Inleiding Ouderenmiddag Opstandingskerk
22 maart 2010
Dat het leven eindig is, is een alledagswijsheid. Toch moet iedereen in zijn/haar leven op een of andere manier in het reine komen met dit gegeven.
De mens heeft als redelijk wezen voor op de andere dieren, dat hij weet heeft van zijn sterfelijkheid. Hij kan zich voorstellen dat hij er op een gegeven moment niet meer is. Het dier is opgesloten in zijn eigen wereld. De mens heeft een bewustzijn, waardoor hij in staat is op zichzelf te reflecteren. Ook al zijn er diersoorten die een zeker zelfbewustzijn lijken te vertonen, is dat op geen enkele manier te vergelijken met de wijze waarop dit bij de mens als diersoort is ontwikkeld.
Tegelijk is je eigen dood denken een onmogelijkheid. Net zo goed als je je niet voor kunt stellen waar je was toen je nog niet geboren was, is het even onmogelijk om te weten waar je zult zijn als je niet meer op aarde leeft. Vandaar dat een beroemd schrijver kon zeggen dat hij niet dood kon gaan. ‘Dat moest eerst maar eens bewezen worden.’ Inmiddels is hij niet meer onder ons.
Dat het leven eindig is, hoort bij de menselijke bestaanswijze. Waarom dat zo is, daarover vertelt de bijbel in het begin van Genesis. Het gaat hier om mythen, dat wil zeggen om wijsheid die wordt doorgegeven in de vorm van een verhaal.
De mythe van het paradijs vertelt van de goede schepping, waarin door de zonde van de mens het kwaad binnensluipt. Vanwege het kwaad is er een grens gesteld aan het menselijk leven. Het menselijk leven baren, zal voortaan een zwoegen zijn; de aarde bewerken – leven om je brood – zal een kwestie van zweten zijn: “Zweten zul je voor je brood, totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen: stof ben je, tot stof keer je terug” (Gen. 3: 19).
De eindigheid van het menselijk leven is in het Oude Testament een ervaringsgegeven. Een geslaagd leven is een leven in rechtvaardigheid, met (mannelijk) nageslacht zodat je naam bewaard blijft en tenslotte ‘oud en der dagen zat’ vergaderd worden bij je voorouders.
Pas later ontstaat het geloof dat er na het leven op aarde, een doorgaand bestaan is bij God (voor de martelaren).
In het christendom is de overwinning op de dood (=Pasen) het centrale geloofselement. Christus bevrijdt ons van de onderworpenheid aan de dood en de vergankelijkheid. Door in Hem te geloven, verkrijgen wij eeuwigheidsleven. Over de rol van het geloof in de laatste levensfase komen we nader te spreken.
Het is zinvol dat het leven eindig is, want dat geeft aan het leven zin en betekenis.
De roman Niemand is onsterfelijk van Simone de Beauvoir maakt dat duidelijk.
Het is het verhaal van Fosca, vorst van de stadstaat Carmona in het veertiende-eeuwse Italië, die een elixer drinkt dat hij bij toeval in handen krijgt en waardoor hij onsterfelijk wordt. In de strijd kan hij niet sneuvelen. Hij is onoverwinnelijk.
De 14e eeuwse edelman Fosca wordt in de 15e eeuw vertrouweling van Karel V, in de 16e eeuw ontdekkingsreiziger en in de 18e eeuw revolutionair tijdens de Franse Revolutie. Hij ontmoet telkens weer nieuwe mensen, maakt vrienden, die vervolgens sterven. Hij overleeft alle vrouwen met wie hij huwt en ook al de kinderen die daaruit geboren worden. De dood heeft geen vat op hem. Maar gaandeweg wordt de conclusie duidelijk: Fosca’s onsterfelijkheid is niets meer of minder dan een vloek. Alles wat het leven bijzonder maakt, de liefde, de opoffering, is voor hem betekenisloos. Hij is gedoemd nooit de waarheid van deze eindige wereld te begrijpen: de absoluutheid van elk vergankelijk bewustzijn. Het boek eindigt met een 20e eeuwse Fosca, die niets liever wil dan ongestoord slapen. Elke keer als hij wakker wordt, voelt hij de pijn van de onsterfelijkheid.
Dat het leven eindig is, geeft betekenis aan alles wat we ondernemen, kiezen, zelfs aan datgene wat ons overkomt. De eenmaligheid van het leven, maakt het leven zinvol.
Er is daarnaast het gezonde besef dat de ene generatie plaats maakt voor de volgende. Dat is de natuurlijke gang van zaken. Als die natuurlijke gang doorbroken wordt, als ouders hun kinderen overleven, doet dat vaak extra pijn. Het hoort niet zo.
