Overdenking

Knauwen, Pinksterpreek 2024

Gezamenlijke Pinksterviering Protestantse gemeente Oost – Groningen en Hervormde gemeente Oostwold, in de sporthal te Oostwold. Samen met collega Tineke Huizing.
De preek begint met een kort dialoogje als opmaat.

Bert:
Zeg Tineke, we kennen elkaar nu een paar maanden, sinds we collega’s zijn geworden. Maar wat ik je nog vragen wilde: Waar kom jij eigenlijk weg?

Tineke:
Waar kom jij vandaan?

Bert:
Nee, eerst jij.

Tineke:
Je begrijpt me verkeerd.
Ik bedoel, het is: waar kom jij vandaan. Je moet zeggen: waar kom jij vandaan. Waar kom jij weg? Dat is niet goed Nederlands.

Bert:
O, maar waar ik weg kom, zeggen ze dat wel zo.

Tineke:
Kan wel wezen, maar je moet wel goed je taal spreken. Valt me een beetje tegen van een geleerde dominee, eerlijk gezegd.

Bert:
Sorry hoor. Maar ik was al zo vertrouwd, dat ik blijkbaar in mijn eigen dialect ga praten.
Nou ja, ik kom dus uit Drenthe, maar dat had je misschien al begrepen.
Maar ik vroeg het het eerst aan jou! Was het niet Friesland?

Tineke:
Ja, ik bin een oprjochte Fries. Bûter, brea en griene tsiis, wa’t dat net sizze kin, is gjin oprjochte Fries.

Bert:
Wist ik eigenlijk ook al.
Maar, beste mensen, het is wat met die talen en met al die dialecten.
Al moet je nooit zeggen dat het Fries een dialect is, want dan worden ze grammietig.
Is dat ook een Gronings woord, trouwens?

We spreken allemaal eigen talen, en het is de grote uitdaging om elkaar te verstaan, dwars door al die verschillen heen…
Waar ik vanmorgen het accent op zou willen zetten, in deze Pinksterpreek, dat is:
dat we elkaar leren verstaan, niet ondanks alle verschillen, maar door alle verschillen….
Om dat te verduidelijken, gaan we even terug naar het Pinksterverhaal zoals we dat hoorden. Het is natuurlijk overbekend, ieder jaar horen we het weer. Maar dit keer hebben we het uit de Bijbel in gewone taal gelezen.
Want waarom zouden we de lector plagen door al die namen van al die landstreken waar vandaan de Joden naar Jeruzalem zijn gekomen. Parten, Meden (nee, niet ons Meeden) en Elamieten; Mesopotamië, Judea en Kappadocië, Frygie en Pamfylië en nog veel meer. Nee, gewoon: ze komen overal vandaag, uit het oosten, uit het noorden, het zuiden of het westen. Makkelijk zat, en iedereen weet wat er bedoeld wordt.

Bij de grote feesten kwamen Joden en toeristen overal vandaan naar Jeruzalem. Daar stond toen nog de grote tempel, ooit herbouwd door Herodes overigens, waarvan nu alleen nog maar één muur overeind staat. De Klaagmuur.
Toen, in de oudheid, was het het centrum van de joodse eredienst, terwijl in die tijd ook al Joden overal in het Middellandse zee-gebied woonden.

Hoe dan ook, op dat feest worden de leerlingen van Jezus overvallen door de heilige Geest, en die geest drijft hen naar buiten, en het geraas van vuur en wind trekt de mensen aan.
En dan horen ze tot hun verwondering die eenvoudige vrienden van Jezus spreken in hun eigen taal.

Dat is een wonder.
Maar let goed op, wat nu het wonder precies is.

De apostelen spreken gewoon hun eigen dialect. Het zijn en blijven gewone jongens, uit Galilea, uit het noorden. Waar in de hoofdstad Jeruzalem een beetje op neergekeken wordt, dat komt er ook nog bij.
Ze spreken gewoon hun eigen taal, met hun eigen accent, uit het noorden. Ze knauwen er op los, zo spreken ze nu eenmaal.

Het is geen talenwonder, maar een verstaanswonder. Het bijzondere ligt niet in de taal, in het spreken, maar in het horen. Ieder hoort hen in zijn of haar eigen taal, of dialect, of tongval.

Het is niet zo dat je door het geloof en door de heilige Geest dezelfde taal gaat spreken.
Of dat we in de kerk een eigen taal zouden hebben, kerktaal, of tale Kanaäns, of zo iets.
Nee, niet de taal verandert, maar het horen verruimt zich.
We horen elkaar, we begrijpen elkaar, we accepteren elkaar: er is ruimte voor ieders eigenheid, in een sfeer van openheid en begrip en welwillendheid. Dat is de verruiming van Pinksteren. De gesloten kring breekt open, de wereld aan onze voeten.

Kijk, die leerlingen die zijn nu niet opeens talenknobbels geworden.
Die zijn en blijven heel gewone jongens uit Galilea.
Die hebben nauwelijks opleiding gehad, laat staan vreemde talen geleerd. De meesten hadden niet meer dan lagere school. OK, Matteüs dan, die was bij de belastingen, die had de MEAO gedaan. En Jezus zelf, de zoon van de timmerman, had misschien een paar jaar LTS, wie weet. Maar de anderen waren vissers, die hadden het vak van hun vader geleerd.
Nee, het waren geen talenknobbels, maar met hun noordelijke tongval vertelden ze nu door de Geest geïnspireerd onbekommerd en zonder gêne wat ze hadden meegemaakt met Jezus en hoe dat hun leven had veranderd, voorgoed. Over ‘de geweldige dingen die God doet’, zoals er staat.
Zo vol vuur en vol gloed dat de woorden als het ware vanzelf aankwamen bij al die anderen die daar voor dat huis verzameld waren.
Dat was het wonder.

Dat is het wonder.
Nog steeds en tot op de dag van vandaag.
De Geest brengen mensen samen, zo verschillend als ze zijn, zo verschillend als ze spreken, ieder met een eigen taal, dialect of tongval.
Zo verschillend als ze we zijn, ieder met zijn of haar eigen geloofstradities, gewoonten, voorkeuren, opvattingen over geloof en over het leven.
En toch, we verstaan elkaar. We begrijpen elkaar, niet ondanks de verschillen, maar door de verschillen.

Want nogmaals, het wonder is niet dat alles glad wordt gestreken, dat iedereen nu het zelfde moet spreken, of – dat is de gedachte erachter – dat ieder nu hetzelfde moet geloven. Nee, ieders eigenheid wordt bewaard, maar die verschillen zijn geen beletsel meer, nee, ze zijn een verrijking.
Mijn geloof wordt vergroot, verruimd, door jouw geloof en jouw inspiratie.
Mijn geloof wordt uitgedaagd, wakker geroepen, aangesproken, door jouw geloof of door jouw vragen, of door jouw aarzelingen of kritiek, dat kan ook.
Maar dat is, door en met de pinkstergeest hebben we elkaar iets te zeggen – weten we elkaar te vinden, elkaars geloof te bouwen, te verrijken.

In de wereld is het vaak zo dat de een de ander in de weg zit. Daar zijn mensen concurrenten van elkaar. Daar worden mensen of groepen vaak tegen elkaar opgezet of tegen elkaar uitgespeeld.
In de gemeente van Jezus Christus is dat anders.
Of tenminste, zou dat anders moeten zijn. Fundamenteel anders.

Ik kan niet geloven zonder jou, zonder jou, zonder jou. Hoe anders je misschien ook spreekt, denkt, gelooft dan ik.
Maar in de gemeente en door de Geest is die ander geen bedreiging, maar een verrijking. Ieders eigenheid is een kleur in het rijke palet van God.
In de gemeente zijn we aan elkaar geschonken, door dezelfde Geest, die ons aan elkaar bindt en samenbrengt.

De menselijke natuur is dat we elkaar opzoeken, in groepsverband leven. Natuurlijk is het om groepen te vormen van gelijkgezinden, van mensen die hetzelfde denken en vinden, of geloven en er vaak ook een beetje op dezelfde manier uit zien en zich kleden en zo voort.
Maar de christelijke kerk is meer dan dat. Dat zie je al met Pinksteren gebeuren. Geen club van gelijkgezinden, geen gemeenschap van mensen die elkaar hebben uitgekozen omdat ze elkaar zo leuk vinden, maar een gemeenschap die haar eenheid vindt in het feit dat ieder lid daarin op een eigen manier geroepen is, aangesproken, door de geest van Christus. Een ieder hoort het evangelie in ‘onze eigen taal’.

De ander en het andere niet zien als een bedreiging, waar je je tegen moet verzetten; ook niet zien als een afwijking, die bekeerd moet worden of veranderd moet worden – en dan altijd zo dat hij of zij meer op ons gaat lijken. Nee, de verschillen koesteren als verrijking en als mogelijkheid die mij geboden wordt om te groeien aan de ander en door de ander.
Dat klinkt misschien vreselijk idealistisch. Wereldvreemd zegt u? ‘Die mensen zijn gewoon dronken’?
Misschien. Maar toch denk ik stiekem, wat zou de wereld er van opknappen als we ook in bredere verbanden zo met elkaar zouden omgaan.
Maar als je dat vindt, zou het dan niet bij ons zelf moeten beginnen? Zo kerk-zijn, open en breed en gastvrij. Echt en eerlijk en gemeend.

Christelijke gemeenschap in de geest van Pinksteren is niet slechts elkaar verdragen. Dat is te weinig. Het is elkaar dragen; elkaar hooghouden; groeien aan elkaar en door elkaar en dat kan alleen in echte, kwetsbare openheid. Slechts waar harten opengaan, kan de Geest binnenkomen.
AMEN

Previous Post Next Post

No Comments

Leave a Reply