Mensen hebben soms de meest bizarre ideeën. U kent het fenomeen van de complottheorieën: We worden geregeerd door een samenzwering van reptielen. Vliegtuigstrepen zijn chemtrails: we worden met allerlei chemische stoffen besproeid. In Roemenië zijn deze week ambulances aangevallen met bijlen, knuppels en stenen, omdat via TikTok het nepnieuws werd verspreid dat de ambulances gebruikt worden om kinderen te ontvoeren.
Nu is het heel moeilijk om mensen die zulke waanbeelden hebben daarvan af te brengen. Dat hoor je ook van psychologen die geradicaliseerde jongeren proberen te deradicaliseren. Argumenten helpen niet, omdat die omgedraaid worden en hun gelijk juist bevestigen. Het zijn dezelfde mechanismes als in sektes waarin mensen zijn gehersenspoeld.
Wat wel kan helpen, las ik ooit, is dat je er niet tegen in gaat of hun ideeën als onzin afdoet, maar dat je vraagt: ‘Sinds wanneer ben je er zo over gaan denken?’ Het idee is dat door zo’n open vraag, zonder afkeuring of oordeel, de ander daar over gaat nadenken: ja, hoe ben ik eigenlijk op dit idee gekomen? En dan, geleidelijk aan doorkrijgt: ‘hoe ik er nu over denk, dat is ooit anders geweest’. Dus, ideeën of meningen kunnen veranderen… Een mening is niet zomaar een mening, maar wel iets dat je bij kunt stellen. En dat een ander een andere mening heeft, dat heeft ook ooit voor mij gegolden…
Maar ja, als je zo ver bent dat je je eigen mening kunt relativeren, dan ben je al niet meer geradicaliseerd.
Nou, het zal best veel ingewikkelder zijn.
Maar die techniek, die vraag ‘wanneer ben ik er zo over begonnen te denken?’ dat is eigenlijk een heel vruchtbare vraag, ook om jezelf te stellen.
U bent niet geradicaliseerd – neem ik maar even aan – maar wij hebben allemaal ook onze meningen en opvattingen. Over van alles en nog wat, de politiek, de jeugd van tegenwoordig, onze opvattingen over kerk en geloof. En soms kunnen mijn meningen heel stellig zijn.
Maar, om bij dat laatste te blijven, zoals ik nu denk over het geloof, of over de Bijbel, dat was vroeger anders. Dat is anders dan ik het ooit van mijn ouders heb geleerd. ‘Wanneer ben ik er eigenlijk anders over gaan denken – en hoe is dat zo gekomen?’
We lezen in de kerk in dit seizoen uit het evangelie van Matteüs. Aan het einde daarvan staat een bekende tekst, die u wel kent. We zijn dan aan het einde van het verhaal. Jezus is gekruisigd, gestorven en opgestaan. Hij roept voor de laatste keer zijn leerlingen samen en stuurt ze de wereld in: ‘Ga op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen…’ We noemen dat ook wel het zendingsbevel. Alle volken…
Daarna is het evangelie uit en Jezus naar de hemel.
Maar stel dat we het Hem nog zouden kunnen vragen: ‘Wanneer bent U eigenlijk begonnen er zo over te denken? Dat alle volken het evangelie moeten horen. Dat iedereen gedoopt moet worden en de hele wereld bereikt moet worden?’, dan zou het weleens zo kunnen zijn, dat Jezus ons dan verwijst naar het verhaal dat we vandaag hebben gelezen. Naar zijn ontmoeting met de Kanaänitische vrouw in het gebied van Tyrus en Sidon.
Dat Hij dan zegt:
“Toen is bij mij het inzicht doorgedrongen, dat Ik niet alleen boodschap heb aan mijn eigen Joodse volksgenoten, maar dat de boodschap van Gods liefde voor iedereen geldt. Dat even zo goed heidense mensen, de niet-Joden, voorwerp zijn van Gods goedheid.
Dat had ik eerst nog niet zo scherp, dat mag je rustig weten”, zegt Jezus. “Maar die vrouw, die heeft mij dat geleerd. Door de ontmoeting met haar en door haar grote geloof, haar vastberadenheid en durf, heeft ze mij dat geleerd”.
We weten het natuurlijk niet. Maar het zou zomaar kunnen. Of is dat te ver gezocht?
Het veronderstelt dat Jezus op andere gedachten komt.
Maar kan dat wel? Jezus is de Zoon van God, en dan weet je alles toch zeker en heb je het gelijk aan je kant. Dan kun je je toch niet vergissen, of van gedachten veranderen? Dat past niet bij het goddelijke, bij God die alles weet en alles voorziet. Jezus kan zich niet vergissen, dat is veel te menselijk gedacht.
Ja, zo dacht ik – zo dachten we er vroeger over – maar dat is veranderd. Misschien toen we Jezus meer menselijk gingen zien, mens als wij. Of, toen we ontdekten dat de menselijkheid van Jezus niet in mindering komt op zijn goddelijkheid, maar er juist de uitdrukking van is…
De ontmoeting met de vrouw is een bijzonder verhaal. En het is een cruciaal moment in het evangelie.
