Overdenking

Onze Vader (III), bidden is meer dan het gebed

Als Jezus in het evangelie van Matteüs ons het Onze Vader leert, dan leidt hij dat in met de opmerking dat we ‘geen overvloed van woorden’ moeten gebruiken. Hou het kort.
En dan volgen de woorden van het Onze Vader, zoals wij dat nog steeds bidden.

Vandaag staan we voor de derde achtereenvolgende keer stil bij dit model-gebed.
Je kunt het in alle beknoptheid gemakkelijk in drie delen uiteenleggen:
– eerst de zaken die God betreffen, laat uw naam geheiligd worden, uw koninkrijk komen, uw wil gedaan worden;
– dan de zorgen van ons mensen, geef ons het brood dat wij nodig hebben, vergeving en hou ons verre van het kwaad;
– en dan als afsluiting de drievoudige lofprijzing, aan U behoort het koningschap, de macht en de majesteit.

Vandaag gaat het over dat derde deel, met een deftig woord: de doxologie. De lofprijzing.
Het Onze Vader is, dankgebed, voorbeden, lofprijzing.
Het eindigt crescendo. In en door de lofprijzing wordt ons gebed als het ware opgetild, hemelwaarts. We loven en eren en prijzen God. Nog belangrijker dan alles wat wij vragen, is de lof van God. Die gaat boven alles uit. Soli Deo Gloria. Alleen aan God de eer. Ja, maar ook, God eren is het een en al.

Nou, als je zo hoog inzet, is het niet verkeerd – met het oog op de juiste toonhoogte – om daar een paar kanttekeningen bij te plaatsen. Om te voorkomen dat we teveel met ons hoofd in de wolken gaan lopen. Om te verhinderen dat het gebed ons boven de pet gaat.

De lofprijzing mag dan belangrijk zijn, hier in de tekst van het Onze Vader is het er later bij gekomen. We wezen er al eerder op. In uw bijbeltje staat het slotdeel tussen vierkante haken. En vroeger leerde je op catechisatie al, dat dat betekent dat deze woorden in de oudste handschriften ontbreken. Wij bidden het onbekommerd in onze liturgie, maar de katholieken laten het achterwege. Opmerkelijk dat zij op dit punt blijkbaar bijbelvaster zijn dan de protestanten, maar dat terzijde.

Het is ook niet zo’n belangrijk punt. Al heel snel werd door liturgisch gebruik de lofprijzing toegevoegd. De gebedspraktijk van de eerste gemeente dringt hier en daar door in de tekst van het nieuwe testament, lof zij de Vader, de Zoon en de heilige Geest. De drie-eenheid is gegroeid vanuit een liturgische formule, maar ook dat terzijde.

De lofprijzing is er misschien later bijgekomen, we kunnen haar daar daarom niet secundair noemen. Want bidden is van alles, maar het is vooral ook God eren.

Bidden is een vorm van contact. En contact maken met de ander is de eerste manier waarop wij de ander eren en respecteren. We vereren elkaar met een bezoek. Het is een primaire vorm van erkenning als wij elkaar aanspreken, met name noemen, als wij de ander als het ware in het leven roepen door hem of haar te roepen.
Bidden is daarmee een vorm van respect, van eren van God als een werkelijkheid die voor jou van betekenis is. Het is een erkenning, een daad van geloof, nog afgezien van wat je bidt. Zelfs het zwijgend bidden, ja, zelfs het verlangen naar gebed, is al een begin van gelovig handelen. Omdat je daarmee bewijst niet genoeg aan je zelf te hebben. Omdat je je in de handeling van het gebed opent voor een dimensie of een werkelijkheid buiten jou, dat wat wij god/God noemen. Dat wat jou overstijgt, wat je raakt, inspireert, uitdaagt, draagt.
Gebed is daarom ook een overgave – zoals dat in de Islam goed begrepen wordt. Het is belijden: ik kan het niet alleen…

Bidden is een teken van levend geloof. Maar dat je mag ook omdraaien. Een levend geloof is een vorm van bidden. Ik zeg dat om ons wat weg te trekken van een eenzijdige fixatie op het gebed, als vorm, als beperkte praktijk van handen vouwen, ogen dicht. Bidden is veel meer dan het gebed alleen, het is een manier van leven.
Een levend geloof, hoe je in het dagelijks leven inhoud geeft aan wat voor jou belangrijk, wezenlijk, van waarde is; hoe je leeft en hoe je samenleeft, je verbindt met anderen, je engageert met wat voor jou van belang is, heilig is, ook dat kan een vorm van bidden zijn. In die zin dat je leven een gebed wordt, als het niet opgesloten in zichzelf is, als het niet alleen gefixeerd is op eigen belang en eigen besognes, maar als het verbonden is met anderen, met idealen en praktijken die werkelijk van betekenis zijn, die het leven en andere mensen verrijken. Als je leven zich opent naar andere dimensies, groter en hoger en meer dan ik alleen.

Of, om het zelfde nog eens anders zeggen, waar zo wordt geleefd dat daarmee God wordt geloofd, daar is het leven tot een gebed geworden, ‘een levend, heilig en God welgevallig offer’ (Rom. 12 vers 1).

Als je het zo eerst breed trekt, kun je het vervolgens ook dieper peilen.
En dan komt de tweede kanttekening erbij.
Want je kunt wel hoog opgeven van de lof, eer en dank; maar is de werkelijkheid van ons dagelijks leven, is de situatie in onze wereld niet vaak zo, dat ons de lof halverwege in de keel blijft steken? Dat het ons op de lippen besterft.

