Als ik u vraag hoeveel leerlingen heeft Jezus, dan zegt u: 12. Dat is niet zo moeilijk. Maar als ik vraag wie waren dat dan, dan wordt het al wat moeilijker. Ja, Simon en Andreas, en Jakobus en Johannes – die namen hoorden we net noemen. Maar wie nog meer? O ja, er is natuurlijk nog Judas, die Jezus later zal verraden en er is de ongelovige Tomas. Maar verder.
Even verderop in het evangelie (10:2v) worden weliswaar 12 namen genoemd.
Maar in het evangelie van Johannes is er sprake van een leerling (Natanaël), die bij de anderen ontbreekt. Ook is het zo dat sommigen uit die lijst van 12 verder in het evangelie niet voorkomen. Er zijn 12 leerlingen, maar er wordt ook verteld dat Jezus op een gegeven moment 72 leerlingen uitzendt. En op de dag van Pinksteren is er sprake van een groep van 120 leerlingen die verzameld zijn. Dus ja, hoe zit het precies?
Nu kun je zeggen, dat is niet het belangrijkste. Belangrijk is dát Jezus leerlingen om zich heen verzamelt. En die twaalf, dat begrijpen we ook, die staan symbolisch, voor de 12 stammen van het volk Israël. Dat laat zien dat Jezus er voor het hele volk is, dat hij als het ware het oude Israël herstelt, nieuw leven inblaast.
Dat is zeker zo. Daarom is er in het evangelie dikwijls sprake van ‘de twaalf’, om de groep van leerlingen rondom Jezus aan te duiden. Het gaat niet om de individuele namen, maar om de groep van 12.
Zoals rondtrekkende rabbi’s in die tijd leerlingen om zich heen verzamelen, en zoals de filosofen in het oude Griekenland dat deden, zo heeft Jezus zíjn volgelingen.
En waren dat nu alleen maar 12 mannen?
Nee toch.
Al in het verhaal zelf wordt herhaaldelijk vermeld dat er allerlei volk met hem meetrok (4: 25), dat er vrouwen meededen in de Jezusbeweging. Zij zijn het nota bene die de eerste getuigen van de Opstanding met Pasen zijn. En in de vroege kerk deden vrouwen net zo goed mee als de mannen – al is dat later geprobeerd wat weg te moffelen uit de tekst – maar vanaf het begin zijn vrouwen voor Jezus gelijkwaardig.
Hoe dan ook.
Vandaag horen we, in deze tijd van Epifanie, hoe Jezus zich gaat manifesteren onder de mensen. Hoe hij, al aan het begin, mensen roept om met Hem mee te gaan. Het begin van Jezus’ verkondiging gaat gepaard met de roeping van de eerste discipelen. Vissers langs het meer, worden vissers van mensen.
En hoe beeldend het verhaal ook wordt verteld, om misschien wel juist daardoor, je verbaast je er telkens over. Hoe ze, ‘zomaar zonder vragen hun netten verlaten’. Hoe ze alles uit hun handen laten vallen en met Jezus meegaan. En je vraagt je af, hoe kan dat? Of, hoe zou ik reageren in die situatie? Wat kun je daar eigenlijk over zeggen…
Vandaag wil ik het verhaal van de andere kant benaderen. Niet zoals je zou denken, vanuit de kant van de leerlingen – ook al is dat natuurlijk belangrijk. Maar vanuit de kant van Jezus. Dat is wat hachelijk, uiteraard, want wat kun je dáár eigenlijk over zeggen…? Toch loont het misschien om het bekende verhaal eens anders te bekijken.
Want waaróm roept Jezus leerlingen?
Is dat voor de gezelligheid? Alleen is ook maar alleen.
Of heeft Jezus die leerlingen nodig? Kan hij het niet alleen af…
Hiervoor is verteld hoe Jezus alleen in de woestijn was, waar Hij door de duivel op de proef werd gesteld. Dat ging hem toch goed af? Jezus kan zichzelf wel redden, zou je denken, Of?
Het is iets wonderlijks, als je er wat langer bij stilstaat.
Jezus roept leerlingen om met hem mee te gaan. Maar even dikwijls in het evangelie lijkt Hij er meer last dan gemak van te hebben. Dan begrijpen de leerlingen het niet. Dat windt Jezus zich op over hun onbegrip of hun kleingeloof. Soms zelfs staan die leerlingen hem in de weg, verhinderen ze de kinderen om bij hem te komen, bijvoorbeeld. Of denk aan de confrontatie met Petrus (Ga weg, achter mij, Satan), of bakkeleien ze over de ereplaatsen in de hemel. Begrijpen ze er niets van. Op het beslissende moment laten de leerlingen Hem zelfs in de steek, liggen ze te slapen in de Hof van Getsemané, vluchten ze weg als Jezus gevangen wordt genomen en zo voort.
De leerlingen, de twaalf, ze worden in het evangelie vaak getekend als een blok aan het been, meer dan als vrienden waar je op kunt bouwen, als Jezus zijnde.
Waarom zou Jezus niet gedacht hebben: ik kan het beter alleen doen. Zoals je zelf misschien ook wel eens denkt, als je samen moet werken in een team met een paar lastige collega’s, of in een werkgroep waar altijd wel iemand dwars ligt, of in een vereniging van eigenaren, of weet ik wat: ik kan het beter alleen doen, dat gaat nog sneller ook.
Dát Jezus mensen roept, is een van die wonderlijke dingen die we vaak voor lief nemen, als vanzelfsprekend. Maar dat is het niet. Het heeft iets te zeggen.
Dat Jezus niet alleen wil gaan, maar medestanders erbij betrekt, zegt misschien ook dat hij dat nodig heeft. Hij kan het misschien wel, maar wil het niet alleen. Dat hij uiteindelijk alleen op het kruis komt – dat hij ervaart dat zelfs God zelf hem dan heeft verlaten – is de grootste crisis uit zijn leven. Omdat, wat dat kruis ook allemaal betekent, tenminste ook dit: dat de verlatenheid de dood is. Dat geen mens kan leven, zonder verbinding, zonder gemeenschap, zonder liefde en wederliefde, zonder erkenning en aanvaarding van anderen. De verlatenheid is een vloek. Die heeft Hij gedragen, maar ook overwonnen.
Zover zijn we nog niet. We staan hier met Jezus aan het begin. We staan altijd aan het begin.
En vanaf het begin, roept Jezus mensen om mee te gaan. De twaalf, jazeker, en al die anderen, vrouwen en mannen en kinderen, die vooral.
Jezus roept mensen, zoals God de mens roept, aanspreekt. Hij kan het en wil het niet alleen. Zijn schepping is onaf, zonder menselijk antwoord, weerwoord, zonder menselijke medewerking. Dat betekent die roeping van de leerling ook.
Het is niet een detail dat wat levendigheid toevoegt aan het verhaal, leuk voor het plaatje, voor de gezelligheid of zo – nee het is levensnoodzakelijk. Zonder geroepen mensen, zonder mensen die meegaan en mee gaan doen, zou het hele verhaal doodlopen.
Jezus moet ons erbij hebben.
Iets van die wonderlijke, innerlijke drang, zit onder het verhaal verborgen. In dat machtswoord dat kennelijk zo overtuigend is, zonder argumenten, zonder redeneringen, zonder vraag of antwoord, dat die eerste vissers zo maar mee zijn gegaan. En als je het hun zou vragen, waarom, dan kunnen er misschien niet eens een goed antwoord op geven. Wat kun je daar eigenlijk over zeggen? Of misschien is het antwoord op de vraag ‘waarom’ eenvoudigweg: ‘waarom niet’?
In het evangelie van Johannes, als mensen zich van Jezus beginnen af te keren, stelt Jezus de leerlingen de vraag: willen jullie ook niet weggaan? Een beetje zoals iemand dat kan vragen in een onzekere relatie. En dan zegt Simon: tot wie zouden wij anders gaan? U spreekt immers woorden van eeuwig leven (Joh. 6: 68).
Wij kunnen niet zonder die woorden van eeuwig leven, de belofte, de hoop, die in en door het leven van Jezus wordt belichaamd. We kunnen toch niet zonder die droom van het Koninkrijk, vrede, recht, heelheid ooit. Daarom zijn we zijn leerlingen, volgelingen, toch?
Ik eindig met een gedicht van Coert Poort, u kent het vast wel. Het is ontstaan in de christelijke vredesbeweging. Het ademt voor mij de geest van Jezus zelf, de Pax Christi.
Mensen gevraagd
Mensen gevraagd om de vrede te leren
waar geweld door de eeuwen model heeft gestaan
Mensen gevraagd die de wegen markeren
waarop alles wat leven heeft verder kan gaan
Mensen gevraagd om de noodklok te luiden
en om tegen de waanzin de straat op te gaan
mensen gevraagd om de tekens te duiden
die alleen nog moedwillig zijn mis te verstaan
Mensen gevraagd om hun nek uit te steken
voor een andere tijd en een nieuwe moraal
mensen om ijzer met handen te breken
ook al lijkt het ondoenlijk en paradoxaal
Mensen gevraagd die in naam van de vrede
voor behoud van de aarde en al wat daar leeft
wapens ook zelf tot een ploeg willen smeden
voor een oogst die aan allen weer overvloed geeft
Mensen gevraagd! Er worden mensen gevraagd
dringend mensen gevraagd!
mensen te midden van mensen gevraagd!