Een groot deel van de fascinatie voor de figuur van Jezus wordt veroorzaakt door het feit dat hij zo ongrijpbaar is.
U hebt andere dingen aan uw hoofd, maar ik lees nog wel eens een boek over Jezus. Je verbaast je erover dat er steeds weer nieuwe titels verschijnen. Zoals onlangs het boek Jezus. De Zeloot, geschreven door een Amerikaans-Iraanse godsdienstwetenschapper Reza Aslan, die zoals de titel al onthult Jezus schetst als een politieke activist, een soort religieuze terrorist. Hij voert heel wat argumenten aan om dat te onderbouwen. Of het allemaal even overtuigend is, laat ik nu maar in het midden. Het punt is dat voor heel veel karakteriseringen van Jezus materiaal en argumenten aan te dragen zijn. Jezus, een politieke activist? Of Jezus, de vredestichter? Jezus de Jood, of degene die een verstard Jodendom openbreekt? Zoon van God, of Mensenzoon, één van ons? Of is dat geen tegenstelling?

Dat ongrijpbare, dat mysterieuze, maar ook dat fascinerende (waardoor al die boeken maar blijven verschijnen), komt voor mijn gevoel heel mooi samen in die wonderlijke verhalen van na Pasen. De zgn. verschijningsverhalen. Vandaag overdenken we zo’n verhaal. Misschien kun je zeggen dat het een combinatie van verhalen is. Over de wonderbaarlijke visvangst – een verhaal dat andere evangelisten juist aan het begin vertellen, maar Johannes aan het einde. Een verhaal over Petrus, die enthousiast en onbesuisd het water inspringt. Maar ook een verhaal over een wonderlijk ontbijt, brood en gebakken vis, op het strand van het meer. Je voelt de spanning in de lucht hangen, als er staat: “Geen van de leerlingen durfde hem te vragen wie hij was, ze begrepen dat het de Heer was”.
Het ontbijt in de morgen dat een soort avondmaal wordt: “Jezus nam het brood en gaf hun ervan, en hij gaf hun ook vis”.
Wat betekenen deze verhalen?
Wat willen ze ons vertellen, over Jezus, maar, belangrijker, wat willen ze ons duidelijk maken over ons zelf, en over ons leven na Pasen?
De eerste functie is ongetwijfeld om aan het paasgeloof van de gelovigen een basis te geven. Het geloof dat de boodschap en de betekenis van Jezus niet voorbij is, na zijn dood, ook nu hij niet meer onder ons op deze wereld is, wordt gevoed door deze verhalen. Over hoe Jezus in de kring van zijn leerlingen verschijnt. Over hoe hij de gemeenschap herstelt.
Het zijn verhalen die ook willen benadrukken dat zijn opstanding geen schimmenspel is, maar dat hij voortleeft als de mensen leven, hij eet en hij praat, hij consumeert en converseert – en dat heeft een zeker belang.
Maar onder die oppervlakte van deze verhalen, merk je al snel dat er de nodige symboliek in zit. Het is niet erg als je dat niet meteen ziet, maar het is wel zo dat, als je het eenmaal door hebt, zulke verhalen dieper tot je kunnen gaan spreken.
Bijvoorbeeld: Jezus eet met zijn vrienden. Ja, maar hij eet vis. Zoals in het hele verhaal de vissen een bijzondere rol spelen, de wonderbaarlijke visvangst, de 153 vissen.
Nu is de vis een oud-christelijk symbool, zoals u weet. Want het Griekse woord voor vis is ichthus en van de letters van dat woord maakten de eerste christenen een soort geheim teken: Jezus Christus, zoon van God, redder. Codetaal die je bijvoorbeeld in de oude catacomben in Rome terug kunt vinden.
De dichter Nijhoff kende zijn klassieken. Van hem is het volgende vers:
Waarom waren het vissers,
die van schip en net
werden geroepen
bij ’t meer van Genesareth?
Omdat Hij een Vis
en een Visser is.
Er worden 153 vissen gevangen. Waarom wordt dat opmerkelijke getal zo precies genoemd? Al in de oude kerk vind je daar verschillende uitleggingen van. Van kerkvader Augustinus, die leefde eind derde begin vierde eeuw, zijn diverse preken over dit getal bewaard gebleven. Wat betekent 153? 153 = de som van 1+2+3+4 enzovoort tot en met 17. 17 = 10 + 7. 10 staat voor de Tien geboden en 7 voor de Zeven geesten voor Gods troon, dus Oude en Nieuwe Testament. Ook andere symbolische uitleggingen zijn mogelijk.
Nogmaals, als je dat allemaal niet weet, mis je niks, maar als je het wel weet, krijgt zo’n verhaal opeens diepgang.
Datzelfde geldt voor de figuur van Petrus. Hij speelt een prominente rol, überhaupt in de verschijningsverhalen van het evangelie van Johannes. Dat heeft er onder andere mee te maken dat Petrus in de eerste christelijke gemeente een belangrijke rol vervulde. Volgens de traditie is hij zelfs de eerste paus geweest.
