in gebruik, Mat. 5, 13 – 16

In de regel probeer ik vrijdag vrij te houden. Maar dat lukt natuurlijk niet altijd. Zo had ik vorig jaar een keer een verplichting hier in Winschoten op vrijdagmiddag. Ik zei tegen Annette (mijn vrouw): ‘Anders ga je mee. Ik ben met drie kwartier wel klaar, kun jij ondertussen even de stad in, gaan we daarna samen iets gezelligs doen’.
Aldus geschiedde. Ik naar mijn vergadering, zij naar de Langestraat. Daar kwam ze in een winkel in gesprek met de eigenares, en dat ging ongeveer zo:
“Woont u ook in Winschoten?
“Nee, ik woon in de buurt van Assen.
“OK, hoe komt u dan hier zo terecht?
“Mijn man had een korte afspraak voor zijn werk, en ik ben even meegegaan.
“Wat doet uw man voor werk dan?
U merkt, de nieuwsgierigheid van de Winschoter middenstand kent geen grenzen.
“Mijn man is predikant van de Marktpleinkerk.
Waarop de winkeleigenaresse zegt: “De Marktpleinkerk? Is die dan nog in gebruik…

Jezus zegt tot zijn leerlingen:
“Jullie zijn het licht voor de wereld. Een stad die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven”.

Voelt u het?
Het wringt, zacht gezegd.
En we zijn er wat verlegen mee.

Ja, je kunt van alles vinden van die mevrouw in de winkel. Je kunt haar verwijten dat ze slecht op de hoogte is van de plaatselijke omstandigheden, leeft ze onder een steen of zo? Gek mens! Dat kun je zeggen. Maar kun je het daarmee afdoen?
Of heeft haar opmerking, hoe knullig ook, mij en ons misschien ook nog iets anders te zeggen? Is het een rare toevalstreffer, een uitzondering, of zegt het iets over onze zichtbaarheid of gebrek aan zichtbaarheid, over de kerk die haar betekenis en relevantie verliest, over de marginalisering van de kerk in onze samenleving? Of maak ik het dan te zwaar?

We zijn er wat verlegen mee, zacht gezegd.
Ik wil u en mijzelf niet de put in praten, maar het is natuurlijk wel de realiteit. De kerk raakt uit beeld. We zien het om ons heen veranderen. Het kerkelijk leven is niet meer wat het geweest is. We praten graag over hoe het vroeger was, volle kerken, hele gezinnen, bloeiend jeugdwerk en weet ik al niet wat. Velen van ons hebben dat meegemaakt, maar nu leven we in heel andere (kerkelijke) tijden. Het wordt grijs en het wordt dun. Mensen haken af, je eigen kinderen – die geloven natuurlijk wel, maar op hun manier, enzovoort – ieder kan er op eigen manier over vertellen.

Het gaat mij vandaag niet om oplossingen. Zo die er al zouden zijn, ik heb ze niet een twee drie.
Het gaat ook niet om geforceerd optimisme, ook al geloof ik zelf dat de kerk, de kerk als Jezusbeweging altijd wel doorgaat, en nieuwe vormen vindt. Maar dat is ook wat algemeen en vlak gezegd.
Waar het me vandaag wél om gaat, is om die verlegenheid die wij voelen bij deze woorden van Jezus over het zout van de aarde en over het licht voor de wereld, om die te verstaan vanuit de situatie waarin ze voor het eerst geklonken hebben. En dan zul je merken dat we die verlegenheid van ons, misschien wel delen met de leerlingen van toen. En, dat is het tweede, dat juist die verlegenheid creatief en zelfs bemoedigend kan zijn…

Het zijn machtige woorden en sterke beelden.
Zout van de aarde; licht voor de wereld. Dat is nogal wat?
Maar probeer nu even de situatie voor te stellen waarin deze woorden klinken. We volgen de weergave van de evangelist. Hij kiest ervoor om Jezus’ uitspraken te verzamelen en te presenteren als een lange redevoering. Wij zijn dat de Bergrede gaan noemen.

Net als Mozes, die van de berg kwam met de geboden en leefregels van God, is het Jezus die hier vanaf de berg de mensenmassa toespreekt. Net als Mozes, deelt Jezus de regels van God. Hij leert Thora en geeft er een eigen twist aan. Niet tegen Mozes in, maar als het ware nog wat verder.
‘Jullie hebben gehoord dat er is gezegd: Je moet je naaste liefhebben. Ik zeg jullie: Heb je vijanden lief en bid voor wie je vervolgen’. Dat werk. Jezus radicaliseert de oude geboden op zijn eigen manier.

Maar nu die setting.
Spreekt hij al die woorden tot de mensenmassa? Dat lijkt erop, want aan het begin staat dat er een mensenmassa verzameld is (5: 1a).
Of spreekt Jezus vooral tegen zijn leerlingen? Dat zou ook goed kunnen, want aan datzelfde begin staat dat Jezus gaat zitten, met zijn leerlingen om zich heen en dat hij begint en hen onderricht (5:1b).
Slaat dat ‘hen’ op het volk, of alleen op de leerlingen? Of is het beide?
Al zou het zo zijn dat Jezus zich tot zijn eigen leerlingen richt, over hun hoofden heen spreekt hij ook de mensen aan, en over de tijden heen spreekt hij ook ons aan. Immers, daarom staan die woorden opgeschreven. Dat wij ze vandaag, als individuele gelovigen en als kerkmensen, behorend bij de gemeenschap, horen en ze op ons zelf toepassen, dat is natuurlijk de bedoeling.
Maar wij zijn niet de eerste hoorders.
Laat nog even je verbeelding spreken.
Wat zien we daar. Een groep mensen, verzameld in het open veld, Jezus met een kring van leerlingen om zich heen.
Dat is het. Eenvoudige mensen van het volk. Hiervoor heeft Jezus gesproken over de nederigen van hart, de treurenden en de zachtmoedigen en al die andere mensen (5: 3 – 10). Niet de machthebbers, de invloedrijke mensen, de elite of wat dan ook.
Jezus staat hier niet op de trappen van het paleis of op het plein van de tempel, dat komt later ook nog, maar hier is het eenvoud troef.

