Er is een oude joodse mop en die gaat ongeveer als volgt.
Mozes is de berg op om de geboden en leefregels van God in ontvangst te nemen. Als hij terugkomt bij het volk zegt hij dat hij van God 613 geboden heeft ontvangen. Waarop het volk luid begint te protesteren. Murmureren heette dat toen. ‘613 Geboden? Dat is niet te doen. Daar beginnen we niet aan. Ga maar weer naar God om verder te onderhandelen’.
Mozes gaat schoorvoetend terug. Na een tijdje komt hij opnieuw de berg af. 365 Geboden, voor elke dag één. Het volk roept opnieuw: ‘Wat had je gedacht? Dat is ook niet te doen. We pikken het niet’. Mozes voor de derde keer naar God terug, komt terug met 52 geboden, voor elke week één. Ook dat wordt niet geaccepteerd. Veel te zwaar.
Dan keert hij voor de laatste keer van God terug en zegt: ‘Dit is het eindbod. Ik heb goed nieuws en ik heb slecht nieuws. Het goede nieuws: ik heb het tot 10 geboden weten terug te brengen. Het slechte nieuws: Gij zult niet echtbreken staat er nog steeds bij’.
Jezus geeft vandaag zijn geboden en leefregels mee. We horen niet hoe de leerlingen en het overige volk daarop reageert. Zouden ze ook gezegd hebben: ‘dat is niet te doen!’?
Veel mensen zeggen dat wel over de Bergrede, want daar hebben we het over. Niet te doen. Mooie idealen, maar werkt niet in de praktijk.
Vandaag gaat het over de Bergrede. We hebben daar een kort gedeelte uit gelezen (5: 17 – 26), en het gaat nog verder, drie hoofdstukken lang bij Matteüs. Maar omdat het volgende week alweer 40dagentijd is, houdt het na deze zondag voorlopig weer op met het lezen uit de Bergrede.
Daarom wil ik een paar dingen zeggen over het geheel. Over het karakter van die Bergrede en wat wij daarmee kunnen of moeten of willen.
Het punt dat ik wil maken is kort gezegd: die Bergrede is niet te doen, en daarom moet je het juist doen. Dat klinkt tegenstrijdig, maar ik hoop uit te leggen wat ik daarmee bedoel.
Dat mopje van het begin, over Mozes die met God onderhandelt – sjachert – om het aantal geboden, is niet voor niets gekozen. Want de manier waarop hier in het evangelie Jezus zijn geboden en leefregels meegeeft, is een bewuste spiegeling van Mozes en de Tien geboden op de berg Sinaï. Matteüs kiest ervoor om de verschillende uitspraken van Jezus te groeperen. Zo is de Bergrede ontstaan, die je zo niet bij de andere evangelisten terugvindt. Jezus gaat een berg op, en ook dat is een bewuste parallel met Mozes. Zoals ook op andere manieren de vergelijking in het begin van het evangelie wordt gemaakt.
Ook naar de inhoud. Want een groot deel van Jezus’ Bergrede bestaat in een vergelijking met de Tien Geboden. Ze worden niet alle tien behandeld, maar een flink aantal wel. “Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd: Pleeg geen moord (Gij zult niet doden)… Dit zeg ik daarover…” en dan geeft Jezus er zíjn uitleg aan.
Jezus poetst de geboden van Mozes op een eigen manier op.
Vroeger werd er vertaald, Gij hebt gehoord dat gezegd is … MAAR Ik zeg u – en dat kon de verkeerde gedachte oproepen dat Jezus de oude wet van Mozes daarmee aan de kant schuift. Dat is dus een misverstand, hoewel veel gelovigen dat nog steeds zo zien. Alsof Jezus afstand neemt van Mozes, van zijn eigen traditie, van zijn joodse geloof.
Vreemd dat we dat denken, want staat er niet letterlijk, juist hier, aan het begin: ‘Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen’ en Hij voegt er aan toe, dat tot het einde ‘elke jota, elke tittel in de wet van kracht blijft’- iedere komma, iedere punt.
Jezus schaft niet af, maar Hij brengt de Wet tot vervulling. Je kunt ook zeggen, met zijn uitleg haalt hij de diepere achtergrond van de regels en geboden naar de oppervlakte. Hij radicaliseert ze. Hij legt de wortel bloot.
Als het gebod luidt: Pleeg geen moord (Gij zult niet doden), zegt Jezus dat als je boos bent op een ander en hem of haar uitscheldt, je al de mist ingaat. Dan kun je met goed fatsoen niet naar de kerk gaan, een offer brengen. Ga je eerst met die ander verzoenen en kom daarna je offer brengen.
En we hebben vanmorgen alleen dit voorbeeld gehoord, maar als we even verder zouden lezen dan gaat het over het gebod: Pleeg geen overspel (Gij zult niet echtbreken) – het ‘slechte nieuws’ van dat mopje.
Als je alleen al met verlangen kijkt naar een andere vrouw (of man), dan heb je in je hart al overspel gespeeld, zegt Jezus. En Hij zegt er nog achteraan: als je rechteroog je in verleiding brengt, ruk het uit; als je rechterhand je tot zonde verleidt, hak hem af.
Serieus?
Dat is toch niet te doen. Met recht.
Iemand die je beledigt en op de rechterwang slaat, ook de linker wang toekeren?
Iemand die een trui van je steelt, ook je jas geven?
Je naaste liefhebben, OK. Maar je vijand liefhebben en bidden voor je vervolgers?
Er is al een lange traditie waarin de geboden en leefregels van de Bergrede worden gerelativeerd. Want als je dat letterlijk moet nemen, dan is er toch geen mens die daar aan kan voldoen?
Natuurlijk zit er overdrijving in de woorden van Jezus, dat doet Hij vaker. Hij zet het extra aan om des te sterker zijn punt te maken. Als het gaat over uit uitrukken van je oog, of het afhakken van je hand, of over een kameel door het oog van de naald, dan zijn dat hyperbolen. Overdrijving als stijlmiddel.
Maar toch, de boodschap blijft daarmee nog wel staan. Je moet meer doen dat het gewone. De wet vervullen, leven naar Gods gebod, is een stapje meer zetten dan je geneigd of gewend bent. Het is de tweede mijl gaan (5: 41).
Dat is niet te doen voor gewone mensen, zeggen wij dan. Daarom is in de traditie een onderscheid gemaakt. De hoge idealen van de Bergrede, dat is voor de geestelijke stand, meer speciaal voor de monniken en de zusters, voor de kloosterlingen. Zij bidden voor de wereld en voor ons. Zij leven het voorbeeldige leven, dat ook aan gewone gelovigen ten goede komt. Zij doen voor ons waar wij niet aan toekomen.
In onze protestantse traditie werd dat wat moeilijk.
Maar het idee is hardnekkig, dat het ideaal van de Bergrede iets is voor bijzonder begaafde geesten, of dat het een ideaal formuleert dat pas aan het einde van de geschiedenis, als alles is vervuld, werkelijkheid wordt.
Hoe dan ook, allemaal manieren om onder de harde eisen van Jezus uit te komen. Zo lijkt het.
Toen ik op de middelbare school zat, had je Willem Aantjes met zijn befaamde rede Niet bij brood alleen. Hij wilde het CDA, dat toen in oprichting was, op het spoor van de Bergrede zetten. Velen van u hebben dat ook meegemaakt. Op mij maakte het toen, in de leeftijd dat je in ontwikkeling bent, grote indruk. Maar het is er niet echt van gekomen.
De Bergrede en de politiek, ook zo’n thema. Waarvan al gauw wordt gezegd, met de Bergrede kun je geen politiek bedrijven. Ja, wel getuigenispolitiek, maar geen politiek waarin je ook vuile handen moet maken om werkelijk iets te bereiken.
Ik laat dat verder maar rusten, maar u voelt wel aan waar de spanningen liggen.
Is het ‘niet te doen’ en doen we het daarom maar niet, of halfslachtig, of met een kwaad geweten? Of is er nog een andere optie?
Ik zou zeggen: omdat het niet te doen, moeten we het juist doen.
Dat klinkt niet alleen paradoxaal, dat is het ook, maar dat is de bedoeling.
Omdat het niet te doen is, is het te doen. Wat betekent dat dan?
De woorden van Jezus, hier de geboden en leefregels van Wet en Profeten, de grote woorden van God, de droom van het Koninkrijk, dat alles met elkaar: het zijn woorden die je blijven prikkelen en uitdagen. Het is een werkelijkheid waar je naar blijft reiken en die tegelijkertijd buiten bereik blijft. Ons altijd voor. Ons altijd vooruit.
Maar dat is het gelovige leven. Niet het bezit, maar het verlangen, dat ons drijft. Dat ons aanspoort, altijd een extra stap te zetten, een been bij te trekken, je nooit te koesteren in een zelfverklaard eigen gelijk of je geweten laten sussen. Nee, geloven is de onrust levend houden, geen genoegen nemen met hoe het nu is, of dat er niet meer in zit, of weet ik wat. Het is je niet gewonnen geven aan de feiten, maar blijven geloven, hopen, streven, werken, verlangen naar dat geheelde leven, naar de vervulling die ons is beloofd. En dan kan er altijd meer dan je voor mogelijk had gehouden.
Met de woorden van Jezus ben ik nooit klaar.
Ik kan nooit zeggen: dat heb ik nu achter mij, of onder de knie.
Het woord van Jezus blijft mij uitdagen. Blijft mijn geweten aanspreken. Dat is niet altijd prettig, maar ik zou het niet willen en niet kunnen missen.
Daar ergens zit het volgens mij.
Niet om er zo onder gebukt te gaan, dat je te klein van jezelf gaat denken en het er maar bij laat zitten. Dat kan nooit de bedoeling zijn. Jezus spreekt ons aan, niet om ons te kleineren, maar om het beste in jou naar boven te halen. Daarbij komt: Hij zelf maakt zijn woorden waar. Hij is zelf de vervulling van Wet en Profeten. Dat is waar het de komende weken over zal gaan.
De mensen toen, hadden dat al door. Aan het einde staat dat ze diep onder de indruk waren. Hij spreekt woorden met gezag, met gewicht. Hij is wat Hij zegt en Hij doet wat Hij verkondigt.
Niet te doen, zegt u?