Generaties theologiestudenten leerden de dogmatiek kennen via zijn Christelijk geloof. Een boek dat ook buiten de academische theologische wereld gelezen werd. Het beleefde verschillende herdrukken (ik kocht als student de vierde druk in 1983) en dat is voor een boek over de geloofsleer opmerkelijk.
Hendrikus (Henk) Berkhof hoort bij de invloedrijkste Nederlandse theologen van de vorige eeuw. Meer dan 30 jaar na zijn overlijden – hij overleed in 1995 op 81-jarige leeftijd – heeft Karel Blei, die ooit bij hem promoveerde, een kloeke biografie geschreven. Blei, 94 jaar (!), heeft Berkhof uiteraard van nabij gekend en is daarnaast zeer goed ingevoerd in de geschiedenis van de naoorlogse Nederlands Hervormde Kerk waarin Berkhof een belangrijke rol heeft gespeeld.

In 1938 werd Berkhof predikant in het Overijsselse Lemele. Vanwege zijn promotiestudie (over kerkvader Eusebius) had hij een studiesemester in Berlijn doorgebracht en van nabij gezien wat het nazi-regiem van Hitler betekende. Hij had daar kennis gemaakt met de Bekennende Kirche (de kleine kring van anti-nazi predikanten). Als predikant raakte hij nauw betrokken bij contacten met Duitse predikanten in het graafschap Bentheim, niet ver bij Lemele vandaan.
Toen de oorlog uitbrak, werd hij al snel vanwege zijn kritische houding op de kansel, gevangen gezet. Nadat hij na enkele maanden werd vrijgelaten, bleef hij actief in het verzet. Berkhof zorgde ervoor dat Joodse onderduikers in Lemele en omgeving terecht konden. Ook zelf moest hij een periode onderduiken.
In de oorlog – 1943 – nam hij een beroep naar Zeist aan. Daar speelde de richtingenstrijd binnen de NH Kerk in alle hevigheid. Berkhof wilde zich daar niet bij neerleggen. Hij steunde de vernieuwingen binnen de kerk, die na de oorlog volop hun beslag kregen. De kerk en de kerkelijke leiding was sinds het Algemeen Reglement van 1815 een administratieve organisatie, zonder duidelijke belijdende grondslag. Dat moest anders, vond Berkhof en velen met hem. Richtingen binnen de kerk moeten elkaar niet slechts dulden (de hotelkerk) maar met elkaar in gesprek komen en wederzijds verrijken.
Meteen na de oorlog werd Berkhof docent op het pas gestichte instituut Kerk en Wereld, dat op zichzelf ook een uitdrukking was van de vernieuwingsdrang van de kerk. Omdat het vlakbij Zeist (in Driebergen) gelegen was, kon hij het met zijn predikantschap combineren.
Dat werd anders toen Berkhof na een aantal jaren door de kerk werd benoemd als rector van het seminarie. Hij nam afscheid van de gemeente en werd predikant in algemene dienst. Het seminarie was eveneens een nieuwe instelling, bedoeld om de theologiestudenten na hun studie en voordat ze de gemeente in zouden gaan, aanvullend te scholen met het oog op de praktijk. Tevens werd zo de ontmoeting tussen de verschillende richtingen gestimuleerd, omdat de studenten van de vier toenmalige hervormde opleidingsplaatsen (Leiden, Amsterdam, Utrecht en Groningen), met elk hun eigen kleur, samen kwamen. Ondanks de gezonde argwaan van de studenten tegen deze vernieuwing, maakte Berkhof een succes van het seminarie. De bedoeling ervan beantwoordde helemaal aan zijn theologische visie op de kerk.
Na 10 jaar seminarie werd Berkhof in 1960 kerkelijk hoogleraar in Leiden, als opvolger van K.H. Miskotte. Anders dan deze, voelde Berkhof zich thuis in het academische milieu. Hij had inmiddels de nodige publicaties op zijn naam staan. Al in de oorlog, nota bene in de maanden dat hij gevangen zat, schreef hij Geschiedenis der kerk, een veel gebruikt studieboek over de kerkgeschiedenis.
Boeken als Christus en de machten (1952) en vooral Christus de zin der geschiedenis (1958) hadden de aandacht getrokken. Theologisch was Berkhof gefascineerd door de vraag hoe de kerk zich dient te manifesteren in de maatschappij. In de NH Kerk had de vernieuwingsbeweging geleid tot een sterk accent op het apostolaat, dat wil zeggen een gerichtheid op de samenleving. Enerzijds was dat de oude droom van de volkskerk maar het had ook te maken met naoorlogs optimisme over de maakbaarheid van de samenleving. De kerk dient bij te dragen aan rechtvaardigheid in de wereld.
