Soms ontmoet ik weleens iemand die tegen mij zegt: die bijbel, waar jullie in de kerk zo druk mee zijn, die staat toch vol onzin!
Dan geef ik zo iemand altijd meteen gelijk. Dat is vaak het beste. Ja, inderdaad, de bijbel staat vol onzin. Maar, zeg ik er dan bij, het is wel interessante onzin.
En dan hoop je dat ze een beetje nieuwsgierig worden.
U begrijpt wel dat ik dat niet spottend bedoel, maar wel prikkelend.
En ik meen het ook nog. Interessante onzin.
Misschien bent u ook een beetje nieuwsgierig geworden.
Jezus vertelt gelijkenissen.
We hebben ze al zo vaak gehoord, dat we niet eens meer door hebben dat het eigenlijk onzinnig is. Zeg nu zelf. Iemand heeft honderd schapen en er is één verloren geraakt. Laat je dan de negenennegentig andere onbeheerd achter in de woestijn, om dat ene schaap te zoeken? Jezus zegt het op een toon alsof dat vanzelfsprekend is, maar dat is het toch niet. Eerder het omgekeerde.
Hoe een herder dat doet, dat is voor ons wat vreemd geworden.
Maar vertaal het eens naar vandaag:
Stel dat de leiding van de kinderopvang, als één kind zoek is geraakt, alle andere kinderen achterlaten om dat ene kind te gaan zoeken?
Stel dat de verzorging op de afdeling dementie van het verpleeghuis, alle bewoners laten zitten, terwijl al het personeel op zoek gaat naar die ene bejaarde die een eindje is gaan wandelen buiten de instelling?
Dat kunnen we ons niet goed voorstellen. En als het zou gebeuren, dan zouden we dat – terecht- hoogst onverantwoord vinden.
Nu kunt u zeggen, die herder uit het verhaal van Jezus zal die schapen heus niet zomaar achtergelaten hebben. Hij laat ze wel in de woestijn achter, maar heeft vast een wolf werend hek om de kudde geplaatst. Maar ja, dat staat er niet bij.
Wat er wel staat, nog steeds in de gelijkenis van Jezus, is dat als hij het schaap gevonden heeft, hij zo blij is dat hij vrienden en buren uitnodigt om met hem in de vreugde te delen.
En dat is, eerlijk gezegd, toch ook wat onzinnig. Een overdreven reactie.
Hetzelfde bij het verhaaltje dat erop volgt, over de vrouw die een muntstuk is kwijtgeraakt. Ze zet het hele huis op de kop, en warempel, daar ligt het, achter de kast gerold. En nu is ze zo blij dat ze haar buren en vrienden, de hele straat trakteert op koffie met gebak. Geloof jij dat? Dat is toch niet normaal? Onzinnig.
Kijk, dat onzinnige, dat wel in meer gelijkenissen en uitspraken van Jezus zit, is volgens mij bewust bedoeld. Hij overdrijft, hij maakt het grotesk, om het effect des te groter te maken.
Het is de bedoeling dat je die onzinnigheid gaat voelen, om beter te begrijpen welk punt van vergelijking hij wil maken.
Want deze twee gelijkenissen, over zoeken en vinden, over verloren en gevonden worden, vertelt Jezus met een reden. En hierna volgt nog een derde, bekendere gelijkenis, met hetzelfde thema: van de verloren zoon – u kent dat verhaal.
Deze gelijkenissen vertelt Hij om iets duidelijk te maken hoe het er in de hemel aan toegaat, als één zondaar zich bekeert. En de hemel, dat is dan de wereld van God en de engelen. De gelijkenis maakt iets duidelijk van waar Gods hart naar uitgaat, het maakt iets duidelijk van de heerlijke dwaze onzinnigheid van God en van Gods liefde.
Want in de hemel, zo zegt Jezus, is er meer vreugde over één iemand die terecht komt, één zondaar die tot inkeer komt – in de Bijbeltaal, dan over de negenennegentig die dat niet meer nodig hebben, de rechtvaardigen – opnieuw Bijbeltaal.
Zo klinkt het bij het verdwaalde en teruggevonden schaap – op de schouders wordt het gedragen, als in triomf. Zo klinkt het vergelijkbaar bij het verloren muntje. Zo heerst er vreugde onder de engelen van God over één zondaar die tot inkeer komt.
Overdreven?
Maar zo onzinnig is God. Zijn aandacht gaat uit naar het verlorene, niet naar de massa maar naar de enkeling, zou je ook kunnen zeggen. Niet naar mensen die zich wel redden of het wel redden, maar naar degene die verdwaald is of kwijtgeraakt, uit het zicht geraakt, in de misère beland, noem het maar op.
En Jezus is de belichaming van die onzinnige liefde. Daar gaat heel het evangelie over.
Aan het begin van dit verhaal staat iets waar we gemakkelijk overheen lezen, maar dat van belang is om het goed te begrijpen.
“Alle tollenaars en zondaars kwamen Hem opzoeken om naar Hem te luisteren. Maar zowel de farizeeën als de schriftgeleerden zeiden morrend tegen elkaar: ‘Die man (Jezus) ontvangt zondaars en eet met hen.’ Jezus vertelde hun toen deze gelijkenis…” (1 – 3).
Dat is de aanleiding.
