Preken

Nachtdienst, Mat. 14: 22 – 33

In mijn studententijd had ik in de zomer een vakantiebaan in de ENKA-fabriek in Emmen. Ploegendienst op een productieafdeling. Dat heb ik een aantal jaren een paar weken achter elkaar gedaan. Ik heb daar veel geleerd, wat je op de universiteit niet leert.
Een bijzondere ervaring was het werken in de nachtdienst. Dan is de sfeer in zo’n ploeg anders, zeker als je een aantal nachten hebt gedraaid en vooral als het wat later wordt. Je werkte van tien uur ’s avonds tot 6 uur de andere morgen. Zo rond drie, vier uur in de nacht, werd het steeds stiller in het schafthok. Het is een paar keer gebeurd dat juist rond die tijd, je een wat vertrouwelijker gesprek kreeg. In de ogen van de vaste krachten was ik natuurlijk maar een raar studentje, die ook nog eens voor dominee leerde. Je werd getolereerd, in het begin een paar keer uitgetest, maar in een paar van die nachtdiensten kwam het opeens tot een ander contact, was er meer openheid, werden stoere kerels kwetsbaar…?!

PRINTVERSIE

De discipelen zijn op het meer. Het is nacht. Duisternis rondom. Ze hebben ook nog eens tegenwind. Ze zitten lelijk in het schip.
Aan het einde van de nachtdienst komt er iemand op hen toe, lopend over het water. Een spookverschijning? De angst slaat om hun hart.
Maar het is Jezus, die hen geruststelt: Wees niet bang, ik ben het.

Iemand zei, dat van alle verhalen in het evangelie, dit verhaal misschien wel het beste duidelijk maakt wat geloven eigenlijk is. Geloven is vertrouwen. Geloven is, de angst overwinnen en je aan Jezus, aan de goede krachten, geloven is jezelf aan het leven toevertrouwen.

Ik wil proberen om dat aan de hand van dit verhaal te verdiepen.

Wie de moeite neemt om de vergelijking te maken met het verhaal zoals het bij Marcus wordt verteld, merkt dat Matteüs twee verhalen in elkaar heeft geschoven. Aan het verhaal van Jezus die over het water naar de boot van de discipelen toekomt, ze geruststelt en de wind tot bedaren brengt, voegt Matteüs de scene met Petrus toe. Petrus die de boot uitstapt, ook over het water loopt, maar dan bang wordt, dreigt te zinken en door Jezus wordt vastgegrepen.
Nu staat Petrus in het evangelie bijna altijd ook model voor de gemeente, voor de kerk. Zijn halfslachtigheid, zijn heen en weer tussen vertrouwen en angst, is als het ware een spiegel voor hoe wij zelf zijn, als gemeente maar ook als individuele gelovigen, of twijfelaars, of zoekers. Het ene moment vol enthousiasme en innerlijke overtuiging – je stapt uit de boot het water op; het volgende moment – “toen hij voelde hoe sterk de wind was, werd hij bang” – onzeker en bezorgd en onder de indruk van de uiterlijke omstandigheden.

Door die invoeging, komen wij ook in het verhaal voor. Wij zijn als die leerlingen in de boot. Wij zijn als Petrus, heen en weer geslingerd tussen geloof en ongeloof, vertrouwen en angst. “Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?”

Ja, waarom hebben wij getwijfeld?
Nou … eerlijk gezegd, zijn daar wel redenen voor.
Mooi hoor, die verhalen van Jezus. Maar zou dat nou allemaal waar zijn? Moet je dat als modern mens accepteren, een mens die over het water loopt? Is geloof voor waar houden wat in het gewone, dagelijkse leven onmogelijk is?
En dan: zo lang geleden. Wat boeit ons dat nu? Wij hebben toch heel andere problemen aan het hoofd. Jezus is een schim uit het verleden. Een spook?
Kleingelovigen? Ja, Petrus wordt bij de hand gegrepen en uit het water gehaald. Maar wij hebben onze problemen en tegenslagen en waar is nu die hand die ons vastgrijpt en uit de penarie haalt? Je kunt je soms zo eenzaam voelen met je verdriet, zo onbegrepen met je diepste gedachten.