In 1948 was in Amsterdam de Wereldraad van Kerken opgericht. Berkhof was daar van meet af aan bij betrokken en was jarenlang lid van het Centraal Comité van de Wereldraad. In talloze publicaties deed hij verslag van de oecumenische ontwikkelingen.
Daarnaast werkte Berkhof mee aan diverse kerkelijke (synodale) publicaties. Hij had niet alleen een tomeloze werklust, hij was ook graag bij veel ontwikkelingen betrokken, want de kerk en de oecumene gingen hem aan het hart.
Zijn hoogleraarschap dogmatiek viel in de periode van grote maatschappelijke veranderingen in de westerse wereld in de jaren zestig. Hij voelde aan hoe de secularisatie en de moderniteit het pleit begonnen te winnen. Nadat hij op een avond terugkeerde van een roerige vergadering met studenten, besloot hij, naar eigen zeggen, om een geloofsleer te schrijven. Het werd het eerder genoemde Christelijk geloof, zijn magnum opus. Een systematische samenvatting van zijn eigen, door de ervaringen van zijn tijd, gegroeide theologie, die voor het eerst verscheen in 1973. Het beleefde verschillende herdrukken, waarin Berkhof – ook typerend – kritiek verwerkte en wijzigingen opnam.
Na zijn emeritaat in 1981 bleef hij theologisch actief. In 200 Jahre Theologie. Ein Reisebericht uit 1985 beschreef hij nog eens de theologische ontwikkelingen van de moderniteit van Kant tot Barth. Na zijn vertrek uit het Centraal Comité van de Wereldraad, was hij jarenlang voorzitter van de Raad van Kerken Nederland.
Zijn hele leven wijdde hij aan de theologie.
Aanvankelijk was hij zwaar onder de indruk van de theologie van Karl Barth. Barth rekende af met de liberale theologie van de 19e eeuw, waarin God en geloof een verlengstuk waren geworden van de ontwikkelde en cultureel gevormde mensheid. Dat is allemaal religie, mensenwerk, volgens Barth. God kunnen we alleen kennen uit de openbaring, waarin Hij zichzelf kenbaar maakt. We moeten, volgens Barth, theologisch weer naar het nulpunt terug. De manier waarop Barth dat illustreerde door zich krachtig te verzetten tegen de verderfelijke nazi-ideologie – Barth was één van de leidende figuren in de Bekennende Kirche – gaf overtuigingskracht aan zijn theologische stellingname.
Toch werd Berkhof nooit Barthiaan. Hij nam later zelfs meer afstand tot Barth’s strenge openbaringstheologie. Voor Barth is er buiten de openbaring geen enkel aanknopingspunt om vanuit te theologiseren (over God te spreken), maar voor Berkhof is de categorie van de geschiedenis van belang. Er is geen nulpunt in de theologie, zoals dat er ook niet is in de historie. We zijn mensen in en van de tijd. In de geschiedenis laat God zich kennen en verandert God met de mensen mee. God máákt geschiedenis met mensen. Er is een verbondsgeschiedenis, van God en mens onderweg.
Tekenend is dat Christelijk geloof, zijn inleiding in de geloofsleer, niet begint met de openbaring, maar met de wereld van de menselijke religies, waarin het christelijk geloof dan als een ‘sprongvariatie’ (Berkhof) verschijnt.
Ondertussen bleef Berkhof binnen de wereld van de orthodoxie, maar dan niet eng-besloten, maar ruim en open naar vele invloeden daarbuiten. Dat werd ook gevoed door zijn internationale en oecumenische contacten. Maar het was ook een gevolg van zijn eigen oprechte openheid en belangstelling. Bij zijn leven werd hij al getypeerd als een bruggenbouwer. Hij bewoog zich soepel tussen de verschillende richtingen in zijn eigen kerk. Als kerkelijk hoogleraar, in Leiden toch soms een beetje tweederangs (daar had Miskotte onder geleden), zette hij zich in voor het geheel van de academie en had contacten met velen, ook buiten de theologische faculteit.
Berkhof doceerde te Leiden in de tijd van de empirische wending, de groeiende betekenis van de sociale wetenschappen. Het was ook de tijd van de God-is-dood theologie, waarin het vooral ging om de dood van de ‘oude’ God, almachtig en alwetend. Hij leerde, met name via de contacten in de Wereldraad, andere vormen van theologie kennen, zoals de zwarte theologie, de bevrijdingstheologie en de feministische theologie. Toch hebben deze zijn theologiseren niet wezenlijk beïnvloed. Daarvoor bleef Berkhof teveel de man van de westerse moderniteit (Dorothee Sölle recenseerde Berkhofs 200 Jahre Theologie als het product “einer weissen nord-europaïschen Männerkultur, die sich selbst denkt, wenn sie ‘der Mensch’ sagt”).