De keurige nette kerkmensen kunnen het niet hebben, dat Jezus’ aandacht vooral naar de mensen gaan die zij uitspuwen, waar zij op neer kijken, waar zij van alles van vinden, mensen die niet deugen in de ‘ogen der braven’. Dat is hun ergernis. En daartegen in vertelt Jezus, over de onzinnige hemelse vreugde als iemand van die verlorenen en verdoemden der aarde, terecht komt, wonderlijk en wel.
Het is niet zo vreemd dat de tollenaars en zondaars, zoals er staat, Jezus blijven opzoeken en zijn woorden indrinken.
Zij herkennen in zijn woorden de vergevende kracht van Gods liefde. Bij Jezus mogen ze erbij horen en meedoen. Hij schrijft ze niet af, houdt ze niet op afstand, maar is zelf de belichaming van het tomeloze zoeken, van de herder uit de gelijkenis, van de vrouw evengoed. In de overdreven vreugde van de vrouw met haar muntje wordt iets duidelijk van de moederlijke God, die het huis op de kop zet en van boven tot onder bezemt, omdat haar er alles aan gelegen is om het verlorene te zoeken en te vinden.
We moeten iets van die dwaasheid die in het verhaal zit, vasthouden. Het is onzin, maar interessante onzin, want het wijst ons op iets wat we nooit vanzelfsprekend moeten gaan vinden. Gods liefde die uitgaat naar iedereen, ja zeker, alle honderd schapen zo te zeggen, maar die in het bijzonder geldt voor wie daar buiten valt, door eigen schuld of door omstandigheden, dat laten we maar even in het midden. Gods liefde die een bijzondere voorkeur heeft voor het zwakke, het kwetsbare, dat wat in de wereld tekort komt of tekort wordt gedaan. En dat is, ook in Bijbeltaal, een dwaasheid. De dwaasheid van het kruis, zo noemt Paulus dat.
Nu komt er nog iets bij.
Want het is van belang, dat we deze verhalen, gelijkenissen, ook op ons zelf en ons eigen leven betrekken. Dat is altijd de bedoeling.
Via de band van zijn gelijkenissen, wil Jezus ons natuurlijk ook een lesje eren. Niet alleen de schriftgeleerden en farizeeën van toen, maar ons ook, in zoverre wij iets van die mensen hebben, die denken wel te weten hoe het zit, die hun eigen (vrome) gelijk koesteren.
Zoals God naar mensen kijkt, zoals de hemel feest viert om één mens die weer terecht is gekomen, zo mogen ook wij naar de ander kijken, aandacht voor het verlorene. Ja, maar dat begint ermee dat we zo naar ons zelf kijken in de eerste plaats.
Ook ik ben zo’n verloren ziel, die als God niet naar mij om zou kijken, reddeloos verloren zou zijn.
Of vindt u dat onzin?
Jezus’ woorden en gelijkenissen, en op een bepaalde manier alle bijbelse teksten, gaan niet alleen over anderen, ze gaan altijd ook over mij. Ik sta daar niet buiten, ik ben zelf in het geding. Die verloren zijn, dat zijn niet anderen, dat ben ik in eerste instantie zelf.
Kijk, dan komt zo’n verhaal ook nog even anders binnen.
Gods liefde is zo groot, dat Hij niemand verloren laat gaan.
Dan kunnen wij het toch niet over onze kant laten gaan, als anderen in deze wereld of in onze gemeenschap, er verloren bij lopen, de weg kwijt zijn, uit zicht raken, of erger: afgeschreven of uitgeschreven worden.
Een laatste opmerking, om ook nog een andere kant van de gelijkenis te belichten.
Het gaat over verloren zijn en gevonden worden, en al spreekt Jezus over concrete dingen, een schaap, een munt, we zijn misschien geneigd om die woorden ‘verloren en gevonden’ geestelijk te verstaan. Dan kan het zomaar ook heel zwaar worden. Dan gaat het over zonde en schuld, over verloren zielen, en alles wat daarmee samenhangt.
Dan gaan we moralistisch spreken over het schaapje dat zo stout en ongehoorzaam en ondankbaar is, om de kudde te verlaten, om zelf op pad te gaan, om eigen wegen te zoeken. Dat staat er allemaal niet, maar dat kun je er zomaar van maken.
Maar als het schaap gevonden is, krijgt het niet eerst een hele preek: waar was je nou? Waarom ben je zelf op pad gegaan? of allerlei andere verwijten. Dat is belangrijk om op te merken.
De kudde kan beschermend en beschuttend zijn, maar ook verstikkend.
Mensen zijn geen schapen.
We gaan eigen wegen, en dat is ook goed.
Maar waar je weg ook gaat, weet dat Gods liefde en de hemelse vreugde je in het oog houdt.
Zonder verwijten, zonder straf of oordeel, alleen maar die dwaze, onzinnige liefde tot het uiterste.
Onrustig is mijn hart in mij,
totdat het nieuw wordt geboren.
Daarom zoekt U elk mensenkind.
Zoek, herder, mij, opdat ik vind
en steeds meer bij U zal horen.
(Lied 837, 4)
Weer met plezier je preek gelezen, Bert. Alle goeds!
Ik lees ook nog steeds met veel plezier je preken. Fijn dat je ze iedere keer online zet! Groeten, Wilma