passief of actief, Mat. 7: 21

“Niet iedereen die ‘Heer, Heer’ tegen mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader” (7:21).

Vandaag gaat het over de wil van God. Of zoals Jezus het zegt in zijn Bergrede: het gaat over wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader Dat is net even iets anders, en over dat verschil gaat het vooral vanmorgen.

Om dat wat scherper in het vizier te krijgen, is het nodig een onderscheid te maken als je het hebt over ‘de wil van God’. Want dat kun je op twee manieren uitleggen. Passief en actief.

Passief. Dat is: Als God het wil. DV. Gods wil gaat ver boven de wil en de wensen van mensen uit. Als het erop aankomt, stelt een mens niet zoveel voor. De mens wikt, God beschikt. Die sfeer.
Dat is eeuwenlang de belangrijkste uitleg geweest van Gods wil. Maar steeds meer zijn we daarmee in de problemen geraakt. Omdat op die manier alles wat er gebeurt verbonden werd met de wil van God. Alles wat er gebeurt, gebeurt omdat het zo door God is bepaald.
Dat geloof, dat komt steeds meer onder druk te staan, als het ons al niet uit de handen is gevallen.
Want … dan komen de eeuwige vragen. Als alles wat gebeurt naar Gods wil is, hoe valt dat dan te rijmen met de God van liefde en genade. In de natuurrampen, in de verkeersongelukken, in de oorlogen, in de uitzaaiingen, in de concentratiekampen. Gods wil?

Als Jezus het heeft over ‘de wil van mijn hemelse Vader’, dan heeft Hij het bijna altijd over het handelen naar de wil van mijn hemelse Vader. Dan gaat het dus over onze kant van het verhaal. Dan gaat het over onze, menselijke, verantwoordelijkheid. Die komt niet in mindering op Gods kant, maar die is er de uitdrukking van. Gods wil is op zichzelf niets, als er geen mensen zijn om naar die wil van God te handelen. Dat is de strekking van Jezus’ woorden, hier en door het hele evangelie heen.

Je kunt de wil van God passief uitleggen – dat is de gebruikelijke manier. Gods wil is wat ons overkomt, of we het nu leuk vinden of niet.
Maar het is meer bijbels en zeker meer in de sfeer van Jezus’ leer, om de wil van God actief op te vatten. Gods wil is als mensen gaan doen, gaan leven naar de aanwijzingen die God ons geeft, naar de leer die Jezus ons gegeven heeft, in de Bergrede.

Niet iedereen die “Heer, Heer” tegen mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader.

We zijn hier aan het slot van de zogenaamde Bergrede. Jezus onderwijst zijn leerlingen. In het Matteüsevangelie is dat allemaal samengebracht in één lange uitleg.

En dan valt alle nadruk ligt op het doen, op het handelen naar wat Jezus leert.
Die nadruk op het doen, is helemaal in lijn met de joodse spiritualiteit. Jezus staat in die traditie, uiteraard, en bij Matteüs wordt dat benadrukt. Geloven is doen, is het volgen van Gods geboden – niet wettisch, niet gedachteloos – maar als een handreiking voor het goede leven, het bevrijde leven. Dat is naar de wil van God.

Het komt daarom op je daden aan. ‘Wat zijn de goede vruchten?’ Aan onze daden wordt Gods wil zichtbaar en ervaarbaar.

In de Bergrede is Jezus in gesprek met zijn traditie, met Wet en Profeten zoals dat dan heet. Aan het begin heeft Hij verzekerd dat Hij niet gekomen is om Wet en Profeten af te schaffen (5: 17), maar om ze tot vervulling te brengen. Hij trekt de lijn door tot op de kern.

En nu, aan het einde van de Bergrede herhaalt Hij dat met zoveel woorden. Dan horen we: Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de Wet en de Profeten (7: 12).

Die aanwijzing wordt ook wel de gulden regel genoemd. En weet u, die komt in zowat elke religie voor, in het Jodendom, de Islam, het boeddhisme, bij Confucius noem maar op. Het is het Afrikaanse principe van Ubuntu – wij leren en ervaren menselijkheid aan elkaar.

