Artikelen

Koopman en Dominee – over Samuel Wells’ De toekomst die groter is dan het verleden

Met een beetje goede wil en fantasie is er een gelijkenis te ontwaren. Ook in Assen hebben wij een monumentaal neoklassiek kerkgebouw in het midden van de stad, dat eveneens over een uitstekende akoestiek beschikt. Maar daar houden de overeenkomsten wel zo’n beetje op. St. Martin-in-the-Fields in hartje Londen is toch wel van een ander kaliber dan onze kerk in Maria-in-Campis (Maria in het veld, de naam van het klooster waaruit Assen is ontstaan).

Geschreven voor Volzin, september 2020

In het veld
Sinds 2012 is Samuel Wells als stadspredikant aan deze prestigieuze kerk verbonden. De oorsprong van de kerk gaat terug op een koninklijke besluit om buiten de stad (in the Fields) een kapel te bouwen, zodat de koning op veilige afstand van de pestlijders in de stad ter kerke kon gaan. Het huidige gebouw dateert van begin 18e eeuw. Gelegen aan Trafalgar Square maakt het nu deel uit van de belangrijkste toeristische attracties van de Britse hoofdstad. St. Martin-in-the-Fields is daarnaast wereldberoemd geworden door het gelijknamig kamerorkest, opgericht door de al even beroemde Sir Neville Marriner.

St. Martin-in-the-Fields is dan ook meer dan een stadskerk. Het is een bedrijf. En Samuel Wells is meer dan een dominee. Hij maakt deel uit van een organisatie met 200 stafmedewerkers en meer dan 300 vrijwilligers, waar jaarlijks ongeveer een miljoen mensen het kerkterrein komen om iets te gaan eten in het café, een concert bij te wonen of de winkel met christelijke boeken en religieuze artikelen bezoeken. Het onderhoud van de gebouwen wordt gefinancierd uit de winst die hiermee gemaakt wordt en met giften vanuit de gemeente. Daarnaast worden er door St. Martin-in-the-Fields sociale hulpprogramma’s gedraaid, mogelijk gemaakt door fondsen en subsidies. Het instituut groeit nog altijd qua profiel en activiteiten. Het beschrijft zichzelf als ‘een gemeenschap van hoop die de kerk en de maatschappij opnieuw uitvindt aan de hand van compassie, commercie, cultuur en gemeenteleven’ (compassion, commerce, culture en congregational life: de vier C’s).

In zijn boek, De toekomst die groter is dan het verleden, ontvouwt Wells de theologische visie die hij in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld om deze bedrijfsmatige manier van kerk-zijn te onderbouwen en uit te dragen. Met het enthousiasme van de echte ondernemer ziet hij hierin een model voor kerkvernieuwing in tijden van neergang en krimp. Crisis? What crisis?

Leven in overvloed
Volgens Wells heeft de kerk veel te lang vastgehouden aan de strategie om mensen te dreigen met hel en verderf en zichzelf aan te bieden als de enige zekere remedie daartegen. Maar moderne mensen geloven niet meer in de hel – en Wells evenmin. Het ‘nieuwe idee’ is dat Jezus niet gekomen is om ons te verlossen uit de ellende en ons mee te nemen naar de hemelse gelukzaligheid. “In plaats daarvan was het altijd Gods bedoeling om in relatie met ons te leven en onze relatie met elkaar en de schepping te bevorderen. Jezus kwam om deze bedoeling te belichamen, om alles wat deze bedoeling afremt te ervaren en uit te dagen, om dit alles te weerstaan en de overwinning op die barrières te tonen.” (p. 15). Jezus laat ons het hart van God zien en dat is niets anders dan het leven vol overvloed. Niet voor straks, maar voor hier en nu. De wereld heeft waarde in zichzelf, stelt Wells met nadruk. Het centrale doel van de kerk is niet om mensen te verzoenen met God met het oog op hun eeuwige redding. Alles draait om mensen uit te nodigen om zich in het overvloedige leven van God te verblijden, zoals God zich in hen verblijdt. Sociale betrokkenheid van de kerk is daarom geen extra service, maar de manier waarop de kerk, die tot lofprijzing geroepen is, deze vorm geeft.