Zie ze daar zitten. Zo maar in de open lucht.
Twaalf leerlingen, als het ware zo van de straat geplukt. De één stinkt nog naar vis en de ander nog naar geld, want er zijn vissers bij en tenminste één tollenaar, voor zover we weten. Geen gestudeerde mensen, geen baantjesjagers of van de toren blazers, of …
Nou ja, ik weet het ook niet precies. Maar in ieder geval gaat het hier, net zo min als bij de mensenmassa, om hooggeplaatsten of invloedrijke of machtige mensen.

Tegen déze mensen zegt Jezus: jullie zijn het zout van de aarde.
Tegen déze mensen zegt hij: Jullie zijn als een stad op de berg, jullie zijn het licht voor de wereld.

Is dat niet grenzeloos pretentieus?
Is dat niet ontzettend gewaagd?

Want, en dat is belangrijk, Jezus zegt niet: dat moeten jullie zijn of dat moeten jullie worden. Jullie zijn het al. Jezus ziet het helemaal voor zich.
Hij zegt het niet als opdracht en niet als toekomstvisioen. Hij ziet niet een kerk als een machtig instituut voor zich, hij weet niets van kathedralen en eerbiedwaardige kerkgebouwen – hij ziet daar die twaalf Galilese armoedzaaiers en al dat volk er om heen, de schare. En zij zijn in zijn ogen het licht voor de wereld. Nu al. Wat een verbeeldingskracht.

Ik kan me voorstellen dat die leerlingen even verlegen als wij zijn geweest met deze woorden.
Omdat, als ze om zich heen kijken, ze eigenlijk hetzelfde als wij ontdekken, maar dan van de andere kant: hoe de kerk, of de Jezusbeweging, marginaal is, nauwelijks zichtbaar, van geen enkele politieke of maatschappelijke betekenis. De machthebbers lachen er om, als ze het al op zouden merken.
En dat moet het licht voor de wereld zijn, het zout in de pap?

Wat nu volgens mij het punt is, is dat deze bekende woorden van zout en licht, niet bedoeld zijn en ook nooit gezegd zijn, tegen een kerk of een beweging die machtig is, invloedrijk, groot en intimiderend. In de kerk en in het geloof telt niet de macht van het getal, maar de kracht van je overtuigingen, of misschien beter: de kracht van je verbeelding. Dat leert Jezus ons.

Jezus ziet meer in dat zootje ongeregeld, dan zij zelf geneigd zijn.
Dat zit al in de zaligsprekingen, dat gaat door als hij deze woorden en vergelijking maakt.
Jezus ziet meer in mij dan ik van mijzelf mogelijk had gehouden.
En als je dat inzicht eenmaal toelaat, dan kun je zelf daar ook door veranderen, van groeien, dan kan er altijd meer gebeuren of iets anders, iets dat je in de verste verte niet had kunnen bedenken. Dat is de pedagogiek van het geloof. Je licht niet verbergen onder een korenmaat. Wij zouden misschien zeggen dat je een bureaulamp niet onder tafel zet maar er boven op. Klinkt logisch, toch? Laat je licht schijnen. Denk niet te klein van jezelf.

We hadden het over onze verlegenheid.
Die heeft er dan mee te maken, dat wij om ons heen kijken – alles is veranderd, de kerk loopt terug – de omstandigheden zijn natuurlijk heel anders dan toen, ooit, en zo voort. En we zijn er verlegen mee, want wat kun je er aan doen? We hebben al van alles geprobeerd, maar het werkt niet, en zo voort.

Maar dat is een verlegenheid die ontstaat omdat wij als het ware aan de verkeerde kant beginnen.
Jezus heeft het niet over de omstandigheden, Hij spreekt mensen aan, mij en u en jou en ons.
We hoeven de omstandigheden niet te veranderen, we moeten zelf veranderen. Durven veranderen.

De verlegenheid maakt creatief, want daardoor word je uitgedaagd diezelfde verlegenheid te overwinnen.  Een beetje zoals Jezus ons leert kijken.
Dan hoef je je niet blind te staren op het bestaande, de omstandigheden. Je overwint de verlegenheid, door het vertrouwen dat Jezus in jou en ons heeft te omarmen, je eigen te maken. Dan zie je meer dan er te zien is, dan leer je vooral anders te kijken.

Jezus maakt van ons andere mensen. Want Hij gelooft in ons. En als je dat toe kunt en durft te laten, dan kan er van alles gebeuren, dan gaan we andere dingen doen, of de dingen anders. Niet stil in een hoekje, apathisch, lamgeslagen; maar vrolijk en vroom en oprecht. Met kinderlijk plezier en met kinderlijke eenvoud.

Dan gaat er licht van ons uit.
Het licht voor de wereld, betekent: je hebt het licht ontvangen, van Jezus, je hebt het ontvangen om ervan te delen, om het uit te stralen. Laat daarom je licht schijnen, zodat het een oriëntatiepunt voor anderen wordt, een signaal, een baken, en wie weet, een aantrekkingskracht.

Dat ze niet kunnen gaan denken dat het hier niet meer in gebruik is.

Schrijf een reactie

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *