Kerkblad, Prot.Gem.Assen, 2 december 2010, 19ejg/nr. 23
De echte aanleiding wordt niet met name genoemd. Maar het is natuurlijk dankzij ds. Klaas Hendrikse dat de landelijke vergadering van de PKN zich onlangs boog over de notitie Spreken over God. Toen de tuchtprocedure werd afgebroken, was dit de oplossing: er zou een notitie komen over wat wel en niet gezegd kan worden over God. Zoals te verwachten, ademt het stuk dan ook aan alle kanten de geur van een goed kerkelijk compromis.
De notitie is bedoeld als pastorale handreiking, om het gesprek over God en over ieders ervaringen met God, in plaatselijke gemeenten te bevorderen. Tegelijk wil het ook het spreken over God toespitsen op het belijdend spreken, zodat duidelijk wordt wat er in de PKN geloofd wordt ten aanzien van God.
Daardoor hinkt de notitie op twee gedachten.
In de eerste, de pastorale insteek, is de ruimte maximaal opgerekt. Het is van belang dat iedereen in het gesprek over God meedoet, met zijn of haar ervaringen. Dat is geheel in de lijn van de brede kerk, waarin vanouds verschillende stemmen en stromingen vertegenwoordigd zijn. Vrijzinnigheid en orthodoxie naast elkaar staan.
De tweede, belijdende, insteek probeert de grenzen aan te geven. Want je kunt wel veel zeggen in de kerk, maar niet alles.
Die twee verschillende insteken zitten elkaar een beetje dwars. Dat kan ook moeilijk anders, maar dat geeft aan het geheel een wat krampachtig karakter. Je voelt de worsteling om beide benaderingen recht te doen. Tegelijk de onmogelijkheid daarvan. Want wie vooral de ruimte zoekt en de grenzen verkent (of verlegt), voelt zich klemgezet door wat er belijdend over God wordt gezegd. Wie hecht aan een duidelijk omlijnde belijdenis – uiteraard de zijne – blijft zich ergeren aan wat daarvan afwijkt en niettemin binnen de kerk plaats behoudt.
De reacties op de notitie, vooraf aan de synodebespreking, van zowel Hendrikse ter linker- als van de Confessionele Vereniging ter rechterzijde, demonstreren perfect die onmogelijke spagaat.

- God, het lege midden?
Van een synodale notitie mag je niet verwachten dat ze buiten de lijntjes kleurt. Dat gebeurt dus ook niet. Het gevolg is dat het theologisch inhoudelijk een tamelijk bloedeloze notitie is geworden. De écht spannende vragen worden uit de weg gegaan. In de inleiding worden ze genoemd: “de discussie rond het ietsisme, het bestaan van God en het esoterisch spreken over God” maar die discussies spelen in het vervolg van de notitie geen echte rol meer. Dat is jammer, omdat velen binnen de kerk met deze vragen bezig zijn. Dat is dubbel jammer, omdat hier naar mijn mening een kans had gelegen om het gesprek met geïnteresseerde godzoekers buiten de kerk aan te gaan. Hoe kan in de huidige cultuur het spreken over God zinvol en van betekenis zijn? Heeft de kerk meer te bieden dan een in veler ogen achterhaalde boodschap in verouderde vormen? Dat laatste gaat verder dan het ‘spreken over God’, maar het vormt er wel de achtergrond van.
De kerk brengt God ter sprake, zoals de notitie het formuleert. Al snel wordt dan gesteld dat God zichzelf ter sprake brengt en daar loopt het al scheef. Het eerste is namelijk een feitelijke uitspraak, het tweede een geloofsuitspraak. Daar is niks mis mee, maar als je dat niet erkent en doet alsof God zichzelf ter sprake brengt een feit weergeeft, kom je onherroepelijk in cirkelredeneringen terecht.
De kerk brengt God ter sprake. Dat is inderdaad waar zij kerk voor is. Maar hoe doet zij dat en wat is het belang daarvan, niet slechts voor de godgelovigen binnen de kerk, maar voor de samenleving als geheel?
In de inleiding wordt gesteld dat de notitie in eerste instantie voor interne bezinning in de PKN bestemd is. In tweede instantie hoopt men ook mensen buiten de kerk te bereiken. Dat lijkt op het eerste gezicht een begrijpelijke volgorde. Het zou immers wat potsierlijk zijn als de kerk zich allereerst tot de samenleving richt, terwijl zij haar eigen huis niet op orde heeft. Toch is dat bij nader inzien de vraag. De onderliggende structuur blijft zo die van binnen naar buiten gericht. Binnen (intern) voeren we het gesprek, markeren min of meer de piketpaaltjes waarbinnen het gesprek zich af dient te spelen met het gevaar dat we binnen de bekende cirkeltjes blijven ronddraaien. Vervolgens kijken we of er buiten (extern) wellicht nog iemand te bereiken is, als we daar al aan toekomen.
Echt spannend zou het worden als de richting omgekeerd werd, van buiten naar binnen. Buiten, dat is de plaats waar de vragen worden gesteld, waar mensen tegen ervaringen oplopen van zinloosheid, van ongerechtigheid, van desoriëntatie. Waar dus nood is aan het spreken over God. Buiten is de plaats waar het spreken over God wordt getoetst op consistentie en authenticiteit, samenhang en echtheid.
Het inzicht dat we in onze cultuur ‘buiten’ zijn komen staan, ook degenen die zich binnen de kerk wanen, zou vervolgens daarbij leidend moeten zijn. Het betekent dat de scheiding tussen binnen en buiten eigenlijk achterhaald is. Want die scheiding suggereert nog teveel een verschil tussen ingewijden en onwetenden.
Juist het zo precaire spreken over God dient die tweedeling achter zich te laten. Want een vruchtbare theologische structuur van denken is, dat God zich alleen van buitenaf ter sprake laat brengen. Ten opzichte van God zijn wij allen onwetend. God is dat wat (of Hij die) buiten mij, op mij afkomt, als de ander, met of zonder hoofdletter. God is altijd het vreemde of de vreemdeling; dat wat ik nooit geheel kan integreren in mijn bestaan. God laat zich niet toe-eigenen. Door geen enkele kerk, geen enkele theoloog noch synodale notitie.
God laat zich gelukkig (godzijdank) wel ontmoeten en dat op de vreemdste plaatsen. Wie weet, zelfs in het gesprek over deze pastorale handreiking?