Zoals zo vaak in protestantse kring is vernieuwing volgens Wells herbronning. Hij schrijft zijn boek naar eigen zeggen in respons op de vijfhonderdste verjaardag van de Reformatie, waarin het ging om de ontdekking van een nieuw, levenskrachtig begrip van verlossing. Dat is nu ook aan de orde. Hij vergeet niet te vermelden wat het christendom oorspronkelijk was: een revolutionair idee dat institutionele vormen aannam, een alternatieve samenleving. En dat moet het opnieuw worden.
Het betekent concreet dat het kerkgebouw wordt ingezet voor culturele en artistieke activiteiten die creativiteit, expressie en schoonheid bevorderen. Zo wordt zichtbaar wat het betekent als het leven tot volle bloei komt. Het zorgt er ook voor dat nieuwe inkomstenbronnen aangeboord worden, waardoor er werkgelegenheid ontstaat en winst gemaakt wordt, zodat de organisatie een duurzaam karakter krijgt. Wells pleit voor een transformatie van kerkgebouwen tot dynamische centra van het overvloedige leven.

Een zegen voor de buurt
In het vervolg van zijn boek werkt hij dit uitgangspunt uit. Tegen de achtergrond van de sociale en economische uitdagingen van onze tijd – door Wells tamelijk globaal beschreven – doet hij een voorstel voor een nieuwe verbeelding van kerk en samenleving, dat al even globaal wordt omschreven. Het komt neer op het vormen van ‘herkenbare gemeenschappen van hoop, die het bevrijdende verhaal van verzoening en genade belichamen’, met bijzondere aandacht voor wie cultureel, economisch en sociaal ‘aan de rand’ leven; in samenwerking met anderen die niet noodzakelijkerwijs hetzelfde geloof delen, maar wel de creativiteit, artistieke bloei en schoonheid in de wereld en talenten in zichzelf en elkaar erkennen om daarmee individueel en gezamenlijk onverkort als een zegen voor hun buurt en de natie te zijn (pp. 63 – 67).

Deze ambities worden nader uitgewerkt in volgende hoofdstukken over Gods economie, waarin hij het kerkelijk geefgedrag analyseert. De paradox is dat de gevestigde kerken te lang hebben geleund op het geld van de adel of uit het vermogen. De veranderingen in St. Martin-in-the-Fields kregen pas hun kans, toen het water hen financieel aan de lippen stond, op de rand van het faillissement. Dat gaf de doorslag om een commerciële onderneming op te starten. Een van de successen daarvan is dat men daardoor anders naar de eigen gemeenschap heeft leren kijken. “…wat er gebeurde, was dat het bedrijf de gemeente veel geleerd heeft over het koninkrijk. De commerciële onderneming met stafleden uit 25 landen is een multiculturele samenleving in het klein. Ondertussen ziet St. Martin zichzelf nu als een gemeenschap van hoop, van nieuwe verbeelding van de kerk en de samenleving door cultuur, compassie, commercie en gemeenteleven. Het is een visie op de civiele economie, op hoe werk en spel, vriendschap en viering, sociale betrokkenheid en evangelisatie, diversiteit en identiteit eruit zouden kunnen zien” (p. 85).

Wat Wells betreft, rust er dus geen taboe op de combinatie van kerk en zaken doen. Het ligt er maar aan hoe je dat laatste invult. Duidelijk is dat de kerkelijke onderneming geen financiële melkkoe moet zijn, om er een maximale opbrengst uit te persen. Winst wordt er ook behaald op het sociale vlak, “om een balans te vinden tussen het genereren van financiële opbrengsten en het creëren van sociale impact” (p. 96).
Dat laatste heeft niet zozeer met liefdadigheid te maken. Daar is Wells tamelijk kritisch over. Onder het mom van liefdadigheid en met de beste bedoelingen gaat er vaak veel mis. Gezonde economische relaties gedijen het best in een context van gelijkwaardigheid en gedeelde gemeenschappelijkheid, waarin de ander niet wordt gezien als het voorwerp van jouw gulheid, maar als geschenk van God dat jou op een nieuwe manier bepaalt bij de kwaliteit van je gemeenschap en geloof. “Liefdadigheid, of een meelevend sociaal-maatschappelijke initiatief, is geen gewichtige verplichting die de gemeente op zich neemt omdat zij zich schuldig voelt over het lot van mensen die minder bevoorrecht zijn dan zijzelf. Het is een blijde reactie op de engelen die God naar de gemeente toestuurt en een besluit om een specifieke vorm van ontmoeting met hen te creëren en mogelijk te maken. Een dergelijke ontmoeting draait om de gemeente die nieuwe geloofsontdekkingen doet”, schrijft Wells (p. 125).

Hij vertelt over zijn ervaringen uit de tijd dat hij predikant was in een achterstandswijk in Norwich, waar de buurtkerk te lijden had onder vandalisme. Het stenen gooien naar de glas-in-lood ramen hield op, nadat men een nieuw raam had geplaatst dat de ontmoeting van Maria en Elisabet verbeeldde. In dit beeld herkende de kerk haar roeping om oud en jong samen te brengen; en de buurt herkende in dit beeld de authenticiteit van de kerkelijke gemeente, omdat die inmiddels via allerlei sociale activiteiten inhoud aan de ‘ontmoeting’ gaf. Het was ‘hun’ kerk geworden. Een inspirerend voorbeeld hoe goede kunst de kerk kan verrijken, niet in de vorm van culturele waardevermeerdering maar als sociaal kapitaal.

Het doorslaggevende belang van de kwaliteit van de gemeenschap, wordt door Wells diverse malen onderstreept. De leidende gedachte van zijn boek is dat de keuze om in business te gaan, de kerk helpt om die kwaliteit te verbeteren. Het gaat hem om een bepaalde mentaliteit, meer dan om het bepleiten van een aantal activiteiten. Die moeten in iedere specifieke situatie op een eigen manier ontwikkeld worden. Maar het begint allemaal met het verlangen om tot zegen te zijn en met de “fundamentele overtuiging van hoop dat God een gemeente alles geeft wat zij nodig heeft voor een leven van gelovig discipelschap, onderling dienstbetoon en missionaire activiteit” (p. 155).

Ondernemend kerk-zijn
Ik heb het boek van Wells gelezen als een pleidooi voor een ondernemende manier van kerk-zijn. Dat spreekt me aan, ook vanuit mijn eigen praktijk als (deeltijd) stadspredikant. In de afgelopen vijf jaar hebben we in Assen het project Mooi Verhaal ontwikkeld. In de laatste weken van het jaar openen we een popup-winkel in een van de (helaas vele) leegstaande winkelpanden in het centrum van de stad. We faciliteren daar de verkoop van cadeauartikelen van verschillende goede doelen organisaties. De winkel is een ontmoetingsplek voor het publiek, met tal van activiteiten zoals lezingen, workshops en muzikale optredens. We werken samen met diverse partners in de stad, zoals het Drenthe college. Leerlingen krijgen de kans om in het project mee te werken en ervaring op te doen. Daarnaast doen tal van vrijwilligers van binnen en buiten de kerk mee.
De financiële opbrengst is voor de goede doelen. De kerk ‘verdient’ er vooral sociaal kapitaal mee.

Ons project staat natuurlijk ver in de schaduw van wat er in St. Martin-in-the-Fields gebeurt, maar Assen is ook geen Londen.
Met alle verschil, is er een punt van vergelijking in het ondernemende karakter. Volgens mij liggen daar kansen, ook in de Nederlandse context, in die van stad en ook in die van dorp of platteland. Dat is ook precies wat het boek van Wells over wil brengen.
Met een ondernemende geest zie je kansen waar anderen de crisis ontwaren, zie je mogelijkheden waar anderen problemen zien. Binnen mijn eigen Protestantse Kerk Nederland is er gelukkig veel gaande op dit vlak, met tal van pioniersplekken en initiatieven voor vernieuwing. Er is veel creativiteit onder leden en betrokkenen bij de kerk, die lang niet altijd voldoende wordt benut. Misschien ook niet, omdat het klimaat er niet overal naar is. Vandaar Wells nadruk op de mentaliteitsverandering.

De titel van zijn boek drukt dat mooi uit. Het is een uitdrukking die hij lang geleden leerde kennen en die goed zijn drive verwoordt: “Vernieuwing is niet maar het herstel van goede tijden, niet in de laatste plaats omdat zulke tijden misschien wel niet voor iedereen zo goed waren. Maar ook omdat in God de toekomst altijd groter is dan het verleden. Ten diepste is vernieuwing de openbaring aan mensen midden in lijden, ellende en wanhoop, dat God met hen is” (p. 162).
Crisis? What crisis?

Samuel Wells, De toekomst die groter is dan het verleden, KokBoekencentrum Utrecht 2020, 208 pag, €19,99

Previous Post Next Post

No Comments

Leave a Reply