Het is één van de spaarzame keren dat Jezus buiten de landsgrenzen is. In het gebied van Tyrus en Sidon, klinkt het hulpgeroep van een Kanaänitische vrouw – een niet-Joodse, maar ze roept Jezus aan als ‘Zoon van David’, een joodse eretitel.
Hoe dan ook, de leerlingen vinden haar lastig, willen haar wegsturen.
Jezus weert ook af.
“Ik ben alleen gezonden naar de schapen van het volk Israël”, zegt Hij. Je vraagt je dan af wat Hij dan daar doet, in het heidense gebied, maar goed.
De vrouw laat zich niet uit het veld slaan. Ze dringt op en valt voor Jezus op haar knieën. Haar nood is er groot genoeg voor; haar dochter is psychisch in de war – en dat is een grote ellende, als u daar mee bekend bent. De moeder houdt aan.
Jezus wordt geïrriteerd: ‘Het is niet goed het brood voor de kinderen aan de honden te voeren’. Dat is niet grappig bedoeld. Dat is beledigend. De kinderen, dat zijn de mensen van zijn eigen volk; de honden, dat zijn de heidenen. Honden zijn niet de vertroetelde huisdieren van nu, maar het uitschot, de straathonden, onrein.
Waarom is Jezus zo grof?
Maar nog is de vrouw niet verslagen. Ze geeft niet op. Ze houdt vol. Misschien wel extra getergd door de belediging. Of, al zo gehard door de vele tegenslagen en teleurstellingen, dat ze niet meer geraakt wordt door welke belediging dan ook, maar des te vastberadener is voor haar dochtertje op te komen.
Hoe het ook zij, haar reactie is meesterlijk: ‘OK, jij gelijk. Maar die zelfde honden mogen toch wel de kruimels eten die van de tafel van hun baas vallen?’
En daarmee heeft ze Jezus. Daarmee heeft ze Jezus om.
Als een blad aan de boom verandert de toon en is het alsof Jezus nu de vrouw bewonderend en geamuseerd toespreekt: ‘Groot is uw geloof’.
Geloof, als doorzettingskracht. Geloof, als vastberadenheid.
Geloof, als met de moed der wanhoop. Je blijven inzetten voor wat goed en rechtvaardig is, tegen alle tegenwerking in. Zelfs al komt die van de Heer zelf.
In het evangelie is het een van die scenes en dan gaat het daarna weer verder met een ander verhaal, een volgende ontmoeting. Maar het is niet raar om aan deze ontmoeting een cruciale, beslissende betekenis te hechten. Dat het evangelie en dat de missie van Jezus niet alleen voor zijn eigen volk is, het idee dat het een universele boodschap is, dat besef is misschien hier voorgoed doorgebroken. Wie zal het zeggen. Er wordt door Jezus en de leerlingen niet uitgebreid op terug gekeken; geen evaluatie of zoiets. Zo zit het evangelie niet in elkaar.
Maar de suggestie is dat wat pas na Jezus’ leven zelf, na de tijd van het evangelie, een wereldwijde beweging is geworden, hier al wordt voorbereid. Zoals er in het evangelieverhaal meer zogenaamde buitenstaanders zijn, Romeinse officieren, de centurio onder het kruis (alleen bij Matteüs!), die al mee mogen gaan doen.
Deze anonieme buitenlandse vrouw, is de heldin van dit verhaal.
Haar geloof is een voorbeeld.
Want zeg nu eerlijk, zou ik zo durven reageren?
Misschien moet je een moeder zijn, om zo te kunnen vechten voor je kind.
Ze geef in ieder geval niet op. Ze zegt niet, och, het is zoals het is. Of je moet er maar mee leren leven. Dat zegt Jezus trouwens ook niet. Hij predikt geen berusting. Eigenlijk nergens in het evangelie, terwijl ons dat vaak wel is gezegd of aangeleerd. Berusting. Maar daar zijn we anders over gaan denken en misschien is dat wel begonnen met dit verhaal en met deze dappere vrouw.
Haar groot geloof is geen berusting in haar lot. Haar groot geloof is niet omdat ze nederig is, maar omdat ze opstandig is en blijft. Ze legt zich niet neer bij het onvermijdelijke, bij wat we toch niet veranderen kunnen. Moet jij eens zien! Hondsbrutaal??
Los van het individuele, zit er daarom volgens mij ook een les voor ons zelf in.
Het geloof van deze vrouw is aanstekelijk en inspirerend, juist omdat zij zo volhardend is.
Wij doen vaak of geloven bestaat uit het aannemen van allerlei ideeën of opvattingen. Dat geloven bestaat uit het aanvaarden van waarheden.
Maar geloof is misschien wel eerder het in verzet komen tegen wat in de wereld als waarheid wordt verkocht. Dat het is zoals het is, dat er nu eenmaal niets aan te doen is, of dat er geen alternatief is (TINA), of dat het altijd zo al is gegaan zoals het gaat en meer van dat soort complottheorieën. Geloof is niet instemmen maar juist in verzet komen tegen dit soort platitudes. Je niet neerleggen bij wat onvermijdelijk lijkt.
Dat doet die vrouw. Dat doet die vrouw mij voor.
Groot is haar geloof.
Groot genoeg om zich te laten voeden met de kruimels van ’s Heren tafel.