbelse getuigenis met vandaag” (cursivering De Jong). De website Preekinspiratie wil suggesties en aanknopingspunten bieden, zonder al te veel te sturen, met het oog op gebruikers van verschillende (kerkelijke) stromingen.

Op de site is ontzettend veel nuttig en informatief materiaal te vinden. Maar het is toch een beetje zoals de stoffige commentaren van vroeger. De echte inspiratie voor de preek vind ik er niet. Dat zal ook aan mijzelf liggen en mijn inmiddels gegroeide eigen stijl van preekvoorbereiding.

Preken is wat anders dan een exegetische verhandeling houden over de tekst van de zondag, aangevuld met wat actuele toepassingen. Dat lijkt toch een beetje de verzwegen veronderstelling te zijn in het artikel van De Jong. Hij is een kundig bijbelwetenschapper, maar preken is een ander vak. Het oude adagium van tekst naar preek, of het even verouderde schema van explicatio en applicatio (uitleg en toepassing) zijn hardnekkig, maar werken voor mij niet. Preekvoorbereiding begint niet met de exegese van de tekst, maar met de ‘exegese’ van de context, de situatie waarin je te preken hebt. Je leest de tekst met het oog op de preek. Wat springt er in de tekst naar voren, waar blijft het haken, wat roept weerstand op, waar liggen aanknopingspunten met de actualiteit, in de wereld of in de gemeente of in je eigen geloofsexistentie? Dat zijn de sturende vragen die min of meer bewust aanwezig zijn en meespelen in de incubatietijd waarin de preek gaandeweg vorm en gestalte krijgt. Er is niet eerst een tekst, waarvan je de kern of essentie moet ontdekken, om die vervolgens naar de hoorders te brengen. Explicatio en applicatio zijn dimensies die van meet af aan het geheel van de preek doortrekken.

Het belangrijkste communicatiemiddel in de preek ben je zelf. De manier waarop jij deze keer geraakt of geprikkeld wordt in de ontmoeting met de tekst in de situatie, dient in de preekvoorbereiding op dit concrete moment en in deze concrete situatie het creatieve vertrekpunt te zijn. Met het oog op de preek ontwikkel je een homiletische exegese, wat voor mij betekent dat je de tekst uitlegt met het oog op de preek die je daarover moet gaan houden. Daarom kun je ook altijd weer over ‘dezelfde’ tekst preken, die dus nooit hetzelfde is.
Preken is een creatief proces, wat De Jong overigens beaamt, maar dat verdraagt zich volgens mij niet met een te schools stappenplan. Dan krijg je de brave preken, die ‘dichtbij de tekst’ blijven, maar daardoor vaak ook zonder spanning en bloedeloos zijn. In de preek gaat het niet zozeer om de uitleg van de tekst, maar om het openleggen daarvan. Als je daarin slaagt, en daar ben je letterlijk en figuurlijk zelf als prediker bij, dan kan de preek iets bewerken in het (geloofs)leven van de hoorders.

Nadat ik mijn preek naar aanleiding van Matteüs 13: 24 – 30 en 36 – 43, de evangelielezing volgens het Oecumenisch Leesrooster van 19 juli, over het onkruid dat tezamen opgroeit met het graan, geschreven had, heb ik de site Preekinspiratie bezocht.
Je vindt er achtergrondinformatie bij de tekst en aantekeningen per vers. Gegevens die je voorheen uit de commentaren bij elkaar sprokkelde, nu handzaam verzameld en met allerlei doorklikfuncties. Homiletisch interessant zijn de geformuleerde Invalshoeken voor de prediking. Precies daar gaat het immers om in de hermeneutische fase, zoals De Jong schetst, om aangrijpingspunten te vinden voor de preek. Bij dit evangelie worden vier invalshoeken aangeboden. Enigszins ingekort zijn dat:
‘a. De gelijkenis laat zien dat de rechtvaardigen helemaal niet zo verschillen van de onrechtvaardigen: het graan en het onkruid lijken enorm veel op elkaar. Pas bij de oogst zal God scheiding brengen. Dat zegt iets over het streven van sommige mensen naar een ‘zuivere gemeenschap’ in de kerk; kan dat wel?
b. In diverse kerkelijke stromingen worden ‘rechtvaardigen’ vandaag de dag getypeerd als mensen die geloven dat Christus hen rechtvaardig heeft verklaard. Maar Matteüs laat zien dat je rechtvaardig bent als je juist handelt. Op wat voor manier komen deze twee elementen in jouw geloof aan bod?
c. De akker is de wereld. Jezus maakt in deze gelijkenis dus geen onderscheid tussen de kerk en de wereld. Het onderscheid tussen graan en onkruid loopt niet per se langs die lijn. Wat heeft dat ons te zeggen? En wat is dan het nut van de kerk?
d. Het lot van de onrechtvaardigen is heftig: vernietiging. Ze worden in de vuuroven geworpen, waar ze al jammerend en knarsetandend te gronde gaan. Jezus zal het oordeel vellen, daarom hoeven wij dat niet te doen: wij hoeven niet nu al mensen (geestelijk) te beoordelen. Maar hoe gaan we met deze heftige beelden om? En wat staat er eigenlijk op het spel?’

