Overdenking

Opdat zij één zijn (Joh. 17, 22 en Ex. 19: 1 – 6)

Jezus bidt tot zijn Vader, om de éénheid van zijn volgelingen, om de eenheid van de kerk.
Opdat zij één zijn, zoals wij. U weet dat deze spreuk ‘Opdat zij allen één zijn’ het motto is van de oecumenische beweging. Daarmee bedoelen we het streven van de verschillende christelijke kerken wereldwijd, tot samenwerking en eenwording. Het is niet goed, als kerken elkaar verketteren, uitsluiten, of erger. Jezus zelf bidt om eenheid.

Op deze Wezenzondag, tussen Hemelvaart en Pinksteren, moet het wel over de kerk gaan. Vandaag gaat het over de eenheid van de kerk, over de oecumene. Inspiratie daarvoor zoeken we in de oudtestamentische lezing van deze zondag uit Exodus, waar het volk Israël is verzameld bij de berg Sinaï en Mozes op het punt staat daar de geboden in ontvangst te nemen.
We horen dan:
De Heer riep hem vanaf de berg toe; ‘Zeg tegen het volk van Jakob, laat de kinderen van Israël weten: “Jullie hebben gezien hoe ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe ik je op adelaarsvleugelen gedragen heb en je hier bij mij hebt gebracht. Als je mijn woorden ter harte neemt en je aan het verbond met mij houdt, zul je een kostbaar bezit voor mij zijn, kostbaarder dan alle andere volken – want de hele aarde behoort mij toe. Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk.”’

Over deze passage, en met name over de uitdrukkingen ‘een koninkrijk van priesters’ en ‘een heilig volk’  vond ik enkele gedachten bij rabbijn Jonathan Sacks, die ik graag met u deel.

Het volk Israël wordt genoemd: een koninkrijk van priesters en een heilig volk. Wat betekent dat? Zoals altijd in het Jodendom zijn er verschillende verklaringen mogelijk.
Een priester is iemand die gewijd is aan de dienst aan God. In het oude Israël had je een speciale groep priesters. Maar hier wordt het op het hele volk toegepast. Dat betekent dat wat de priester doet in de offerdienst aan God, de taak wordt van het gehele volk: het volk moet God dienen. Daarom worden ze opgeroepen zich alle woorden (lees: geboden) ter harte te nemen en zich aan het verbond te houden.

Een andere uitleg is dat het Israëls taak is om “de mensheid te leren dat allen de naam van God moeten aanroepen en hem in eensgezindheid moeten dienen”. Het volk heeft een universele roeping, een soort voorbeeld voor alle andere volken.
Koninkrijk van priesters, betekent, dat Israël zich tot de volkerenwereld verhoudt, op dezelfde manier als de priesters uit het huis van Aäron zich tot de rest van het volk verhouden  
(Jonathan Sacks. Exodus, p. 134).

Heilig, dat andere woord waarmee het volk wordt getypeerd, betekent in oudtestamentische zin, dat wat boven zichzelf uitwijst (Sacks, p. 148). Het volk wordt een ‘heilig’ volk genoemd, omdat het haar roeping is, om boven zichzelf uit te wijzen naar de Eeuwige, de God van bevrijding. Het citaat uit Exodus begint met daaraan te herinneren. De God van bevrijding en van het verbond, dat Hij aangaat met het volk van zijn eerste liefde. Ja, maar waarbij tegelijk wordt gezegd – ‘want de hele aarde behoort mij toe’. Met andere woorden, in het meest particuliere – Gods verbond met Israël – klinkt het universele meteen door. Want de Heer is niet éénkennig. Zijn bevrijding is wereldwijd.

Samengevat, met een koninkrijk van priesters en een heilig volk, wordt zoiets bedoeld als dat het volk de roeping krijgt om met haar bestaan boven zichzelf uit te wijzen en de wereld te herinneren aan de Levende God. Dat ligt allemaal in het verbond besloten. Het krijgt gestalte in het luisteren naar de woorden (de geboden).

Kun je dit nu zomaar overdragen van Israël op de kerk?
Is dat wat tegen het volk gezegd wordt bij de voet van de Sinaï, zomaar over te nemen door de christelijke kerk?

Nee en ja.
Nee. Want wat hier wordt gezegd, zegt de Eeuwige tegen zijn volk, met wie Hij een eigen verbond sluit. De kerk is Israël niet. Ook niet het nieuwe Israël, alsof het oude verbond zou zijn opgeheven en nieuw is voortgezet in de kerk toen het Jodendom Jezus niet als Messias erkende. Dat is een hardnekkige opvatting die in de geschiedenis voor veel onheil heeft gezorgd, daarvan zijn we hopelijk wel genezen.
Nee, dus, we kunnen die woorden van bij de Sinaï ons niet zomaar toe-eigenen.
Maar toch ook: ja.
Hoe dat dan? Omdat de kerk de God van Israël belijdt, als de Vader van Jezus Christus. Wij zijn als een wilde olijf geënt op dezelfde stam, om het beeld van de apostel Paulus te gebruiken (Rom. 11: 17).