Hoe dan ook, Petrus neemt het initiatief. Hij zegt: Ik ga vissen, en de anderen volgen hem. Het lijkt even alsof ze hun oude beroep weer oppakken, alsof ze de draad van hun oude leventje weer oppakken. Maar al snel wordt die dagelijkse routine doorbroken door Jezus die aan de oever van het meer staat, maar nog niet door de leerlingen wordt herkend. Ochtendmist over het meer? Nevels van wit?
Als het vermoeden dat het de Heer is, uitgroeit tot zekerheid, is het weer Petrus die het initiatief neemt. Halsoverkop stort hij zich het water in.
En als er dan op het strand een maaltijd wordt gehouden, waar brood en vis op een vuurtje liggen te roosteren, vraagt Jezus ook van de vis uit die grote vangst. En dan is het weer Simon Petrus die het net dat maar niet scheurt erbij sleept.
Al die tijd spreekt Petrus niet. Dat komt pas hierna. Maar in alles is duidelijk dat hij de eerste onder zijns gelijken is.
Maar als het zo is, dat in de figuur van Petrus er ook iets gezegd, verteld wordt, over de kerk, de gemeenschap die in het spoor van deze Jezus is ontstaan, dan is het de moeite waard daar nog even wat langer bij stil te staan.
Want wat vooral opvalt in deze verhalen is die merkwaardige dubbelheid, van vermoeden en herkenning, van zekerheid en twijfel. Er is dat wat we eerder de ongrijpbaarheid van Jezus noemden, het mysterieuze of misschien wel mystieke dat rond om hem hangt. Er is die wonderlijke sfeer van stil zwijgen, van halve woorden en hele gebaren. Dingen die gedaan worden, brood en vis breken en delen, en meteen een diepere lading verraden. Je proeft een dubbele sfeer, van uitbundigheid en overvloed aan de ene kant – ik ga vissen, Petrus die pardoes het water inspringt, de overdadige visvangst; en tegelijk aan de andere kant die schroomvallige gereserveerdheid. Alsof men bang is de mystieke stilte te doorbreken die deze ochtend rondom hen hangt. Niemand durft hem te vragen wie hij was…

Ik zou denken, we doen er goed aan, om iets van die voorzichtigheid van de leerlingen bij het benaderen van de opgestane Jezus vast te houden, om dat tot een bestanddeel van onze gelovige houding te maken.
De boodschap van Pasen die in deze verhalen door klinkt, is de verkondiging van de Opgestane, maar die verkondiging gaat altijd gepaard met een zekere behoedzaamheid, schroomvalligheid, voorzichtigheid. Is het ook: met aarzeling?
Als je nadenkt over wat Pasen voor je zelf betekent, over geloof in de toekomst, in de kracht van het leven. Als Pasen betekent: er is leven voorbij de dood en de doodsheid, dan kan je ook gemakkelijk het gevoel overvallen: is dat wel zo? Bij alles wat er gebeurt, bij wat je zelf in het leven te verstouwen krijgt, bij al die mensen die we onderweg al zijn kwijtgeraakt, bij dat wat voorgoed voorbij is, verleden tijd. Klopt het wel? Is het niet een mooie droom, een illusie, die misschien troost geeft, maar hoe echt is dat? Kan dat wel? Kan ik dat wel geloven?
‘Kan niet’ ligt op het kerkhof en ‘wil niet’ ligt er naast.
Zo simpel is het uiteindelijk.
Geloven in Pasen is nooit vanzelfsprekend, het paasgeloof moet altijd weer opnieuw op je eigen twijfel en aarzeling, op zijn eigen onmogelijkheid worden veroverd. Je moet het willen geloven. Dat zit al in de evangelieverhalen zelf, zie de twijfel van Tomas, zie de aarzeling bij de leerlingen. Dat maakt die verhalen ook zo levensecht, herkenbaar en daardoor overtuigend.
De boodschap van Pasen is niet triomfalistisch, maar teer. Omdat het een geheim is. Omdat het afhangt van of wij het geloven… willen. Niet kunnen, want dat kan niemand, maar willen.
U kent misschien het verschil tussen een raadsel en een geheim.
Raadsels kunnen opgelost worden. Geheimen worden je geopenbaard.
Een raadsel dat opgelost is, is geen raadsel meer. Maar een geheim dat geopenbaard wordt, blijft een geheim en wordt misschien zelfs wel groter.
Pasen is een geheim. Het wordt uit de stilte geboren.
Het is toch opvallend dat de opgestane Heer geen uitvoerige verhandelingen geeft, geen uitgebreide uitleg – iets wat elders in het evangelie van Johannes volop gebeurt. Pasen openbaart zich in de stille eenvoud van brood en vis. In de stilte van de ochtend. De stilte van een nieuwe dag… als de schepping ontwaakt, als alles nog mogelijk is, de dag, het hele leven als een belofte voor je open ligt.
AMEN
Mooie preek, Bert. Na ons fietsgesprek afgelopen week was ik uiteraard extra benieuwd.
Ik vroeg me wel af wat al die ‘neofundamentalisten’ nou van zo’n preek zouden vinden, mede ook weer door het verhaal van Freek Houweling op de Podiumpagina in Trouw vandaag. Zouden ze het niet te vaag vinden, een verhaal van “de generatie die alles betwijfelde” die “vaak een groot deel uit(maakt) van deze (nl. PKN-) gemeenten.”