Berkhof probeerde theologische bruggen te slaan tussen deze verschillende werelden. In zijn geloofsleer leidde dat tot beroemd geworden formuleringen als de ‘weerloze overmacht’ en de ‘veranderbare trouw’ in de Godsleer. Befaamd werd ook zijn omschrijving van het verbond tussen God en mensen als ‘eenzijdig van oorsprong en tweezijdig van strekking’. Het waren formuleringen die behulpzaam waren om iets te begrijpen van de theologische raadsels over hoe God als liefde en God als macht betrokken is en blijft bij de menselijke geschiedenis. Tegelijk presenteerde Berkhof zijn inzichten nooit als laatste waarheid. Dat hij het de ondertitel Inleiding tot de geloofsleer meegaf is op zich al sprekend. Net zoals hij bewust had afgezien van het lidwoord Het in de titel, want dat zou de verkeerde suggestie kunnen wekken alsof hij hét christelijk geloof wel eens zou uitleggen.
Het beeld werd hem ooit door iemand van buiten de theologie aangereikt, maar het sprak hem aan: dogmatici zijn mensen die met dezelfde blokkendoos telkens verschillende gebouwen construeren en tegelijk met een aantal, telkens verschillende, ongebruikte blokken blijven zitten. In de dogmatiek of geloofsleer krijg je het nooit rond of af. Je blijft als theoloog (en als mens) onderweg.
Karel Blei heeft een prachtig en waardevol boek geschreven.
De ondertitel Theoloog onderweg is goed gekozen en bevat een knipoog naar één van Berkhofs eigen publicaties: De mens onderweg uit 1960, de tijd van het existentialisme.
Het is een prestatie van formaat om het theologische leven van Berkhof zo evenwichtig en verhelderend te presenteren. Blei kan putten uit zijn eerdere studies over de ontwikkelingen van de NH Kerk. Daarnaast maakt hij regelmatig gebruik van de theologische biografie die Eginhard Meijering in 1997 publiceerde. Via de familie kreeg de auteur inzage in preken en documenten die alleen in het familiearchief worden bewaard.
Blei geeft uitgebreide samenvattingen van de diverse publicaties van Berkhof en weet daarin, voor zover ik dat kan overzien, steeds de kern te raken en de theologische ontwikkelingslijnen helder te schetsen.
Toch mis je als geïnteresseerde lezer het nodige om dit, ondanks de omvang, een volwaardige biografie te noemen. Bijzonderheden over zijn achtergrond, jeugdjaren, karaktervorming, over familieleden – ze blijven goeddeels achterwege. Zeer spaarzaam krijgen we een beeld van het gezinsleven van de Berkhofs. Heeft hij wel een leven buiten de kerk en de theologie gehad? Ging deze man nooit eens naar een film of naar het theater? Heeft hij ooit een roman gelezen? Van iemand die op vakanties een koffer vol theologische boeken meenam en gewoon doorwerkte aan zijn artikelen, vrees ik ergste.
Er zijn vast nog veel mensen die een levende herinnering aan hem hebben, ook uit de internationale oecumenische beweging. Voor deze biografie zijn echter geen anderen geïnterviewd of is een (privé)-correspondentie onderzocht. Wat voor man was hij in het sociale verkeer? Hij had humor, schijnt het, maar ook dat komt in dit boek niet echt naar voren.
Ook wordt er nauwelijks aandacht besteed aan Berkhofs contacten met collega’s of studenten, afgezien van enkele anekdotes. Welke invloed had hij op zijn studenten? Karel Blei is zelf bij hem gepromoveerd, dan leer je toch ook de mens achter de theoloog kennen. Daar had ik graag wat meer over willen lezen.
Wat is de doorwerking van Berkhof geweest? Is zijn invloed nog herkenbaar, onder theologen, in de PKN waarin de NH kerk, zij het niet ongedeeld, is opgegaan? Vragen die niet aan bod komen.
Maar ja, een mens kan niet alles hebben… en schrijvers schrijven niet om recensenten tevreden te stellen. Niettemin, iets meer human interest had het boek goed gedaan en het misschien ook interessanter gemaakt voor niet-theologen, want nu moet je wel erg betrokken zijn om zoveel pagina’s theologische rapportage te verstouwen.
En toch, het mooie aan een biografie, ook van deze, is dat je een tijdje meeleeft en meeloopt met iemand uit het (recente) verleden, deelgenoot wordt van zijn geloof en zijn zoektocht, tegen het decor van een veranderende wereld waar jij zelf, in dit geval, ook voor een deel in geleefd hebt. Als mens onderweg.
Daarom, volmondig: het was een genoegen en van harte aanbevolen.
Karel Blei, Hendrikus Berkhof. Theoloog onderweg. Een biografie, KokBoekencentrum Uitgevers Utrecht 2026, 788 pag., €39,99