De website wil met de aangeboden informatie en handreikingen niet teveel sturen, volgens De Jong. Ondertussen gebeurt dat toch. Dat is onvermijdelijk en op zich ook niet erg. Je kunt je wel afvragen of het nu déze invalshoeken moeten zijn die bij de ontmoeting met dit evangeliegedeelte eruit springen.
Bij het eerstgenoemde is de vraag of uit de gelijkenis blijkt dat onkruid en graan zo op elkaar lijken. Dat is opgemerkt bij de exegetische achtergronden, maar in de gelijkenis/tekst wordt dat niet zo benoemd. Het is ook geen argument dat de boer tegen zijn overijverige knechten gebruikt. De gelijkenis maakt een duidelijk verschil tussen het goede zaad en het onkruid.
Bij de tweede invalshoek kun je je afvragen of het verschil in visie op de rechtvaardigen (rechtvaardig door het geloof, of rechtvaardig door de werken) aan deze gelijkenis ontleend kan worden. Het doet wat gekunsteld aan om deze discussie in de gelijkenis in te lezen. Maar er zijn vast kerkelijke kringen waar dit een urgent thema is.
Bij de derde invalshoek heb ik vergelijkbare bedenkingen. Hoe dan ook, het is niet een aspect dat er voor mij uitspringt of waar ik mijn aangrijpingspunt voor de prediking zou zoeken. Waarbij het natuurlijk goed mogelijk is dat dit voor anderen wel geldt.
Het vierde punt, met betrekking tot het oordeel, lijkt me wel iets dat prominent in de gelijkenis en de uitleg daarvan door Jezus (Matteüs) aanwezig is en dus ook in de preek aan de orde kan komen.

Maar wat het meest opvalt, is wat juist niet bij de invalshoeken voor de prediking wordt genoemd.
Het opmerkelijke van deze gelijkenis is de reactie van de boer. Zijn knechten die het onkruid zien opschieten tussen het goede zaad (die dus wel heel goed het onderscheid kunnen maken!), vragen hun heer of ze het onkruid niet zullen weghalen. Maar hij wil dat niet. ‘Dan zouden jullie met het onkruid ook het graan lostrekken’.
Dat is tegen alle boerenlogica in. Want welke boer wiedt er nu geen onkruid? Het zij met de schoffel, hetzij met de spuit…

Overigens, in de tekst is er geen sprake van een boer. Er is ‘een mens’ (antropos) die goed zaad op zijn akker zaait (vers 24). (In een eerdere gelijkenis, Mat. 13: 3, is het een ‘zaaier (speiron) die uitging om te zaaien’). Hij is de ‘heer des huizes’ (oikodespotes) waar de knechten naar toe gaan, als ze het onkruid ontdekken. Voordat de knechten voorstellen om het onkruid te wieden, vragen ze eerst: ‘Hebt u soms geen goed zaad gezaaid?’, waarop de reactie is: ‘dat is het werk van een vijand (echtros antropos). Ik weet niet welke betekenis of waarde je aan deze verschillen moet hechten, maar dit zijn nu juist vragen die in de exegetische aantekeningen per vers niet beantwoord worden (net zoals in de commentaren waarin je op de spannendste vragen meestal geen antwoord vindt).