Het leven bestaat eruit het leven door te geven. Letterlijk door nageslacht, maar dat is niet iedereen gegund, of overdrachtelijk door levenswijsheid te delen en door te geven. De wereld een beetje beter achterlaten dan je hem hebt aangetroffen. Dat geeft het leven zin en kan menselijk leven betekenisvol maken. Herman van Veen zong voor zijn dochter Anne: De wereld is niet mooi, maar jij kan haar een beetje mooier kleuren..
De opdracht is om het leven in haar begrensde tijd (eindigheid) zinvol en betekenisvol te leven. Dat is geen individuele opdracht, want menselijk leven is altijd leven in verbinding met anderen. De mens is een sociaal wezen. Alleen zou het mensenjong niet kunnen overleven, anders dan sommige dieren in de natuur. De grootste marteling die je een mens kunt laten ondergaan is door hen in volledige isolatie te plaatsen. Daar ga je letterlijk dood aan.
Menselijkheid, humaniteit, is dus altijd medemenselijkheid. Dit is een belangrijk uitgangspunt in discussie over zelfbeschikking. Zelfbeschikking betekent dat je zelf baas bent over je eigen leven (en lichaam). ‘Ik mag toch zeker zelf weten wat ik met mijn leven doe’. Een doorgeschoten individualisme heeft geen oog voor de sociale kant van menselijk leven.
De opdracht om leven zinvol te ‘maken’, zorgt ook voor druk. Voorheen leefden mensen in een zingevingsverband. Als je je plaats innam in de vooraf (door God) geschonken ordening, dan kreeg je leven als vanzelf zin en betekenis. Dat hoefde je niet zelf eraan te verlenen.
Tegenwoordig is het leven en de zin van het leven steeds meer een individueel traject, of houden we die mythe in stand. ‘Je moet er iets van maken’, wordt dan gezegd. En als je het om een of andere reden niet hebt gemaakt, of hebt kunnen maken, wordt dat vaak gezien als een falen. Je schiet tekort. Maar wat valt er te maken aan het leven? Is het meeste in het leven niet datgene wat je overkomt? Dit raakt aan vragen van maakbaarheid. In verschillende discussies over het levenseinde speelt dit mee. We accepteren steeds minder dat er dingen zijn die ons overkomen, waar we betrekkelijk machteloos tegenover staan. We willen steeds meer de regie houden, ook over ons sterven. Waar dat betekent dat mogelijkheden voor een zachte dood, zonder onnodig lijden, worden ontwikkeld, kun je daar geen bezwaar tegen hebben. Maar er zitten ook bedenkelijke kanten aan, nl. de illusie dat je de dood net zo kunt managen als andere dingen in het leven.
Leven in de schaduw van het levenseinde.
We leven over het algemeen langer en gezonder dan vorige generaties. Gezondheid wordt door de meeste mensen gezien als het belangrijkste goed. Daar hebben we veel voor over (verzekeringen; gezondheidszorg).
Er is een soort obsessie met gezondheid, vgl. overheid die zich bemoeit met roken, overgewicht. Is nog te verdedigen: gevolgen worden op de maatschappij afgewenteld. Maar in hoeverre mag de overheid inbreuk doen op de privacy?
Obsessie met gezondheid, in de fitness-cultuur. Het gezonde, sportieve, jeugdige (?) lichaam wordt ons als norm voorgehouden in de reclame. Je MOET bewegen. Zo houden we de dood op afstand.
Vroeger was er een grotere vertrouwdheid met de dood. Door grotere sterfte (kindersterfte), werd iedereen in vroegere generaties in zijn/haar jeugd wel met de dood geconfronteerd. Mensen werden thuis opgebaard en vanuit huis begraven. Je kreeg in Drenthe bij het trouwen je doodshemd al mee.
In de moderne tijd is het kerkhof niet meer om de kerk, maar aan de rand van onze moderne steden (vgl. Boskamp). Waar zie je nog een begrafenisstoet in het dagelijks straatbeeld?
In het volgende gedicht gaat Gerrit Achterberg (1905 – 1962) in op het verschil tussen een begrafenis in de stad (Innemee was een gerenommeerde begrafenisondernemer in Den Haag, waar Achterberg kort heeft gewoond) en het dorp (Achterberg was afkomstig uit Langbroek).
Innemee
Ze worden hier begraven met een haast
alsof de dood hen op de hielen zit.
En wat een buitenman het meest verbaast
is dat de stoet bijna geen staart bezit;
natuurlijk weer een ver familielid
waarmee men even naar de groeve raast
om gauw terug te wezen van de rit,
want ieder blijft zichzelf het allernaast.
Bij ons luiden ze urenlang de klok.
Een kind beseft wat te gebeuren staat.
Men schaart zich achter ’t lijk in diepe stilte.
En lang daarna hangt in het dorp een kilte,
die iemand door de schouderbladen gaat;
als het herstellen van een zware schok.
Levenskunst is niet alleen besef dat je sterfelijk bent, maar je ook op een goede manier op het sterven voorbereiden. Je moet je laatste dag vrezen noch ernaar uitzien (Martialis).
Memento mori (gedenk te sterven) is een bekende spreuk. Het geldt als belangrijk motto in de christelijke spiritualiteit, al is het daar lange tijd belast geweest met de voorstelling van het laatste oordeel. Een mens diende zich tijdens dit leven voor te bereiden op het komende leven. Bij het laatste oordeel zou duidelijk worden wat je eeuwige bestemming zou zijn, hemel of hel (of vagevuur). Het memento mori staat teveel onder het voorteken van de angst, de vrees voor het laatste oordeel (tot in onze tijd). Maar geloof en angst gaan niet samen. Waar geloof wordt gebruikt om mensen bang te maken is sprake van geloofsmisbruik.
Je kunt daarom het memento mori beter positief opvatten. Het is de oproep je bewust te zijn van de eindigheid van het leven en de eenmaligheid en je daarom des te meer in te zetten voor een goed en betekenisvol leven, waar je van genieten mag.
In de laatste levensfase maken we de balans op van ons leven. Er wordt meer teruggekeken dan vooruit (je hebt meer verleden dan toekomst). Er is ruimte voor een meer afgewogen oordeel. Je wordt milder? Je probeert in het reine te komen met je leven en met wat er in je leven is gebeurd. De ouderdom als periode van reflectie. Je bent een rijper mens geworden. Je kunt het leven aanvaarden, dat betekent ook het vermogen om los te laten. Het volgende gedicht van Ida Gerhardt, verwoordt dat op een eigen manier:
Genesis
Oud worden is het eindelijk vermogen
ver af te zijn van plannen en getallen;
een eindelijke verheldering van ogen
voordat het donker van de nacht gaat vallen.
Het is een opengaan van vergezichten,
een bijna van gehavendheid genezen,
en aan de rand der tijdeloosheid wezen,
of in de avond gij de zee ziet lichten.
Het is, allengs, een onomstotelijk weten
dat gij vernieuwd zult wezen en herschapen,
wanneer men van u schrijven zal: “ontslapen”,
wanneer uw naam op aarde is vergeten.
Als de ouderdom met gebreken komt…
Vandaag de dag veel discussie over het recht om hulp bij zelfdoding te krijgen op het moment dat men zijn/haar leven voltooid acht (Uit vrije wil).
Nederlandse euthanasiewetgeving is al één van de meest vooruitstrevende ter wereld. Bij ondraaglijk en uitzichtloos lijden mag euthanasie worden gepleegd, als er een wilsbeschikking voorhanden is, en alleen door een arts en na zorgvuldige consultatie door een onafhankelijk arts.
De wens van het burgerinitiatief roept allerlei vragen op. Valt levensmoeheid ook onder de noemer ondraaglijk en uitzichtloos lijden? Mag je mensen het recht ontzeggen hun leven te beëindigen (zelfdoding)? Moet de samenleving daarin meegaan en dit faciliteren? Kun je dit van artsen of andere hulpverleners vragen, of mag je dit niet van hen verlangen?
Het gaat om ouderen “die lijden aan het leven, die zichzelf als overbodig zien in een wereld waarin vrienden en bekenden hen ontvallen en ouderdomskwalen toenemen. Het leven is gevoelsmatig voltooid, maar de dood laat op zich wachten” (art. Trouw, 1 maart 2011).
Belangrijke begrippen zijn dan: zelfbeschikking en barmhartigheid.
Zelfbeschikking is dat iemand zelf mag bepalen welke normen en waarden men hanteert en hoe men met zijn eigen leven omgaat.
Barmhartigheid is in deze situatie, dat iemand met zijn doodswens niet aan zijn lot wordt overgelaten of tot akelige methoden wordt gedwongen (trein, pillen).
Wat hier van te vinden?
Volgens mij moeten we aan de andere kant beginnen.
Geen cultuur van de dood, maar een cultuur van het leven en van de leefbaarheid bevorderen. Als iemand aan het leven lijdt, is de dood niet de eerste oplossing. Vgl. suïcidaliteit (depressie, psychische stoornissen, medicijnengebruik. Zelfdoding is een irreversibele oplossing.
Antwoord op de doodswens moet zijn de inspanning om de kwaliteit van leven te verbeteren. Al kan er een moment komen dat er ruimte moet zijn om het geschonken leven aan de schenker (Schepper) terug te geven. Dit is dus geen pleidooi dat in alle omstandigheden euthanasie verbiedt, al moet je daar volgens mij uiterst terughoudend in zijn.
Palliatieve zorg neemt vaak de wens tot euthanasie weg. “Het gaat veel meer om de wetenschap dat er een antwoord op lijden bestaat, dan dat de dood werkelijk wordt gewenst”, schrijft Esther Bertholet, huisarts en specialist ouderengeneeskunde, Trouw 11 maart 2011:
“Ik begeleid dagelijks ouderen wier gezondheid (hard) achteruitgaat. Het verbaast me altijd weer hoe groot hun aanpassingsvermogen is. Regelmatig hoor ik hen zeggen dat het nu nog wel gaat, maar dat het niet meer hoeft als ze nóg slechter zouden worden; als ze een rollator moeten gebruiken, niet meer kunnen autorijden, dement worden of, het grootste schrikbeeld, naar een verpleeghuis moeten. Maar die grens schuift op wanneer het zo ver is. Zoals een 20-jarige zich niet kan voorstellen dat je een weekend zonder telefoon en computer overleeft, zo kan een 60-jarige zich soms niet voorstellen dat incontinentie overkomelijk is. Tot het moment daar is (…)”.
Je moet dit niet van artsen vragen (zijn er om lijden te verhelpen of draaglijk te maken, niet om het weg te nemen).
Je mag dit niet van de samenleving vragen. Zelfbeschikking is geen claimrecht. Mensen leven nooit als volstrekte individuen, rol van familie, vrienden. Vgl. de ramp die zelfdoding is.
Je kunt de bestaansproblematiek (zingeving) niet medicaliseren.
Frits de Lange:
“Het is inderdaad een ramp, Alzheimer, voor hen die de ziekte hebben en voor hun naasten die er onder lijden. Geen discussie daarover. Maar de collectieve angst voor het verlies van onze cognitieve vermogens snoert het begrip van waardigheid ontoelaatbaar in. Onze menselijkheid zit niet alleen in ons hoofd, maar ook in ons hart, onze huid en onze handen. Zorg voor het lichaam, aandacht voor een levensgeschiedenis, intimiteit met anderen — ook daarin toont zich respect voor persoonlijke waardigheid, verstaan als iemands innerlijke instemming met de mens die men is en is geweest”, Frits de Lange, Waardigheid, Amsterdam 2010, 173.
Rol en betekenis van het christelijk geloof.
Geloof is een paasgeloof, geloof in de kracht van het leven en de macht van de Levende.
Waar alles dood-loopt (zonde, vergankelijkheid, vergeefsheid, zinloosheid) schept God nieuw leven. Zie, Ik maak alle dingen nieuw! (Op. 21).
Ons leven hier is wezenlijk onvoltooid. Het vindt zijn voltooiing (vervolmaking, heelheid) bij God.
Sterven is de overgang naar een nieuwe bestaanswijze, die even onvoorstelbaar is als het leven hier onvoorstelbaar was voordat wij geboren waren.
We worden – in Bijbeltaal – nieuw geboren, door een scheppende daad van de Levende God. Eerstelingen van een nieuwe schepping.
Alle beelden en voorstellingen zijn wezenlijk onvolkomen pogingen iets van die nieuwe werkelijkheid, waar wij in het geloof op hopen, uit te drukken. Kern is en blijft: Wij vallen niet uit de hand van Hem waarvan wij belijden, dat Hij niet laat varen het werk van zijn handen.
Dag Bert,
Zou je met me van gedachten willen wisselen over spirituele workshops die ik wil gaan ontwikkelen?
zie http://www.jabaldeus.nl
Je schrijft hier stellig dat mensen zullen sterven en plaats maken voor nieuwe generaties.
Dat kon wel eens anders worden. Misschien wel sneller dan we denken.
Hoe kijkt een christen in deze tijd aan tegen dit initiatief? http://2045.com
Onsterfelijkheid in 2045. Ik heb redenen om aan te nemen dat de initiatiefnemers niet gek zijn en de gedachte meer is dan science fiction.
Technologie zit in een enorme versnelling
Met vriendelijke groet,
Guus van der Werf