Dat zijn allemaal reële bezwaren en u kunt ze vast met uw eigen ervaringen inkleuren. Geloven is nooit vanzelfsprekend.
Voor de meesten van ons zal gelden, dat het ons is aangeleerd, dat je het van huis uit hebt meegekregen, en dan zit je in het schip. Maar voor iedereen geldt ook, dat er een moment komt, waarop al dat aangeleerde van je afvalt en je er zelf voor staat. Geloven is ook een keuze, een keuze maken. Uit de boot stappen!

In die ingelaste scene, met Petrus die uit de boot het water op stapt en door Jezus wordt gered, zit een detail, waar ik graag nog even bij stil sta.
Tegen het einde van de nacht, komt Jezus over het water aan. De leerlingen raken in paniek, maar Jezus stelt hen gerust: “Blijf kalm! Ik ben het, wees niet bang!”
Petrus wil naar hem toe. Maar er staat niet, dat hij meteen over de reling klimt, het water op.
Er staat, dat hij zegt: “Heer, als u het bent, zeg me dan dat ik over het water naar u toe moet komen.”
Dat is raar.
Want hiervoor heeft Jezus nota bene met nadruk gezegd: wees niet bang, IK ben het.
Petrus vraagt opnieuw een bevestiging? Is hij toch niet zeker van zijn zaak?
Op de vraag van Petrus, is het antwoord van Jezus één woord: Kom!
Ook dat is opmerkelijk. Jezus zegt niet, breng jezelf niet in gevaar, blijf in de boot. Hij zegt niet, je hoeft niet te komen, ik ben immers al onderweg naar jullie.
Dat mag allemaal zo zijn, maar toch zegt Hij heel eenvoudig maar beslist: Kom!

Petrus moet komen. Wij, ik, wij moeten komen.
Het Kom! van Jezus, staat hier niet zomaar. Het is door het hele evangelie heen de beslissende oproep die op belangrijke momenten telkens weer klinkt. Kom, zegt Jezus, aan het begin tegen Simon en Andreas. Kom, volg mij (4: 19). En ze lieten alles achter en volgden hem.
Kom, zegt Jezus, Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven (11: 28).
Zo ook hier, Kom!

In een preek van Albert Schweitzer over dit gedeelte, zegt hij dat het in “onze twijfelzuchtige en onverschillige tijd” niet eenvoudig is om predikant te zijn. (Dat gaat dus over meer dan 100 jaar geleden!) Je wilt de mensen zo graag iets geven, hun Jezus brengen, maar het lukt niet.
Maar, zegt hij dan, en hij corrigeert zichzelf, onze taak is heel anders. Niet om Jezus te brengen, maar om Jezus’ eigen oproep te prediken: Kom! Blijf niet staan, maar gaat op hem toe.

Dat Kom! is van belang. Het is de eigen beslissing, de eigen keuze, die niemand anders voor jou kan maken, de stap die je zelf moet zetten. En als je die stap zet, dan zal je Hem vinden. Dan weet Hij jou te vinden. Want als je mocht twijfelen, dan zal Hij je hand grijpen en je redden uit het water van de dood, in de nacht van de twijfel, bij alle tegenwind van je ongeluk.

Want dat is geloven, de angst overwinnen, je toe vertrouwen aan Hem die roept; het leven kiezen, en niet de dood – gesymboliseerd in dat water, de wind en de duisternis. Als je daar teveel op let, zoals Petrus, als we teveel gefixeerd zijn op onze problemen, gaan we kopje onder. Maar zover laat Hij het niet komen. “Jezus strekte zijn hand en greep hem vast.”

We zijn gewend om dit wonderverhalen te noemen. Maar dan moet je wel goed begrijpen wat nu eigenlijk het wonder is. Dat is niet in de eerste plaats, dat Jezus over het water loopt. Het echte wonder is, dat wij over het water kunnen lopen; dat wij onze angsten kunnen overwinnen en onze twijfels achter ons kunnen laten. Het wonder is dat wij mensen kunnen worden, die zich ondanks alles aan het leven durven toevertrouwen.

AMEN

Previous Post Next Post

No Comments

Leave a Reply