Niemand leest zo’n gelijkenis onbevangen. Zeker niet een predikant die er al vaker over gepreekt heeft. Maar is het vreemd om te veronderstellen dat juist het vreemde in de gelijkenis, de onverwachte en onlogische reactie van de boer/heer op de vraag om het onkruid uit te trekken, het eerst in aanmerking komt als aanknopingspunt voor een preek bij een zo ontvankelijk mogelijke eerste lezing? Een preek hoeft niet uit te leggen wat al bekend is, maar juist wat verrassend, nieuw, onverwacht en te denken geeft. Wat betekent die reactie en wat wil dat ons zeggen?
Waarbij nog eens komt dat deze gelijkenis, evenals de gelijkenis van de zaaier uit het begin van dit hoofdstuk, door Jezus zelf wordt uitgelegd. Dat gebeurt alleen bij deze twee. Hoe opvallend is het dan, dat juist dit aspect, de reactie van de heer des huizes in de uitleg van Jezus níet nader wordt verklaard? Al het andere dat Hij daar noemt, hadden wij in alle bescheidenheid ook zelf wel kunnen bedenken. Waarom laat Hij/Matteüs juist het meest opmerkelijke aspect onbesproken?

Dat zijn intrigerende vragen, waar ik ook niet meteen het antwoord op heb. Maar dat soort vragen, bij de tekst, stimuleren mij wel bij mijn preekvoorbereiding. Ik vind het daarom vreemd dat juist dit element uit de evangelietekst in de verklarende teksten op Preekinspiratie onbenoemd blijft.

Het gaat mij er niet om de site Preekinspiratie te diskwalificeren, integendeel. Het is een informatieve site en men gaat ongetwijfeld zorgvuldig te werk. Dat moge ook blijken uit het artikel van Mattijs de Jong. Wellicht kan deze site veel collega’s verder helpen bij hun preekvoorbereiding.
Maar voor mijzelf werkt het niet. Dat klinkt eigenwijs en dat is het wellicht ook. Maar juist eigenwijsheid is misschien wel een onmisbaar element in de preekvoorbereiding. Het draagt er aan bij dat de preek een ‘eigen’ creatief product wordt en niet het resultaat van een – gechargeerd gezegd – invuloefening.

In zijn artikel pleit De Jong voor zorgvuldige exegese in de eerste fase, onder andere om te voorkomen ‘dat je de tekst gebruikt als spiegel van je eigen ideeën’. Bedoeld is waarschijnlijk dat je de tekst gebruikt om je eigen ideeën, die je toch al had, te bevestigen. Dat is altijd een reëel gevaar. Maar dat de tekst en wat jij daarover en naar aanleiding daarvan in de preek te zeggen hebt, altijd ook een beeld geeft van je eigen overtuigingen en je geloof of de zoektocht daarnaar, is niet slechts onvermijdelijk maar zelfs geboden. Je komt zelf mee in de preek en als je denkt dat dat niet zo is, omdat je ‘dichtbij de tekst’ blijft, of omdat je ‘Bijbelgetrouw’ uitlegt, of de ‘essentie van de tekst’ volgt, dan geldt dat misschien nog wel des te sterker.

Bijbel vertalen en exegese zijn onmisbare vaardigheden voor een prediker. Maar preken is toch nog iets anders en meer dan dat.
Het is een vak.
Apart.

View Comments (2)
  1. Helder, goed en tot nadenken stemmend artikel, Bert. Ik volg je lijn instemmend, mede gevoed door jarenlange ervaring met preken. Niettemin had ik wel gewild dat de site Preekinspiratie al in ‘mijn’ tijd er geweest was, want preken maken vond ik best een worsteling. Dat zal ‘goed’ zijn, als ik je gped begrijp, maar soms wat extra inspiratie was welkom geweest. Uiteraard beschikte ik over het nodige materiaal, bijv. Postille, e.d. Zou je daar niet dezelfde ‘kritiek’ op kunnen hebben? Is het, zo vraag ik me af jouw artikel lezend, überhaupt wel mogelijk om preekmateriaal (exegese, hermeneuse, theologie, retorica) aan te leveren?
    Ben ook wel benieuwd of Matthijs op je artikel reageert, want net als jij, waardeer ik hem zeer.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *