Artikelen

Old and Wise – over het boek Job

Aan het eind van het Bijbelboek sterft Job ‘oud en verzadigd van het leven”. Het is de Bijbelse uitdrukking voor een voltooid leven.
Het verhaal van Job gaat over een man “de aanzienlijkste man van het Oosten”, die vervolgens door de ene na de andere rampspoed zijn have en goed verliest, zijn zeven zonen en drie dochters, allemaal op één dag. Daarna raakt hij ook nog zijn gezondheid kwijt. De tragedie is compleet. Maar, aan het eind van het verhaal wordt het allemaal weer gerepareerd. Hij krijgt zijn bezit dubbel terug. Opnieuw krijgt hij zeven zonen en drie dochters. Als alles op zijn pootjes is terecht gekomen, leeft Job nog 140 jaar. 2 x 70, twee keer een mensenleven, de Bijbelse symboliek ontgaat ons niet. Zouden we dat laatste letterlijk nemen, dan moet Job minstens 170 – 180  jaar oud zijn geworden. Een haast aartsvaderlijke leeftijd. Job is dus aan het einde van het verhaal een oude man. Hij is ‘old’. Maar is hij ook ‘wise’? Hij heeft alles wat je aan aardse rijkdom kan wensen, maar heeft hij ook de wijsheid verkregen? Is Job wijs geworden?

Tekst van een lezing gehouden op de Summerschool 2021 te Vries

Maimonides, de grote Joodse rabbijn uit de Middeleeuwen (geb. Cordoba 1138) merkte al op, dat nergens in het boek aan Job wijsheid wordt toegeschreven. Job bezit allerlei kwaliteiten, hij is rechtschapen en onberispelijk, hij heeft ontzag voor God en mijdt het kwaad – de vier morele kwaliteiten die in tekst een aantal keren worden herhaald – maar wijs wordt hij nergens genoemd.

Toch rekenen we het boek Job tot de wijsheidsliteratuur. En wijsheid is zeker een onderliggend thema. Maar wat voor soort wijsheid is dat dan precies? Een poging om vanuit deze vraag het boek Job opnieuw te lezen.

Ik kies daarbij voor een literaire benadering. Dat is wat anders dan een theologische exegese, al zal het niet zo makkelijk zijn die twee strikt van elkaar te scheiden. Maar in de literaire benadering van Bijbelteksten, is het van belang te proberen zo onbevangen mogelijk naar de tekst zelf te luisteren. Het boek Job hoort tot één van de meest geïnterpreteerde Bijbelboeken. Het is in het algemeen een kenmerk van een goede literaire tekst, dat deze altijd weer nieuwe interpretaties oproept. Belangrijk is daarbij het uitgangspunt dat er tussen de verschillende interpretatie geen definitieve beslissing gemaakt kan worden met betrekking tot de juistheid daarvan. Met andere woorden, het is niet te zeggen dat er één ultieme, één ware, betekenis is. Zeker bij poëtische teksten – en een groot deel van het boek Job is poëzie – is het zo, dat er altijd meer verschillende lezingen en uitleggingen mogelijk zijn.
Als we op zoek gaan naar de wijsheid van Job, gaat het er dus om om dat op het niveau van de tekst zelf op het spoort te komen.

structuur
Er zijn vele manieren om het boek Job te benaderen.
Een oppervlakkige kennismaking maakt meteen duidelijk dat het hier om een zogenaamde raamvertelling gaat. Er is het verhaal, kort gezegd over de rijke Job die alles verliest maar op het einde alles weer terugwint. Een klassiek motief. Deze vertelling omlijst het grote middendeel van het boek Job. Anders dan het verhaal niet in proza maar in poëzie geschreven. In dat gedeelte komt Job aan het woord, en zijn drie vrienden, die hem op hebben gezocht toen ze van zijn rampspoed hoorden. Later voegt zich nog een vierde vriend er bij. Het poëtisch deel bereikt een hoogtepunt, als God zelf sprekend ten tonele verschijnt en antwoordt geeft aan Job. Deze lange, poëtische monologen van God zijn uniek in de Bijbelse literatuur.

Het middendeel begint met de fameuze klacht van Job, die de dag van zijn geboorte vervloekt. In de proloog is Job nog geschetst als de voorbeeldig gelovige, die vroom aanvaardt wat hem overkomt. Maar nu lijkt er een andere Job opgestaan te zijn.
Zijn woedende aanklacht, wordt beantwoord met reacties van zijn vrienden. De drie vrienden, Elifaz, Bildad en Sofar nemen om de beurt het woord, richten zich tot Job, proberen hem uit te leggen wat de reden is van zijn ellende. Kort gezegd, God straft niet zomaar. Job moet ergens hebben gezondigd. Hij kan niet volhouden dat hij volkomen integer is – geen mens is zonder zonde. Job doet er beter aan bij zichzelf te rade te gaan en zich te verootmoedigen, om dat oude woord te gebruiken, voor het aangezicht van God.

Maar dat weigert Job. Pertinent en beslist houdt hij vast dat wat hem overkomt weliswaar uit de hand van God komt, maar dat hem daarmee groot onrecht wordt aangedaan. Job is onschuldig. God zelf moet maar eens uitleggen waarom dit kwaad hem treft, wat daar de bedoeling van is.

Rond deze thematiek cirkelen de gesprekken, als je ze zo al mag noemen, van Job en zijn vrienden.

De aanleiding van dat alles, is al in de proloog uit de doeken gedaan. Job’s ellende is het werk van de Satan. We zijn gewend om dat op te vatten als een duivels personage, soms zelfs als een zelfstandige godheid (de macht van het kwaad) naast de goede God. Maar in het boek Job gaat het meer om een functie van één van de hemelbewoners. De Satan – letterlijk: de aanklager – daagt God uit om zijn voorbeeldige dienaar Job te testen. Is zijn vroomheid wel zuiver? Wat gebeurt er als hij zijn rijkdom en aanzien verliest, houdt hij dan nog steeds aan God en zijn geloof vast?
God gaat op de uitdaging van de Satan in en geeft de laatste de vrije hand. Alles mag je van Job afnemen, behalve zijn leven.

Deze opmerkelijke weddenschap speelt zich letterlijk en figuurlijk boven het hoofd van Job af. Want, en dat maakt het boek zo uitzonderlijk en verleent het een eigen spanning: wij als lezers en hoorders worden al vanaf het begin ingelicht over deze hemelse afspraak, maar Job weet van niks. Job is onkundig van wat er boven zijn hoofd wordt gekonkelfoesd. Over hem en zonder hem. En dat blijft zo, zelfs aan het einde, als alles op zijn pootjes terecht komt, blijft niettemin de ware oorzaak van al Jobs ellende voor hem verborgen.

Het is de alwetende verteller die het verhaal stuurt en de touwtjes in handen houdt. Die er ook voor zorgt dat het boek een kunstige gecomponeerde eenheid is.

Zoals alle andere Bijbelboeken (en grote literatuur) is dit verhaal niet op een achternamiddag geschreven. Het is gegroeid, samengesteld uit oudere fragmenten, wellicht uit verschillende bronnen en over een langere tijd. In het recente verleden werd in de uitlegkunde veel aandacht besteed aan dit soort ontstaansprocessen, bv. door het verschil tussen raamvertelling en het poëtisch gedeelte te benadrukken, of door onderzoek naar de eventuele invoeging van de vierde vriend in het tweede deel van het boek. Momenteel is de zogenaamde synchronische benadering meer in zwang. Dat betekent dat we het boek nemen zoals het ons is overgeleverd, als een geheel, dat weliswaar samengesteld is, maar in zijn eenheid spreekt en als eenheid uitgelegd wil worden.

personages
In een literaire benadering is het belangrijk om te letten op de handelende personages in het verhaal en hun onderlinge relaties. Het is illustratief om zo het boek en het verhaal nader te verkennen.
Ik loop in grote lijnen de proloog van het boek Job met u door, en ondertussen inventariseren we de personages, in de volgorde waarin ze op het toneel van de tekst verschijnen en voor zover ze ‘tekst’ hebben in het verhaal

– Job, de titelheld wordt meteen al in het eerste vers voorgesteld: In het land Us (locatie onzeker) woonde een man die Job heette. Van hem worden meteen vier kernkwaliteiten genoemd: hij was rechtschapen (integer – een kernwoord) en onberispelijk, hij had ontzag voor God en meed het kwaad.
Vervolgens wordt zijn rijkdom geschilderd – uitgebreide veestapel, tien kinderen, zeven zonen, drie dochters. En zijn vroomheid. Hij offert uit voorzorg voor zijn kinderen.

– het toneel verplaatst zich naar de hemelse gewesten. De volgende personages treden naar voren, te weten de Heer (JHWH) en Satan.
Over beider namen is het nodige te zeggen. De Heer is de vertaling van de Hebreeuwse godsnaam, het vierletterwoord dat de Joden uit eerbied niet uitspreken. De Naam (ha sjem) of De Heer (Adonai).
In de dialogen worden andere aanduidingen voor God gebruikt, het woord El of El Sjaddai, de Ontzagwekkende. Daar valt theologisch van alles over te zeggen, maar dat laten we nu maar rusten. God is een meervoudige persoonlijkheid, zou je kunnen zeggen.

Satan, dat je zou kunnen vertalen als Tegenstrever of de Aanklager. Hier gaat het om de specifieke functie. De ontwikkeling naar een verpersoonlijking tot de satan/duivel als zelfstandige figuur is van latere tijd. De Sataan is hier lid van de hemelse huishouding, van Gods personeel, zou je kunnen zeggen.

Tussen beiden, de Heer en Satan, ontspint zich een gesprek (dialoog) die leidt tot een weddenschap. De Heer schept op over zijn ‘dienaar Job’, als een soort modelgelovige. De vier kwaliteiten van het begin worden weer opgesomd, nu uit de mond van de Heer zelf.
Job is rechtschapen en onberispelijk; heeft ontzag voor God en mijdt het kwaad

Satan zegt, geen kunst aan, als je zo rijk bent en het je in alle voor de wind gaat. Zou hij U niet in het gezicht vervloeken, als hij al zijn bezit kwijt zou zijn? Met andere woorden, is Job zo vroom ‘om niet’, zonder reden (NBV).

Op het onheil reageert Job aanvankelijk gelaten en vroom:
“De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geprezen”. Het is de eerste keer dat de titelheld sprekend wordt opgevoerd. Job heeft de test doorstaan, maar Satan legt zich niet neer bij zijn nederlaag. In het tweede hoofdstuk, volgt een tweede ronde in de hemel. ‘Als u hem zijn gezondheid afneemt, dan zal hij wel anders piepen’, zegt Satan tegen de Heer. En die geeft hem toestemming om ook dat nog van Job af te pakken. “Doe met hem wat je wilt, maar spaar zijn leven”, zegt de Heer. Job wordt met zweren overdekt en krabt zich in al zijn ellende met een potscherf.

– dan treedt het volgende personage op. De vrouw van Job.
Tot nu toe is ze buiten het verhaal gebleven, al deden de tien kinderen van Job al vermoeden dat er tenminste een vrouw in het spel moet zijn. De vrouw, die naamloos blijft (net als de kinderen overigens), spreekt Job toe. “Waarom blijf je zo onberispelijk (één van de vier kwaliteiten). Haar advies: ‘Vervloek God toch en sterf’.

Job antwoordt: “Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?”

Opnieuw is de conclusie, dat Job de test heeft doorstaan.
‘Ondanks alles zondigde Job niet en sprak hij geen onvertogen woord’.

– Vervolgens komen de drie vrienden Elifaz, Bildad en Sofar het verhaal binnen. De drie die in het vervolg een prominente rol zullen spelen in de gesprekken die ze met Job voeren..
Ze onderscheiden zich door hun betrokkenheid bij Job. Ze komen om hun medeleven te tonen en om Job te troosten. En ze doen dat voorbeeldig, door zeven dagen en zeven nachten bij hem te blijven en geen onvertogen woord over hun lippen te laten komen.
De vrienden van Job staan er meestal niet zo goed op. Maar alleen al om dit feit van hun solidaire zwijgen zeven dagen en zeven nachten, zou je ze voor altijd moeten prijzen.

– Verder op in het boek treedt er nog een vierde vriend naar voren, Elihu.

ontwikkeling naar wijsheid
Al die verschillende personages gaan in de tekst relaties met elkaar aan, die belangrijk zijn om de voortgang en de ontwikkeling te begrijpen.
Het gaat ons vooral om de ontwikkeling van Job richting wijsheid. De vraag is immers of Job ook wijs wordt of wijzer.
In die ontwikkeling spelen de overige personages hun rol, maar ieder op een eigen manier.

Natuurlijk God of de Heer zelf. Zijn antwoord op de aanklachten van Job vormen het hoogtepunt van het boek.
Ook de drie vrienden spelen hun rol, en niet alleen als tegenstander van Job, zoals zo vaak wordt gezegd. Je kunt ook goed verdedigen dat ze door hun toespraken Job prikkelen om zijn zaak beter en dieper te begrijpen. Dat geldt ook voor de vierde spreker, Elihu.

Maar in de ontwikkeling naar wijsheid, is het goed om te focussen op het personage van de vrouw van Job.

Vaak wordt er een tegenstelling gemaakt tussen de gehoorzame, vrome Job uit de raamvertelling, met name het eerste deel, en de opstandige en tegen God rebellerende Job van de dialogen. Het is ook een groot contrast om nadat de vrienden zijn gekomen en zeven dagen en zeven nachten het zwijgen is bewaard, opeens Job te horen die zijn geboortedag vervloekt (hoofdstuk 3). Het lijkt of we plotseling een heel andere Job tegenkomen. Alsof die uit de lucht komt vallen… Maar je kunt ook verdedigen, op basis van de tekst, dat er al in de proloog een ontwikkeling bij Job op gang wordt gebracht. En de aanstoot daarvoor wordt wellicht ingegeven door zijn vrouw.

Ze speelt maar een minieme rol, ze blijft naamloos, háár verdriet blijft onbelicht: het zijn toch zeker ook háár kinderen die zijn omgekomen. Op het niveau van de tekst blijft dat allemaal onbenoemd. Ze heeft maar één regel tekst, maar toch. Ze speelt een belangrijke rol als katalysator in de ontwikkeling van Job.

De eerste reactie van Job, als het onheil toeslaat, is:
De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen. De naam des Heren zij geprezen.

Dat klinkt vroom. Psychologisch kun je daar allerlei vragen bij stellen, of dit wel zo’n gezonde reactie is, maar daar gaat het nu even niet om.
De uitkomst is, op het niveau van het verhaal, dat er geen onvertogen woord over Jobs lippen komt: “Ondanks alles zondigde Job niet en maakte hij God geen enkel verwijt”.

Als Job in de tweede ronde wordt getroffen door de rampspoed van zijn ziekte, treedt zijn vrouw naar voren. Zij zegt met zoveel woorden: Job, kap er toch mee, met die God van jou. Vervloek God en sterf. Dit is toch geen leven?

Maar Job doet dat af als zotte praat. Hij zegt dan: “Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?” Het lijkt een vergelijkbare, vrome reactie, net als na de eerste ronde Opnieuw lijkt Job zijn lijden met een zelfde berusting te accepteren.

Toch, als je beide uitspraken vergelijkt, kun je ook zeggen dat er een verschuiving is opgetreden.
– In de eerste uitspraak, noemt hij God ‘de Heer’, in de tweede heeft hij het over God. Bovendien, in de eerste spreekt hij tot de Heer, in de tweede over God.
– De eerste keer prijst en zegent Job God – de naam des Heren zij geprezen. Daar is de tweede keer geen sprake meer van.
– De eerste uitspraak is een bevestigende stelling. Als het ware met een uitroepteken erachter. De tweede is als een vraag geformuleerd. Dat is een verschil.
– Verder, in de tweede maakt Job een onderscheid, tussen het goede en het kwade. Wat hij heeft te verduren, wordt niet klakkeloos onder het prijzen van de Naam des Heren aanvaard. Wat kwaad is, mag nu ook kwaad heten. Ook dat is een verschil, een subtiel verschil misschien, maar op het niveau van de tekst gaat het om dergelijke subtiele verschuivingen.
– tenslotte, in de eerste uitspraak neemt Job als het ware het goddelijke perspectief in (van boven): de Heer geeft en de Heer neemt; in de tweede spreekt hij vanuit het menselijke perspectief, als wij het goede aannemen, waarom het kwade dan niet?

Dus, ook al noemt Job de woorden van zijn vrouw de woorden van een dwaas, op een onbewust niveau doet haar woorden meer met Job dan hij waar wil hebben. Het zijn subtiele verschillen, in de tekst zelf gemarkeerd. De tweede afsluitende conclusie is wat dat betreft veelbetekenend. In de oude vertaling staat er zo letterlijk mogelijk vertaald: ‘in dit alles zondigde Job met zijn lippen niet’, wat de suggestie openlaat dat hij dan met zijn lippen (woorden) niet zondigt, maar misschien in gedachten al wel in opstand is gekomen.

Hoe dan ook: de ontwikkeling loopt van overgave, tot stil protest, tot luide klacht.
Van passieve vrome tot een actieve gelovige zoeker. En die ontwikkeling wordt ingezet door en met de interventie van de vrouw van Job. Zij speelt dus een kleine, maar misschien wel cruciale rol, in Jobs ontwikkeling.

Het is een vraag apart, die nu buiten beschouwing moet blijven, in hoeverre de ontwikkeling van Job naar wijsheid wordt voortgezet in de dialogen met zijn vrienden.
Je kunt zeggen dat de drie vrienden en Job eigenlijk in het zelfde kringetje hun rondjes maken, steeds verder verhardend in hun respectieve posities. Job die zich niet neer wil leggen bij het onrecht dat hem is overkomen, die God aanspreekt en aanklaagt. De vrienden die er op hameren dat Job de fout bij zichzelf moet zoeken, want God straft niet zomaar, er moet een reden voor zijn, en die kan niet anders liggen dan in Jobs zonden.

Toch is er meer nuance en subtiliteit in de dialogen. Op allerlei manieren, op het niveau van woorden en zinnen en gebruikte beeldspraak, haken ze in elkaar en staan ze in onderling verband, verwijzen ze naar elkaar. Nog even helemaal afgezien van het literair kunstige poëtische gehalte, de rijkdom aan beeldspraak, de plasticiteit, de zeggingskracht – zijn die gedeelten spannender dan je zou denken.

Daarbij komt, dat aan het einde van de derde ronde ‘gesprekken’, als een soort afsluiting van het eigenlijke debat, we zijn lied op de wijsheid vinden, hoofdstuk 28. Heeft Job daar de wijsheid al gevonden?
De strekking van h. 28 is juist, dat de wijsheid voor de mens verborgen blijft.
“… de wijsheid – waar moet je haar zoeken,
en het inzicht – waar is het te vinden?
Geen sterveling kent de weg erheen,
de wijsheid is niet in het land der levenden” (28: 12-13)

Het hoofdstuk eindigt met de conclusie:

“Maar God kent haar wegen,
en hij weet waar ze verblijft
Bij de schepping heeft God, volgens Job, de wijsheid gepeild en doorgrond, en haar in volle omvang gezien. Wat voor de mens is weggelegd is
“Ontzag voor de Heer – dat is wijsheid
het kwaad mijden – dat is inzicht”

Hier worden letterlijk twee van de vier kernkwaliteiten genoemd, die al in de proloog van Job zelf zijn vermeld en die door God zelf zijn onderstreept: ‘Heb je ook op mijn dienaar Job gelet? Hij is rechtschapen (integer) en onberispelijk; hij heeft ontzag voor God en mijdt het kwaad.

Deze wijsheidsspreuk – heb ontzag voor de Heer en houd je ver van het kwaad – is het principe dat je ook in andere wijsheidsliteratuur tegenkomt, vgl. Spreuken 1: 7 en  9: 10, Psalm 111: 10. Tot dat ‘traditionele’ inzicht is Job hier, even over de helft van het boek, al gekomen.
Job wijst hier het speculatieve denken af en belijdt trouw zowel aan het praktische leven als aan zijn principes (zijn zoektocht naar recht). Er is voor de mens geen weg te vinden naar de wijsheid. Tegelijk is het raadzaam (wijs) een rechtschapen leven te leiden zonder hoge pretenties.

Dit is een voorlopige conclusie, in de laatste redevoeringen van Job. Maar zijn ontwikkeling naar wijsheid gaat verder. Dit is nog niet het einde van zijn zoektocht.


de finale
Job en zijn vrienden komen er niet uit. Ook de vierde vriend, Elihu, krijgt de boel niet vlot getrokken. Job neemt niet eens meer de moeite om hem antwoord te geven.
Alles werkt toe naar het dramatisch hoogtepunt, waarop God zelf sprekend ten tonele komt.
Dat is wat Job de hele tijd heeft gevraagd. Hij wil gehoord worden, letterlijk en figuurlijk, Hij daagt God voor zijn gerecht.

In hoofdstuk 38 is het eindelijk zo ver. De beide hoofdpersonages van het boek worden eindelijk in direct contact gebracht. De confrontatie waar de hele tijd naar toe gewerkt is, de spanning die is opgebouwd, ontlaadt zich hier:
“De HEER antwoordde Job vanuit een storm… “.

Ook dat gaat in twee rondes, tot en met de eerste verzen van hoofdstuk 42.
En ook hier beperk ik me tot de grote lijnen, zonder al te veel op de inhoud van deze magnifieke hoofdstukken in te gaan. Het gaat nogmaals steeds om de vraag naar de ontwikkeling van Job naar wijsheid. Wat wordt Job wijzer van het antwoord van God?

Inhoudelijk hoort Job feitelijk niets nieuws. De Heer bombardeert Job met een spervuur van vragen. Wie is de beklaagde en wie is hier de aanklager?
De vragen gaan over de raadsbesluiten van God die aan de schepping ten grondslag liggen. Heeft Job daar enig weet van? Het lijkt allemaal bedoeld om Job te imponeren en hem met zijn kleinheid en onbetekenendheid te confronteren:

“Waar was jij toen ik de aarde grondvestte?
Vertel het me, als je zoveel weet…” en zo voort.

Onder het motto: de aanval is de beste verdediging, veegt God Jobs mantel uit.

Hoe prachtig en beeldrijk de taal ook is,
Heb jij ooit de morgen ontboden
Heeft de regen een vader?
Het verweer van God heeft iets ontluisterends. Het springende punt, de oorzaak van al Jobs ellende – de weddenschap met de Satan waartoe God zich heeft laten verleiden – blijft ongenoemd. Het is alsof het kwade geweten van God hier spreekt, in de heftigheid waarmee hij dat als het ware overschreeuwt.
Gods antwoord biedt in ieder geval Job geen enkele troost.
God lijkt helemaal langs het pijnlijke punt van Jobs klacht heen te spreken.
Dat God machtig en wijs is als schepper, is nergens door Job betwijfeld, integendeel. Het is juist opmerkelijk dat de meeste uitspraken van God in deze hoofdstukken, over de wonderen van zijn schepping, terug te vinden zijn in de toespraken van Job.
Zijn macht is het punt niet dat Job betwist, het gaat Job om het recht. In het Engels klinkt het kernachtig zo: It’s not about might, it’s about right. Dat punt lijkt het personage God in het verhaal compleet te missen.

Je kunt dus allerlei vragen stellen bij de overtuigingskracht van Gods antwoord.
En volgens mij gebeurt dat ook door de tekst, in de manier waarop Jobs reactie wordt getekend. Daarvoor zijn er tenminste drie momenten in de tekst aan te wijzen. Allereerst de twee korte fragmenten waarin de reactie van Job wordt getekend, middenin en aan het eind van Gods antwoord. Als derde is het belangrijk om te letten op wat er precies gebeurt en niet gebeurt tussen de beide personages Job en God in het slotdeel (de epiloog).

– Op het bombardement van vragen en de poëtische majestueuze schildering door God van de wonderen van zijn schepping, reageert Job als volgt

En Job antwoordde de HEER:
‘Ik ben onaanzienlijk. Wat zal ik u antwoorden?
Ik leg mijn hand op mijn mond.
Ik heb eenmaal gesproken en zeg niets meer,
tweemaal – en doe er het zwijgen toe.

Job zwijgt.

Maar wat horen we in dat zwijgen?
Is dat de deemoed, van iemand die beseft dat hij te ver is gegaan, dat hij zijn hand heeft overspeeld?
Is dat het zwijgen van schaamte, van iemand beseft dat hij niet het centrum van het universum is, het zwijgen uit eerbied, van iemand die realiseert dat hij teveel vanuit zichzelf, zijn ego, heeft gedacht en geredeneerd?
Het is in ieder geval een andere reactie dan in het begin, De naam des Heren wordt hier niet geprezen. Het is ook niet het deemoedig of innerlijk opstandig accepteren, in goede en in kwade dagen, van het begin.
Nee, Job doet er het zwijgen toe.
Hij weet inmiddels beter.
Kun je het ook zo uitleggen, dat Job zwijgt, omdat praten kennelijk geen zin meer heeft? Zoals de mensen in Drenthe kunnen reageren: Ie kunt wal ies geliek hebben, zeggen ze, maar ondertussen denken ze het er zijne van. Zwieg’n en joa knikk’n.

–  Helemaal aan het einde lezen we in Job 42:

Nu antwoordde Job de HEER:
‘Ik weet dat niets buiten uw macht ligt / en geen enkel plan voor u onuitvoerbaar is.
Wie was ik dat ik, door mijn onverstand, uw besluit wilde toedekken?
Werkelijk, ik sprak zonder enig begrip, / over wonderen, te groot voor mij om te bevatten.
‘Luister’, zei ik, ‘dan zal ik spreken, / ik zal u ondervragen, zeg mij wat u weet.’
Eerder had ik slechts over u gehoord, / maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd.
Daarom herroep ik mijn woorden en buig ik mij, / zoals ik hier zit in het stof en het vuil.

Het lijkt alsof Job nu helemaal gebogen heeft, letterlijk. Met de laatste zin zijn we weer terug waar hij begon, in het stof en in het vuil.
Maar is dat zo?
Ook hier zijn er weer allerlei verschillende uitleggingen mogelijk. Dat heeft ook te maken met een schimmige overlevering van de tekst. Het komt erop neer dat al heel vroeg, door joodse en zeker ook later door christelijke tekstbezorgers, de tekst in de richting van de vrome herroeping van Job is gemasseerd.

Dat is dus de gangbare, vrome uitleg geworden, van een Job die berouw heeft, boete doet, zijn nederlaag erkent, die zijn woorden herroept (maar welke dan, als straks wordt gezegd dat de vrienden niet juist over mij gesproken hebben, zoals mijn dienaar Job). Job terug in het hok.
Dat is de orthodoxe lezing van Job, die je tegenwoordig paradoxaler wijs terug vindt in liberale filosofische varianten: Job die zijn kleinheid en onbetekenendheid in het licht van het grote universum moet leren beseffen.

Maar … Job herroept niet.
De meeste bijbelwetenschappers zijn er over eens, dat dit geen goede vertaling is. Het strookt ook niet met de rest van het boek, met het oordeel in de epiloog.
Job herroept niet.

Job is niet gevallen, hij blijft fier overeind staan. Je kunt met evenveel recht, of misschien wel met meer recht, een ironische ondertoon in deze laatste woorden van Job horen. Job herroept niet, in die zin dat hij zijn eerdere woorden daarmee ongedaan wil maken. Hij zegt zoveel als, ik stop ermee, ik kap het af.
Met andere woorden, Job denkt er het zijne van.

Wat lijkt op een schuldbelijdenis – werkelijk, ik sprak zonder enig begrip – dat is niet meer dan de cynische erkenning van  Gods gelijk, als hij het zo graag nodig heeft om gelijk te krijgen, dan kan hij het krijgen van Job.

– Het ongemakkelijke zwijgen, het niet-contact tussen de belangrijkste protagonisten van het verhaal, Job en God, in het slotdeel, spreekt boekdelen.
Job heeft niets meer te zeggen.
En God weet hem niet meer te bereiken.
Zijn woede – onmacht, frustratie – koelt hij op de vrienden, voor wie Job dan in moet treden. Psychologisch roept het allerlei vragen op.
Veelbetekenend is dat Job wordt getroost door zijn familie en bekenden. Dat is mooi, natuurlijk, menselijk en zelfs ontroerend. Job wordt getroost door zijn naasten, maar … niet door God! Juist in het licht van deze mededeling valt dat op een schrijnende manier op.
Job ontvangt op geen enkele manier troost van God. Geen uitleg, geen verklaring, geen verontschuldiging. Job wordt wat de ware toedracht betreft, niets wijzer. Maar hij weet genoeg.

Het is frappant dat bij alles wat er in dit slothoofdstuk wordt gezegd de Heer het woord niet rechtstreeks meer richt tot Job. Als hij uitgesproken is tegen Job, vaart hij uit tegen Elifaz, de eerste van de drie vrienden. ‘Ik ben in woede ontstoken (woede is de overheersende gemoedstoestand van het personage Heer/God) tegen jou en je twee vrienden, omdat jullie niet juist over mij hebben gesproken, zoals mijn dienaar Job’.
Dat klinkt als een indirect compliment voor Job, ook nog eens in de vorm van een ontkenning. Jullie hebben niet juist over mij gesproken, met andere woorden, Job heeft dat wel gedaan.
Maar het wordt niet tegen Job zelf gezegd en het wordt ook niet op die positieve manier verwoord.

De woede van de Heer moet vervolgens gestild worden volgens beproefd oudtestamentisch recept, met een offer. Dienaar Job – de omschrijving uit het eerste deel wordt hernomen – moet  vervolgens voor hen voorbede doen, om de Heer te verzoenen. Zo bidt Job voor zijn vrienden… maar niet voor zichzelf?
Er is een opmerkelijk contrast tussen de Job uit het eerste deel, die voor ieder van zijn kinderen een offer brengt uit voorzorg (ze mochten eens gezondigd hebben). Daar lezen we nu niets meer over. Is de communicatie tussen Job en God stilgevallen?

Er blijft iets ongemakkelijks over dit slotdeel hangen.
De Heer is hem goedgezind (hij nam het aangezicht van Job aan, SV).
Job wordt in ere hersteld en de Heer brengt een keer in zijn lot en hij gaf hem het dubbele van wat hij eerder bezat. Uitleggers wijzen er dan op dat in de Thora, in Exodus 22 bepalingen zijn opgenomen over dubbele vergoedingen, die moeten worden uitgekeerd in geval van … diefstal. Wanneer iemand vee heeft gestolen, en de dief wordt gepakt, dan moet hij het dubbele als vergoeding geven. Betekent dus het dubbele herstel van Jobs rijkdom, dat God daarmee impliciet schuld bekent?

afsluiting
Het boek Job is een van de pareltjes van de wereldliteratuur.
Zoals bij elke goede literatuur is er niet een eenduidige interpretatie.
Je kunt en moet het blijven lezen en steeds weer opnieuw interpreteren, ombuigen naar je eigen situatie en tijd.

Toch iets van een conclusie, gebaseerd op literaire gronden.

Zoals bekend, hoort het boek Job tot de zogenaamde wijsheidsliteratuur in de Bijbel.
In onze indeling staat het boek ergens middenin het Oude testament, vlak voor het boek Psalmen. Maar in de Joodse bijbel, Tenach, maakt het deel uit van de derde afdeling, van de Geschriften.

Het personage God ontwikkelt zich, van een jaloerse stamgod, via een god als garant voor gerechtigheid, tot een vergevingsgezinde god die uit liefde handelt.

Het boek Job is het laatste boek in Tenach waarin God sprekend wordt opgevoerd.
Met andere woorden: Job heeft God tot zwijgen gebracht (Jack Miles).

“Job heeft de Heer misschien tegen zichzelf beschermd, maar God is na deze gebeurtenis in Jobs ogen nooit meer dezelfde. Om precies te zijn: de Heer kan nooit meer helemaal dezelfde zijn voor zichzelf. De duivel is nu een permanent deel van zijn realiteit; en al is hij op het nippertje ontsnapt aan de Tegenstander, dat is hem gelukt via een ergere vernedering door een aardse tegenstander, Job zelf. Natuurlijk heeft Job zijn eigen al te kinderlijke vertrouwen in God in overeenstemming gebracht met een veel genuanceerder en volwassener joodse wijsheid – in overeenstemming met een realistische kijk op de wereld waarin rechtvaardigheid gegarandeerd wordt door de goede God én zo nu en dan bedreigd wordt door de kwade God. Maar de God uit deze interpretatie is niet alleen voor Job maar ook voor God zelf nieuw” (Jack Miles, God. Een biografie, pp. 305-306).

De wijsheid die Job verwerft, is dat hij door schade en schande wijzer is geworden (sadder and wiser).
Geen overgave, geen onderwerping, Job is de mens die staande blijft voor God, en zo de menselijkheid redt, maar ook de menselijkheid van God bevordert.

Daarmee vormt het Bijbelboek Job een belangrijke en misschien wel beslissende stap in het ontwikkelingsproces van het personage God, een stap in de richting van de humanisering van God. Maar, dat is een ander verhaal…

Previous Post Next Post

1 Comment

  • Reply Kees Boer 18/09/2021 at 09:44

    Veel dank. Helpt mij in mijn worsteling naar het wezen van het goddelijke.

  • Leave a Reply