Preken

Ieder naar wat hij aankon, Mat. 25, 14 – 30

Op het eerste gehoor is het een eenvoudig verhaal. Er is een man die op reis gaat en zijn dienaren zijn bezit in beheer geeft. Twee dienaren kwijten zich goed van de taak; een derde verprutst het. Twee worden beloond: ‘Wees welkom bij het feestmaal van je heer’; de derde wordt naar buiten gekieperd ‘in de uiterste duisternis, waar men jammert en knarsetandt’.
Dat laatste had van ons niet gehoeven, die duisternis en dat tandengeknars. Dat gun je niemand, ‘zelfs je ergste vijanden niet’. Het is wel wat erg streng. Maar dat die derde er een potje van gemaakt heeft, dat is overduidelijk. Hij heeft het talent dat hij in beheer heeft gekregen in de grond gestopt. Hij heeft er niks mee gedaan. Die andere twee, voorbeeldige, dienaren, die hebben tenminste ‘gewoekerd met hun talenten’.

PRINTVERSIE

Je moet woekeren met je talenten. Dat is een vaste uitdrukking in onze taal geworden en dat komt hier vandaan. Maar dat is niet helemaal terecht.
Woekeren met je talenten, dat betekent zoiets als: je moet er het beste van maken, met dat wat je mee hebt gekregen aan vaardigheden, lichamelijk, geestelijk. Je moet je capaciteiten optimaal benutten. De één heeft nu eenmaal meer meegekregen dan de ander, net zoals in de gelijkenis. De één heeft vijf, de andere twee en die laatste maar één talent. ’t Is oneerlijk verdeeld, maar daar moet je het nu eenmaal mee doen, zeggen wij dan.

Dat is dus niet terecht. Tenminste niet, als je het met deze gelijkenis verbindt. Want een talent is hier een bepaalde hoeveelheid geld, het gaat niet over jouw capaciteiten. In ons spreekwoord gaat het om talent, begaafdheden – dingen waar jij goed in bent of in uitblinkt. Dat is wat anders dan de talenten uit de gelijkenis.

De eigenaar vertrouwt zijn bezit aan zijn knechten toe, en dan staat er: een ieder naar hij aankon. Ieder naar eigen vermogen. Ieder naar eigen kunnen. Dat betekent al dat hij niet begaafdheden verdeelt. Hij verdeelt geen capaciteiten. Ieder mens heeft zijn of haar eigen capaciteiten. Wat de heer verdeelt, is zijn bezit.
Hij vertrouwt zijn bezit, zijn geld, toe aan zijn knechten, een ieder naar hij aankon. Dat betekent: Hij houdt rekening met ieders kunnen en stelt dáár de verdeling op af. Niemand wordt overvraagd. Alle drie worden op een vergelijkbare manier behandeld, ook al krijgen  ze ieder wat anders in beheer. Alle drie krijgen ze een deel van het bezit van de man toevertrouwd en daar gaat het om.
Het is niet belangrijk dat de een meer talenten krijgt dan de ander; het beslissende is het vertrouwen dat de eigenaar in zijn dienaren stelt. Hij vertrouwt hun zijn bezit toe – Hij geeft als het ware zichzelf uit handen.

Dat hier de spits van het verhaal ligt – in het vertrouwen dat de heer schenkt – wordt ook duidelijk als de rekening wordt opgemaakt.

Het verhaal spiegelt zich. Als de heer terugkeert, betreden de drie knechten weer het toneel. De eerste twee hebben met hun deel handel gedreven en het zo laten groeien. De manier waarop zij de heer toespreken is haast identiek. De manier waarop zij door de heer worden toegesproken ook. Ze zijn ‘goed en betrouwbaar’ gebleken.
Dat geldt dus niet voor de derde. De toon is daar ook meteen anders. Let maar op, hoe die derde meteen begint zichzelf te verontschuldigen en zich er uit probeert te praten: “Heer, ik wist van u dat u streng bent…” (o ja, hoezo wist hij dat?) “u maait waar u niet heeft gezaaid en oogst waar u niet heeft geplant” (waar haalt hij dat vandaan? Wat geeft hem aanleiding om zo van zijn heer te spreken?)… en dan komt het “uit angst besloot ik uw talent te begraven”. Uit angst… en: uw talent.

Wat betekent dat?
Je zou kunnen zeggen: Och, is het zo verkeerd wat hij heeft gedaan. Hij heeft het keurig bewaard. Wat hem is toevertrouwd kan hij ongeschonden teruggeven. De heer is er niets bij ingeschoten. Is dat nu zo vreselijk verkeerd? Moet je daarvoor de duisternis ingestuurd worden en naar het tandengeknars?

Maar in de gelijkenis gaat het om wat anders.
De tegenstelling is niet tussen twee ijverige, gehoorzame dienaren en één luie. De tegenstelling is niet tussen twee begaafde knechten en één die nergens voor deugt. De tegenstelling in deze gelijkenis is tussen degenen die met het hun toevertrouwde aan de slag gaan, en degene die uit angst apathisch wordt. Niet handelt. Niets er mee doet.

Dat ligt niet aan een gebrek aan begaafdheid. Alle drie hebben ze het vertrouwen van hun heer gekregen, ieder naar wat hij aankon. Niemand wordt overvraagd. Wat beslissend is, os of je dat vertrouwen kunt ontvangen, of je dat vertrouwen je eigen kunt maken. Want alleen dan kun je er ook iets mee doen.

Het vertrouwen van de heer, dat is in de vergelijking van de gelijkenis, het vertrouwen dat God zelf, de Heer, mensen schenkt. Hij is als die man die op reis is gegaan en zijn bezit aan ons heeft toevertrouwd. God is buiten beeld. Wij moeten het hier doen, in zijn naam, in zijn geest. De talenten, dat is wat God geeft, de goedheid, de genade, het leven en de levenskansen die Hij schenkt. Alles wat we hebben, hebben we gekregen. Wij worden geroepen om daarmee te leven, het te vermenigvuldigen door er van te delen.

Ieder krijgt zijn of haar deel. Dat is het punt niet. Het punt is, wat je daarmee doet.
De derde knecht is er verlegen mee. Wat hem is toevertrouwd, wordt nooit zijn hart en ziel. Hij wil er eigenlijk het liefst zo snel mogelijk van af.

Van de andere twee staat dat zij op weg gingen met het talent dat ze ‘ontvangen hadden’. Het was een deel van hun leven geworden. Van de derde staat er veelbetekenend dat hij besluit ‘het geld van zijn heer’ te begraven. Het is nooit van hemzelf geweest. Hij verbergt het in de aarde, zoals je een dode begraaft.

Vandaar ook dat er bij de afrekening staat: ‘hier hebt u uw talent terug’. Het is hem nooit eigen geworden. Hij heeft, om het wat traditioneel te zeggen, zich de genade niet toegeëigend. En dan blijft het dood, begraven, vruchteloos.

De belangrijkste tegenstelling in deze gelijkenis is die tussen vertrouwen en angst. God schenkt ons mensen zijn goedheid. Hij vertrouwt ons zijn bezit, de ganse schepping, toe. En dan is er vervolgens het verschil tussen degenen die vertrouwen en aanvaarden, om iets met de talenten, die staan voor Gods goedheid, Gods genade, te doen, en aan de andere kant degene die door angst raken geblokkeerd. Die Gods goedheid niet accepteren durven of kunnen, die er niets mee aanvangen. Zaad op de rotsen. Geld in de grond. Vruchteloos. Doods. Duisternis.

Het komt er dus op aan, de moed te hebben dat wat God jou toevertrouwt, werkelijk te ontvangen. En dat betekent in het licht van de gelijkenis van vanmorgen: om er iets mee te doen.
Het is in alle gelijkenissen die Jezus hier vertelt, aan het einde van het evangelie, als het erom spannen gaat, de rode draad. Het komt op je daden aan. Zoals in de gelijkenis van het laatste oordeel, hier meteen aansluitend. Daar is zoals bekend het beslissende, wat je aan de minste van de broeders en zusters hebt gedaan, een beker water voor de dorstige, een stuk brood voor de hongerige. Dan gaat het om het kleden van de naakten, het herbergen van de vluchtelingen, het bezoeken van zieken en gevangenen. Kortom, om de gewone menselijke medemenselijkheid. Of je het evangelie doet, of je dat wat je is toevertrouwd, gebruikt ten nutte, of dat je het doelloos begraaft.

Gods goedheid, vermenigvuldig je door te delen. Zijn genade, die we zelf uit vertrouwen ontvangen, draag je uit, door ook anderen daar in te betrekken. Dat kan iedereen. Ja, ook jij, ook ik. Zoveel vertrouwen stelt de Heer in zijn dienstknechten. Dat kan iedereen, ieder op zijn of haar eigen wijze, ieder naar wat hij aankan.

AMEN

Previous Post Next Post

No Comments

Leave a Reply