De eerste scheuring in de geschiedenis van de kerk, is waar de christelijke gemeente breekt met het Jodendom.  Dat is een ingewikkelde geschiedenis met allerlei aspecten, daar gaat het nu niet over. Belangrijk is te beseffen dat, als het over oecumene gaat – opdat zij allen één zijn – zich dat ook uitstrekt tot de eenheid of in ieder geval verbondenheid tussen joden en christenen, tussen kerk en synagoge.

Als het volk ‘een koninkrijk van priesters en een heilig volk’ wordt genoemd, mogen wij ons dat ook aantrekken. Mogen wij ons daar als christelijke kerk ook door laten inspireren. Het blijft wel tot Israël als eerste gezegd. Maar in en door Jezus, zijn wij daarmee onlosmakelijk verbonden geraakt, en is de opdracht en de belofte die in deze oude woorden schuilen, ook ons deel geworden.

Een koninkrijk van priesters zullen jullie zijn. Geroepen, om de Naam van de Eeuwige, hoog te houden in deze wereld, te eren, te aanbidden, waar te maken.
Een koninkrijk van priesters en een heilig volk. Heilig, omdat ook de kerk boven zichzelf uitwijst, naar de Levende God, de God van bevrijding.
Bij ons heeft dat woord ‘heilig’ niet altijd een gunstige klank. Als wij in de kerk spreken over de gemeenschap der heiligen, dan roept dat vaak argwaan op. Heilig wordt al gauw schijnheilig. Zeker als je denkt aan de kerkelijke verdeeldheid, waarmee we begonnen. Iedereen die een tijdje mee heeft gedaan in het kerkelijk bedrijf, weet: binnen de kerk gaat het lang niet altijd zo heilig aan toe. Het is en blijft mensenwerk.

Maar toch blijft gelden: De kerk is er niet om zichzelf. Ze wijst boven zichzelf uit. De kerk is niet in de eerste plaats bezorgd om haar eigen bestaan of voortbestaan. De kerk is geen doel, maar een middel. Een middel dat God zelf zich verkiest in deze wereld, om de lofzang gaande te houden, om het evangelie te laten klinken, de boodschap van bevrijding, van genade, van het Koninkrijk.

Jezus bidt daarom: “Vader, laat hen allen één zijn. Zoals u in mij bent en ik in u, laat het zo ook in ons zijn, opdat de wereld gelooft dat u mij hebt gezonden. Ik heb hen laten delen in de grootheid die u mij gegeven hebt, opdat zij één zijn zoals wij: ik in hen en u in mij.”

Het is een machtige taal, misschien voor ons wel té machtig, maar het gaat hier ook om grootse dingen.
Denk nooit te klein van je zelf en van je roeping. Ook al is het in alle eenvoud, en zo is dat toch voor de meesten van ons, ook al lijkt het klein wat je kunt doen, alles draagt bij aan die grootheid, als wij blijven in de liefde en werken aan de eenheid. Een koninkrijk van priesters en een heilig volk, waarbij ieders aandeel er toe doet, in de gemeenschap van het volk Gods, zoals de kerk ook wel wordt genoemd.

We begonnen met het motto van de oecumene. Het verlangen naar eenheid. In het woord zit het universele perspectief opgesloten, want ‘oecumene’ betekent zoiets als de hele bewoonde wereld. De wereld als ons gezamenlijk huis. In die wereld, worden wij geroepen één te zijn.

Eenheid is in Bijbelse zin niet één pot nat. Juist niet. Tegenover de uniformiteit van Babel zet God de heilzame verstrooiing. Het ene volk telt twaalf stammen, als evenzovele gekleurde edelstenen op het borstbeeld van de hogepriester. Jezus koos twaalf leerlingen en allemaal waren ze verschillend, en dan hebben we het nog niet over de vrouwen in zijn gevolg. De eenheid is altijd een eenheid in verscheidenheid. God heeft meer kleuren op zijn regenboog en altijd verschillende smaken in de aanbieding. Al vanaf het eerste begin van de kerk is dat zo geweest en zo is het tot de dag van vandaag.
Eenheid is daarom veel meer: eensgezindheid, als broeders en zusters. Kostbaar taalgebruik.
Evenzo gaat het in de oecumene niet om het streven allemaal in één kerk te zitten of volgens één traditie kerk te zijn. Maar het gaat er wel om dat we beseffen één God te aanbidden, die Vader is van alle mensen en Heer van heel de wereld. Want de hele aarde behoort mij toe.

De hele aarde? Dat is mij te wijd. Dat begrijp ik. Geldt voor mij ook.
Maar de wijde wereld begint op onze stoep. Met iedere stap die ik zelf zet, zet ik een stap de wereld in, een stap naar mensen toe. De vraag is: doe ik dat in een geest van eenheid en welwillendheid, bereid om die ander te ontmoeten? Of?

AMEN

Previous Post Next Post

No Comments

Leave a Reply