Alle accent op de lofprijzing alleen, kan te eenzijdig zijn.
Het kan zelfs godslasterlijk worden.

De lofprijzing hoort in ons gebed. Maar ook onze vragen. En sterker nog, zelfs onze klacht, ons verdriet, ja zelfs onze woede.
Dat zit minder in het Onze Vader, maar wel degelijk in de gebeden van de Bijbel.
Met name het boek van de Psalmen getuigt daarvan.
Je hebt de lofpsalmen, maar ook de klaagpsalmen en allerlei andere categorieën. Maar veel vaker nog zijn het geen afgebakende categorieën, maar loopt het een in het andere over. Gaat de klacht over in de lof, of wordt de dankbaarheid onderbroken door het smeekgebed. En dat gaat er soms ruig aan toe.

De taal van het gebed in de psalmen is niet altijd vroom. Tenminste niet vroom in de zin van kwezelachtig. Dat soort vroomheid is er meer om ons zelf te plezieren dan God.
Vroom in de Bijbel is veel ruiger, veel levensechter. Zoals Job vroom is. Als het uitkomt worden God de verwijten recht in het gezicht geslingerd. Er zijn zelfs psalmen die bestaan uit een langgerekte klaagzang (Psalm 88). Daar is de lof ver te zoeken, zelfs helemaal afwezig.

Ook dat mag bestaan. Ja, soms moet het zelfs. Omwille van God en omwille van ons zelf. Dan mag ons gebed niet al te gepolijst zijn.

Er gebeuren dingen in de wereld en soms in ons eigen leven, daarbij past het niet God de lof te zingen. Dat zou vals klinken. Er zijn situaties waarin de lofzang godslasterlijk wordt.
Bij het geweld van de oorlog. Bij het zinloze en domme ongeluk dat je kan overkomen. Bij de dood van een kind. Bij de ziekte die je leven in één klap op de kop zet.
Dan moeten we uit een ander vaatje tappen. Dan is de klacht gerechtvaardigd. Dan kan de hartgrondige vloek een gebed zijn.

Overal waar het goede leven wordt geschonden, daar wordt ons gebed een protest.
Dat klinkt nog tamelijk algemeen, maar u kunt zich daar zelf van alles bij voorstellen. Gebed is een vorm van verzet, tegen de dood, voor het leven. Zolang je bidt, geloof je er in. Want bidden is immers niet ons verlanglijstje bij een god deponeren. Nee, het is bedoeld om jezelf weer in te scherpen wat er te doen is, waar we ons tegen moeten verzetten, waar we ons voor in moeten zetten. Bidden helpt je te weten waartoe wij bestaan. Bidden is je leven richten, richting geven. Laat uw koninkrijk komen, uw wil gedaan worden…

Het koninkrijk, dat is in de bijbel beeld van het goede leven, het leven zoals het bedoeld is.
Het is opvallend dat het aan het begin en aan het einde van het Onze Vader voorkomt.
We bidden of dat koninkrijk steeds meer gestalte mag krijgen, in onze wereld en in het leven van alledag. Mensen tot hun recht. Leven in vrede, in balans. Niemand tekort. Een vruchtbaar bestaan. En aan het einde, bij de lofprijzing, is het de bevestiging dat dit koninkrijk God toebehoort, dat dit de echte werkelijkheid is. Van U is het koninkrijk.
Niet de machten van het kwade, niet de ‘machthebbers van deze wereld’, zelfs de dood niet als tegen-macht heeft het laatste woord, maar van U is het koninkrijk. En dat bidden we nu al!

We bidden niet: van U zal eenmaal het koninkrijk zijn. Toekomstmuziek.
Nee, nu al, geldt deze waarheid in ons gebed, en daarmee ook in ons leven. Want als je het bidt, dan is het zo. Dat is de kracht van het gebed.
Uit mezelf kan ik dat niet halen. Maar als ik het bid, word ik als het ware boven mijzelf uitgetild. Gaat weer leven, wat in mij zelf soms droog en dor en doods dreigt te worden.

Ook al lijkt het soms ver weg, al wijzen alle tekenen op het tegendeel, bidden is daarom ook koppig vast houden aan een diepere waarheid die als het ware in en onder de oppervlakte van ons dagelijks leven verscholen ligt. Bidden is tegen beter weten in, meer weten. Is hopen tegen alles in, ‘zelfs als alle hoop vervlogen is’ (Rom. 4: 18).

Daarom komt de lofprijzing, die het voorrecht van ons levenden is – dat is de link met de psalm – daarom komt de lof altijd weer boven drijven. En daarom moet ons gebed, niet eindigen met maar uitlopen in: de lofprijzing. Niet de oppervlakkige lofprijzing of aanbiddingspraktijk die aan het onrecht en het verdriet voorbij ziet. Maar de levensechte doorworstelde lofprijzing, de Gloria die door het Kyrie is heengegaan; de lof en de dankbaarheid die ontstaat uit de diepte en de donkerheid maar daar niet blijft hangen, omdat je in je gebed vasthoudt aan een hoger weten. Wat er ook gebeurt, wij zijn bestemd voor het koninkrijk, hoe diep we ook vallen, God houdt ons vast, stuit onze val, houdt ons in leven.

We eindigen met het slot van Psalm 115:
De hemel is de hemel van de Heer,
de aarde heeft Hij aan de mensen gegeven.
Niet de doden loven de Heer,
niet wie zijn afgedaald in de stilte,
wij zijn het, wij zegenen de Heer,
van nu aan tot in eeuwigheid.

Halleluja

Previous Post Next Post

No Comments

Leave a Reply