Al die spirituele tradities leren hetzelfde, dat het hart van de zaak is, de ander zo behandelen als je zelf behandeld zou willen worden. Dus niet: de ander behandelen zoals hij jou behandelt. Dat is lik op stuk. Nee, ga met de ander om zoals je zou willen dat er met jou wordt omgegaan.

Karen Armstrong baseert op deze universele regel haar pleidooi voor compassie, mededogen. Het vermogen om op de plaats van de ander te gaan staan, je in te leven in zijn of haar positie.

Ze schrijft in haar gelijknamige boek daarover:
Sceptici beweren dat de gulden regel gewoon ‘niet werkt’, maar ze hebben kennelijk niet geprobeerd deze vol overtuiging en consequent toe te passen. Het is geen hypothetische leer waarmee je wel of niet kunt instemmen of waarin je wel of niet kunt geloven. Het is een methode – en de enige adequate test voor een methode is die in de praktijk toe te passen. (125-126).

En ze geeft dan zelf het volgende voorbeeld:
Elke keer dat we in verleiding komen iets onaardigs te zeggen over een irritante broer of zus, een collega, een ex-partner of een land of geloof waarmee we moeizame relaties onderhouden, moeten we ons eerst afvragen: wat zou ik ervan vinden als dit over mij of over mijn land of over mijn geloof werd gezegd?

Als je die houding als het ware in je systeem verwerkt, dan ben je bezig, methodisch, om er inhoud aan te geven.

Niet iedereen die “Heer, Heer” tegen mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader.

De actieve opvatting van de wil van God overheerst. De uitdrukking ‘wil van God’ slaat op wat ons te doen staat, niet op wat ons overkomt.

Let er maar eens op, dat Jezus in het evangelie, als Hij de zieke mensen ontmoet, en al die andere mensen met gebreken en met zorgen, dat Hij dan nooit zegt: dat is de wil van God, alsof ze hun toestand maar moeten aanvaarden.

Jezus berust niet, hij doet er wat aan. Hij maakt contact, hij spreekt ze aan, hij beurt ze op, hij werkt genezend. Zijn hele missie is toch, om de wil van zijn hemelse Vader te vervullen, en dat betekent dus niet lijdzaam toezien, maar actief optreden.

Ik wil dat tenslotte proberen te verhelderen, aan het evangelie van Matteüs zelf.
Midden in de Bergrede staat het Onze Vader, het gebed dat Jezus ons leert.
Wat nu opvalt is dat dit gebed ook in het evangelie van Lucas wordt overgeleverd, met één verschil. Dat is de bede die Matteüs toevoegt, en dat is nu net: uw wil geschiede.

Uw wil geschiede…

Hoe vaak hebben we dat niet gebeden en misschien nog wel, op die passieve manier. Als het ware met de handen in de schoot. Lijdzaam. Uw wil geschiede, met andere woorden: leer ons vroom en geduldig te aanvaarden wat ons overkomt.

Maar er is bedoeld: laat uw wil gedaan worden, op aarde zoals in de hemel. Niet passief, van God uit gedacht, maar actief, van ons uit begrepen.

Laat uw wil gedaan worden, dat is de taal van het verlangen.
Zoals het Onze Vader het gebed van ons verlangen is, dat waar we naar streven, datgene waar we ons voor willen inzetten. Bidden doe je immers voor de dingen die je zelf veranderen kunt.

Geloven, Jezus volgen, is de weg die Hij in de Bergrede wijst met vallen en opstaan bewandelen. Toepassen wat Jezus leert, het lijkt bedrieglijk eenvoudig, maar je hebt er je handen meer dan vol aan: de anderen zo behandelen als je zelf behandeld wilt worden.

We zijn hier bijna aan het slot van de Bergrede. Daar lezen we:

Toen Jezus deze rede had uitgesproken, waren de mensen diep onder de indruk van zijn onderricht, want hij sprak hen toe als iemand met gezag, en niet zoals hun schriftgeleerden.

Hij daalde de berg af en grote mensenmassa’s volgden hem. (7: 28 – 8: 1).

Gaan wij mee?

AMEN

Schrijf een reactie

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *