Defensie breidt uit. Onlangs waren er kennismakingsdagen voor belangstellenden. Op het Journaal werd één van de jonge mannen gevraagd of hij dan, in uiterste instantie, bereid was om zijn leven te offeren voor het vaderland. Waarop hij zonder veel aarzelen ‘ja’ zei.
Je hoopt maar dat het nooit nodig is.
Zou zo’n jongen op die leeftijd de consequenties van zijn keuze al kunnen overzien?
Is het wel een vraag die je beantwoorden kunt, zo in het algemeen?
Wat zou ik zelf doen in zo’n situatie, of kun je je dat eigenlijk niet goed voorstellen?
Het zijn vragen die opkomen nu het vandaag gaat over het offer nav de tekst uit Hebreeën.
Deze week herdachten we op 4 mei de mensen de slachtoffers van de oorlog. Op 5 mei vierden we Bevrijdingsdag en eerden we de soldaten die ons hebben bevrijd. Zij gaven hun leven voor onze vrijheid. Dat was toen, lang geleden.
Vandaag hebben wij respect voor de Oekraïners die al jarenlang hun land verdedigen tegen de agressie van Rusland. De helden aan het front. Maar, zijn de Oekraïners die voor de oorlog hun land ontvluchtten en weigeren te vechten, dan lafaards? Of is dat te snel, te zwart-wit geredeneerd?
Er zijn nogal wat vragen.
Daarbij komt dat de redenering in de Hebreeënbrief niet eenvoudig te volgen is. Het gaat over het offer van Christus, dat is wel duidelijk. Er wordt een uitvoerige vergelijking gemaakt tussen het offer van Christus en de toenmalige offerpraktijk in de tempel. Dat gebeurt allemaal al lang niet meer. De tempel werd kort na Jezus’ leven verwoest en daarmee verdween die offercultuur in het Jodendom. Het is het een denk- en geloofswereld die nogal ver van ons afstaat.
Volgens mij is het belangrijk om twee woorden met elkaar te verbinden, ze komen ook in de tekst voor: offer en verbond.
Je kunt het offer nooit als iets op zichzelf beschouwen, als een geïsoleerd fenomeen. Het offer heeft altijd te maken met verbond, met de relatie, tussen mens en God om te beginnen.
Eén van de eerste dingen die de mens doet, volgens de oude bijbelverhalen, is een offer brengen. Ga maar na, het verhaal van Kaïn en Abel. Dat begint met Kaïn die een offer brengt. Daar begint als het ware de eredienst. Kaïn neemt het initiatief. Abel doet hem na. Daarna gaat het mis, als Kaïn Abel doodslaat, maar daar gaat het nu even niet om.
Het zit diep in mensen om te offeren. Dat vind je in alle culturen en religies terug. De mens die iets van zichzelf geeft, de eerste vruchten van het land (Kaïn) of de beste stukken vlees van zijn vee (Abel).
Er is veel te zeggen over die oude offerpraktijken.
Ze zijn ook bedoeld om de gunst van God of van de goden af te smeken.
De mens offert in de hoop dat de god hem helpt. Een goede oogst. Regen en droogte op het geschikte moment, en zo voort.
In deze offers gaat om een soort ruilhandel. In ruil voor onze offers, verlang je van de god voorspoed en zegen. Je geeft opdat jou gegeven wordt (do ut des).
In het bijbelse jodendom is deze offerpraktijk helemaal geritualiseerd. In het boek Leviticus vind je uitgebreide aanwijzingen voor de inrichting van de offerdienst. In het gedeelte uit de Hebr. brief wordt daar naar verwezen, met name naar de twee tenten of ruimten in het heiligdom van de tempel. In het heilige der heiligen gaat alleen de hogepriester één keer per jaar naar binnen, om te offeren voor de zonden van het hele volk.
Dat is nu passé, vervolgt de brief.
“Christus (…) is door een indrukwekkender en volmaakter tent (…) voor eens en altijd het hemelse heiligdom binnengegaan, en dat niet met bloed van bokken en jonge stieren maar met zijn eigen bloed. Zo heeft Hij een eeuwige verlossing verworven.”
Het is een redenering die we nog wel kunnen volgen en die in de christelijke traditie bekend is geworden. Christus maakt met zijn offer, de dood op het kruis, in één klap de oude offerpraktijk overbodig. God hoeft niet meer met dagelijkse offers van bloed en vlees van dieren gunstig gestemd te worden; Jezus’ offergave, zijn vlees en bloed, volstaan voor eens en al.
Tegelijk roept dat ook vragen op. Want betekent dat dat God dit offer verlangt? Dat Gods woede getemperd moet worden, afgekocht, met het offer van zijn eigen Zoon? Wat is dat voor een God, die zulke offers verlangt?
Het is begrijpelijk dat zulke vragen opkomen. Maar volgens mij leiden ze op een verkeerd pad. Dan kom je er niet goed uit. Daarom is het zo belangrijk om het offer te zien in relatie met het verbond dat daar aan voorafgaat.
Het offer is niet datgene waardoor het verbond tot stand komt of wordt gesloten.
Het offer is juist uitdrukking en gevolg van het verbond.
Het offer is niet iets wat God zou verlangen of eisen. Een prestatie die moet worden geleverd voordat er sprake kan zijn van een verbond. Nee, het offer is geen voorwaarde voor het verbond, maar de consequentie van het verbond.
Door zijn bijzondere verbondenheid, met God en met mensen, waaruit Jezus leeft, brengt Hij het offer van zijn leven. Het offer is de uitdrukking van zijn liefde, en van Gods liefde, die aan alles voorafgaat.
Het offer is niet iets wat God vraagt of eist, maar wat Christus brengt.
Het offer is geen voorwaarde om Gods gunst te verwerven, dat is het oude denken – ik geef wat opdat jij mij geeft. Nee, het is radicaal andersom. Uit liefde en uit verbondenheid gaat Jezus de ultieme consequentie daarvan niet uit de weg, al kost het hem het offer van zijn leven.
Het offer toont wat liefde vermag. Daarom heeft het de kracht om zonden teniet te doen, zoals de Hebr. brief schrijft. Daarom kan het offer de zonde wegnemen, of uitwissen, vergeven in bijbeltaal.
Het offer is een gevolg van liefde. Niet andersom, dat Gods liefde een gevolg is van het offer.
Het offer is een uitdrukking van de macht van vergeving, niet de voorwaarde daartoe.
Daarom kan het kruis van Christus voor ons een overwinningsteken zijn. Want op het kruis wordt Gods liefde in uiterste consequentie zichtbaar. Niet ondanks het kruis, of ná het offer aan het kruis, maar door het kruis kennen we Gods liefde, ‘voor eens en altijd’ en tot ‘een eeuwige verlossing’, om opnieuw de Hebr. brieft te citeren.
We zitten hier in het hart van het christelijk geloof. Het is altijd weer iets dat tegen de intuïtie, tegen het natuurlijke menselijke gevoel ingaat. Maar dat laat de radicaliteit ervan zien en voelen. Het kruis en het offer als uitdrukking van de diepste liefde. Een liefde die kracht van eeuwigheid heeft en de zonde teniet doet, om nogmaals de tekst van Hebreeën te citeren.
Christus heeft dat offer gebracht.
Eens en voorgoed, wat tevens betekent dat er een einde is gekomen aan de oude offerpraktijken. Zo is het in de geschiedenis ook gebleken. De tempel functioneert niet meer zoals vroeger, met de offers van dieren en van bloed.
Maar dat betekent niet dat wij geen offers meer zouden hoeven brengen.
En dan zijn we weer terug bij het begin. Bij die jonge jongen die bereid is zijn leven te offeren voor het vaderland. En bij degenen die wij hebben herdacht, die hun leven gaven voor onze vrijheid of die vandaag vechten of zich inzetten voor vrede en veiligheid.
Zo extreem zal het voor de meesten van ons niet zijn, prijs je gelukkig. Maar op een bepaalde manier geldt voor ieder mens de vraag, welke offers hij of zij in het leven bereid is te brengen, en waarvoor. Geen enkel leven is zonder offers. Als je kinderen hebt, weet je daarvan. Maar ook op andere manier brengen wij offers. Zorg voor anderen. Inzet van tijd en energie en geld voor wat je belangrijk vindt. De samenleving drijft op het werk van vrijwilligers en mantelzorgers en dat kun je allemaal zien als offers die worden gebracht, al zullen de mensen die het betreft dat lang niet altijd zo beleven. ‘Ik doe het toch graag en met liefde?’ Toch komt er niet zelden ook een bepaald verantwoordelijkheidsgevoel bij kijken, dat op zich niet verkeerd is – als het allemaal maar een beetje in balans is.
Het punt is nu, dat al die ‘moderne’ vormen van offers, precies het punt laten zien wat we vandaag benadrukken. Offers komen voort uit verbond, uit verbinding, uit beleefde relaties. Je brengt een offer voor datgene of diegene met wie jij in relatie verkeert. In die relatie krijgt het offer betekenis en achtergrond. En ook dan geldt, het offer is niet een prestatie, of een tegenprestatie – het is niet geef en jij geeft mij – zulk denken verstoort juist de relatie. Nee, het offer is een uitdrukking van die relatie. Iets wat je doet uit liefdevolle verbondenheid. Niet alleen omdat het moet, maar omdat je het wilt. Ook al kost het moeite en doet het soms pijn.
Als relaties alleen gebaseerd zijn op ‘voor wat hoort wat’, dan is het geen lang leven beschoren.
Dus misschien is het niet verkeerd om jezelf die vraag te stellen: waar offer ik mij zelf voor op, waar zet ik mij voor in of geef ik mijn tijd en energie, mijn hart, aan?
De offers die je brengt laten uiteindelijk zien waar je in gelooft en wat voor jou belangrijk is, immers.
Een laatste gedachte.
In het evangelie (Joh. 14) spreekt Jezus met zijn leerlingen. Het is weergegeven als gesprekken die Hij voert vooraf aan zijn afscheid. Dat klinkt in al deze hoofdstukken door. Jezus bereidt hen voor op de tijd dat Hij niet meer bij hun is – deze tijd dus, onze tijd.
“Nog een korte tijd en jullie zien Mij niet meer, maar kort daarna zien jullie mij terug”
Jezus belooft, verzekert, dat ondanks de fysieke afstand, de verbondenheid blijft. En: “Je zult bedroefd zijn, maar je verdriet zal in vreugde veranderen”, of even verderop: “Jullie hebben nu verdriet, maar Ik zal jullie terugzien en dan zul je blij zijn en niemand zal jullie je vreugde afnemen”, en ook nog de laatste woorden: “Dan zal je vreugde volkomen zijn”.
Vreugde is het kernwoord. Met alles wat daarin meekomt.
We blijven in en door het geloof met Jezus verbonden. Het offer dat Hij met zijn leven voor ons en de hele wereld heeft gebracht, laat dat eens en voorgoed zien. Dat is een reden tot diepe vreugde. Hoe zouden wij dan achterblijven en Hem niet ons offer van dankbaarheid en toewijding bewijzen? Door vrolijk en vreugdevol te geloven, ‘de mensen niet verlaten en Gods woord zijn toegedaan’ (uit Lied 538).