Matteüs 25: 31 – 46

Het laatste oordeel heeft altijd tot de verbeelding gesproken. Er zijn de schilderijen uit de traditie, waarin het plastisch wordt uitgebeeld. De heerlijkheid van de hemelse zaligheid, maar veel interessanter zijn de verschrikkingen van de hel. De hel spreekt immers nog meer tot de verbeelding. Zoals de meeste lezers van Dante’s Goddelijke Komedie in de hel blijven steken. In onze tijd wordt het thema van het laatste oordeel soms verbeeld in rampenfilms – Amerikaans spektakel.

autun
autun

In de middeleeuwen komt het beeld van het laatste oordeel veelvuldig voor. Bekend zijn de in steen gehouwen afbeeldingen boven de deuren van menige kathedraal: de tronende Christus in het midden; rechts van hem de rechtvaardigen die naar de hemel gaan; links de onrechtvaardigen die branden in de hel. Het lijkt regelrecht vandaan te komen uit het evangelie dat we vandaag overdenken. De Mensenzoon die komt ‘omstraald door luister en in gezelschap van alle engelen’ en die ‘plaatsneemt op zijn glorierijke troon’ en vervolgens de mensen scheidt ‘zoals een herder de schapen van de bokken’.

Men zegt wel eens dat dit soort afbeeldingen bedoeld waren om mensen angst aan te jagen. Om ze flink de ernst van het leven in te peperen. Als ze de kerk binnengingen, dan moesten ze hier onder door. Als je de kerk uitgaat, dan laat je dat dus achter je…?
Angst voor het laatste oordeel. Is dat nu nog zo? Of hebben we dat misschien ooit wel gekend, ligt er een beetje aan hoe en waar je bent opgevoed; maar is dat iets wat we nu achter ons hebben gelaten? Of kom je er nooit meer van af?

Geloof en angst gaan niet samen. Als er iets is wat uit den boze is, dan is het om mensen tot geloof te bewegen door ze angst aan te jagen. Hoe vaak dat misschien ook gebeurt of gebeurd is, dat is niet goed.
Ik kan dan ook moeilijk geloven dat de gelijkenis, want dat is het, die in Matteüs staat opgetekend, bedoeld is om mensen angst aan te jagen. Als je het nog eens rustig op je in laat werken, is dat ook niet de sfeer die het oproept. Eerder een soort verwondering. Verwondering over het criterium dat hier wordt aangelegd. Verwondering over het feit dat zowel de goeden als degenen die in gebreke zijn gebleven, zelf niet beseffen wat ze al of niet goed of fout hebben gedaan.

Het is dus een gelijkenis. Een verhaal dat in beelden iets tracht te verhelderen wat aan onze verbeelding ontsnapt. Dus moeten we niet de fout maken de beelden voor de werkelijkheid te houden, al te letterlijk te nemen.
Het is een gelijkenis, zoals dit hele evangeliehoofdstuk uit gelijkenissen bestaat. Die van de vijf dwaze en de vijf wijze meisjes, die van de talenten en nu hier, die van de scheiding. Je zou kunnen zeggen dat in elk van de drie het om een beslissing gaat.

De gelijkenis ontrolt zich vervolgens volledig symmetrisch. Eerst worden de mensen aan de rechterkant toegesproken. In de bijbel is de rechterkant altijd de goede kant. De linkerkant de verkeerde. Ik denk niet dat je dat rechtstreeks naar onze politiek kunt vertalen, maar in de bijbel is dat dus zo. Links – sinister in het Latijn – daar moet je voor oppassen.

De beide groepen – zwart-wit – worden op precies dezelfde manier toegesproken.
‘Ik had honger en jullie gaven mij te eten; ik had dorst en jullie gaven mij te drinken’, enzovoort. En beide groepen antwoorden op precies dezelfde verbaasde toon. ‘Maar wanneer hebben wij u hongerig gezien of dorstig, als vreemdeling of naakt’, enzovoort. En ook het antwoord dat vervolgens wordt gegeven, is gelijk: ‘Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan’.

fragmentHet verrassende criterium dat in deze gelijkenis wordt gehanteerd, is dus dat wat je voor andere mensen, voor een medemens in nood hebt gedaan. Geheel verrassend is het niet, als je het geheel van het Matteüs-evangelie erbij betrekt, want steeds is daarin de verbindende boodschap dat het geloof blijkt uit de daden. Dat is dus het criterium dat in deze gelijkenis helder wordt uitgewerkt.

Ik weet wel, er zal vast nog wel een ander oordeel zijn, waarin je gevraagd wordt of je wel netjes naar de kerk bent geweest, of je wel je catechismuslesjes hebt geleerd en je kerkelijke bijdrage hebt betaal, en of je wel je buurman in de nacht voor zijn overlijden over Jezus hebt verteld, maar hier gaat het dus anders. In deze gelijkenis is beslissend, dat wat je voor de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters hebt gedaan. Beslissend zijn de daden van menslievendheid, de daden van humaniteit.

Het zijn de zogenaamde liefdeswerken, de hongerigen voeden, de dorstigen laven, de vreemdeling huisvesten, de naakten kleden, de zieken en de gevangen bezoeken. Als opsomming van liefdeswerken komen ze ook in het Jodendom van die tijd voor. Je zou zeggen: het is algemeen menselijk. Daden van compassie. Het is wat uiteindelijk werkelijk van belang is in het leven en samenleven van mensen.
De traditie heeft aan de zes hier genoemde activiteiten een zevende toegevoegd: het begraven van de overledenen. Samen vormen ze de zeven werken van barmhartigheid.

Nu is er iets in het verhaal, dat opmerkelijk is. We noemden het al even. Zowel de goeden als de slechten, degenen die wel hebben gehandeld als degenen die dat hebben nagelaten, zijn zich van geen kwaad (of goed) bewust. Wat betekent dat?
Naar mijn idee wordt daarmee een al te moralistische uitleg ondervangen. Dit soort teksten kan gemakkelijk zo werken, dat je een moralistisch lesje krijgt over wat je allemaal aan goede dingen moet doen. Sommigen worden daar enthousiast van: aan de slag; maar anderen gaan er onder gebukt. Want waar is het einde en wanneer heb je genoeg gedaan? Maar dit element in de gelijkenis behoedt ons er voor om moralistisch met het opgeheven vingertje gaan zwaaien.

In de gelijkenis weten de mensen eigenlijk niet wat ze doen. Dat betekent, dat wat ze doen, doen ze vanuit een soort onbewuste impuls. Ze doen het niet ergens om. Niet om in een goed blaadje te komen. Niet om de hemel te verdienen. Niet uit angst voor het oordeel. Nee, ze handelen vanuit een spontane neiging, een oorspronkelijke bron.
En het verschil is dan, tussen degenen die zo doen en degene die dat nalaten. Ook de onrechtvaardigen zijn verbaasd. Dat laat al zien dat het geen slechte mensen zijn, want slechte mensen weten wel dat ze verkeerd zitten. Ze zijn oprecht verbaasd, maar ontdekken – te laat – dat hun gebrek hun passiviteit is geweest.

Geloof wordt pas vruchtbaar als je er iets mee doet, als het handen en voeten krijgt. Hoe, dat is in elke situatie weer opnieuw te bepalen. De gelijkenis wijst een richting. De richting van het humane, van dat wat ieder mens voor een ander zou kunnen betekenen. Van dat wat jij graag zou willen dat anderen voor jou betekenen. De richting van de menselijkheid die we allemaal met elkaar gemeen hebben en waar je zelfs niet christelijk voor hoeft te zijn.

Aan het slot nog twee opmerkingen:
De eerste is dat we het verhaal concreet hebben gelezen. Maar het gaat om heel gewone, dagelijkse dingen: dat wat je doet voor een medemens in nood. Nood die materieel is, elementair: brood, water, kleding, onderdak.
Maar zoals altijd zitten er in zo’n Bijbelverhaal meerdere lagen. Naast het materiële is er ook het spirituele niveau. En dan keren al die werken van barmhartigheid op een andere manier terug. Brood, dat is ook: datgene waar je van leeft. Een mens leeft niet van brood alleen; voedsel voor de ziel.
De dorstige te drinken geven, dat is ook: water putten uit de levensbron. Waar put je uit? Wat lest jouw dorst? Waar vind je levend water, begrijpt u wel.
Zoals brood en wijn, meer betekenen dan alleen voedsel voor onderweg.

Zo geldt het ook voor de overige zaken die hier worden genoemd.
Je kunt naakt in de wereld staan. Zonder bescherming. Blootgesteld. Waar vind je beschutting? Waarmee kun je je kleden? Wat geeft warmte en wat geeft bescherming?
De vreemdeling huisvesten. Mensen worden in de bijbel vreemdelingen en bijwoners genoemd. Wie kan zeggen dat hij werkelijk thuis is? Wie kan claimen dat dit stukje aarde hem alleen toebehoort?
Zieken bezoeken. De ziekte van deze tijd is dat we lijden aan een gebrek aan ziel, zei iemand laatst. We zitten gevangen in allerlei dwangbeelden, in allerlei verkeerde opvattingen.
Ik hoef denk ik niet door te gaan. U voelt wel aan hoe zo’n meer spirituele lezing van hetzelfde verhaal andere dimensies bloot kan leggen. Bijbelverhalen zijn altijd meerdimensionaal. paaskerk

De tweede en laatste opmerking, brengt ons weer terug bij de gelijkenis. Het gaat om het toekomstig oordeel, maar dat is ook dus, het gaat over ons leven en samenleven hier en nu. Over wat er toe doet, en waar het eigenlijk op aan komt.
Hoe Gods liefde zichtbaar kan worden in en door ons heen.
De boodschap is dat de Mensenzoon zijn plaats heeft midden tussen de behoeftigen, de onaanzienlijksten van mijn broeders en zusters. Het is een essentiële notie uit het christelijk geloof, dat Gods goedheid onder ons is, in de gestalte van mijn medemens, mijn evenmens, die mij vraagt om mijn aandacht, mijn zorg, mijn attentie. De ander die mij appelleert, die mij onderbreekt, die een beroep doet, is, op mijn inzet voor gerechtigheid en wederkerigheid.
Zo en niet anders is Christus onder ons, zolang wij voor elkaar bestaan. AMEN

View Comments (3)
  1. Zomaar een reactie. Een stukje brood. Angst is een slechte raadgever en berust op onvolkomenheden van de mens uit zwakheid. U haalt dingen door elkaar en daardoor wordt het een warrige zelf zoek-overdenkingstocht die zodoende nooit voor mensen een leidraad tot (eeuwig) leven kan vormen. Het oordeel is over de goeden en slechten, de rechtvaardigen en onrechtvaardigen, de wijzen en de dwazen, de gelovigen en de heidenen. Hierin zit al het verschil tussen wie niet en wie wel. Alleen God beslist hierover. Waarom hierover door zeuren. Een rechtvaardige gaat in en uit en (onder)doorloopt dan het oordeel boven de deur. De dwazen vergeten de menselijke diepgang en kunnen dus geen olie meer laden, alleen maar kopen. Wie voor geld en status gaat, moet in “die maatschappij” olie kopen maar de hemeldeur, kent de zakenwereld niet die en zodoende ook de lamp niet die door gekochte olie brand. God is positief op de bodem van ieder schaapje. Een vreemdeling ben ik voor U, terwijl U iets in deze boodschap kunt herkennen. Een vluchteling die geen echt vluchteling is, is als een dief en geen schaapje. Geeft aan een schaap en niet automatisch omdat het mode is, aan een bedrieger. Het gaat altijd om de mens, niet om een status van vluchteling zodat die mens voordelen krijgt die hem niet horen toe te komen. Het kan een profiteur zijn. De echte vluchteling gaat door en de bedrieger blijft achter, als het zover is. Maak U daarom geen zorgen want kunt U met uw gepieker iets aan de situatie veranderen. Dan hadden ze maar niet moeten komen en het verstand gebruiken in plaats van rijkdom en welvaart na te jagen.Valse vluchtelingen zijn dit. Een echt schaapje is het meisje of jongen bij U in de straat die compleet de weg kwijt is. Hij of zij is een vreemde die vervreemd is van wat goed en kwaad is omdat hij of zij met de meute mee gaat op de brede weg. Levend water is de mens die levend water is en dit kun je op allerlei manieren dagelijks tegenkomen. Elke dag ervaart een Christen misschien wel iets in het leven anders was hij of zij dood! De barmhartigheid is als het einde nadert en geeft te kennen, dat wie een zacht hart heeft dit kan tonen, als het zijn of haar pad kruist, of dat hij of zij doorloopt! De één gaat door en de ander die doorloopt gaat werkelijke niet door!
    Dit is puur een overdenking van mij op uw blog. Ik hoef geen reactie of communicatie hierover want heb hier geen zin in. Het is uw werk en daarom bemoei me niet met uw zaken als dominee.
    Geert

  2. Ronald Sempel

    Dag, het is dus niet: “voor een medemens in nood” maar er staat duidelijk “wat je voor deze minste van mijn broeders” en als Jezus het over broeders heeft bedoelt hij ook broeders (en zusters) dus mensen die in Hem geloven. Was gelijk 1 ding wat me opviel waardoor de rest ook scheef gaat mi. Wat ik ook met deze tekst zie, is dat er diverse uitleggingen zijn, de meest oppervlakkige is wel van dat je goed moet doen aan hongerigen etc. Maar ik neem aan dat je het met me eens bent dat met broeders in de context zeker niet in zijn algemeenheid de medemens kan worden bedoeld anders moet je geloven dat vladimir poetin ook de broeder is van jezus. Er is een duidelijk verschil tussen “mijn broeder” en “mijn naaste”. Ook geeft jezus zelf aan oa dat wie is mijn broeder en wie is mijn moeder dan wie doet de wil des heren. Graag zie ik uw gemotiveerde reactie tegemoet als ik in deze verkeerd zit en bij voorbaat dank daarvoor. Het gaat immers om de juiste uitleg van een tekst dat we komen tot een goede lezing.

  3. Beste Ronald Sempel,
    Het lange antwoord zou een herhaling van mijn preek zijn. Het korte antwoord is, dat je hier m.i. niet verengd moet lezen, alsof broeders (en zusters)zich zou beperken tot de leden van de christelijke gemeente of degene die in Jezus geloven, of zoiets. Daar is in de tekst geen sprake van. Het gaat hier over het ‘oordeel’ waarvoor ‘alle volken’ worden samengebracht – vers 32. Dit gaat over het criterium waarmee dus iedereen wordt gemeten: heb je je ontfermd over je medemens in nood? Want wie dat doet, dient daarmee Hem die broeder wil genoemd worden van alle mensen, zonder onderscheid.
    De NBV 21 vertaalt daarom ‘adelphoi’ ook met ‘deze geringste mensen’.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *