Helpdesk, Mat. 17, 14 – 21

Als ik problemen heb met de computer of met de telefoon, dan kan ik een beroep doen op de helpdesk. Dat klinkt interessant, maar dat komt er in de praktijk op neer dat ik moet wachten tot één van de kinderen langskomt. Misschien herkenbaar? En als u geen kinderen hebt, dan is het wellicht een buurjongen of één van je nichtjes of wie dan ook.
Als die jonge mensen dan komen, is het even van hup, hup, hup en dan is het gefikst. En vraag ik me af, waarom kon ik dat niet? Je schaamt je een beetje dat je daar iemand voor hebt laten komen.

Ik stel me zo voor dat de leerlingen van Jezus een vergelijkbaar gevoel hebben. Die wanhopige vader brengt zijn zieke zoon bij de leerlingen. ‘O Jezus zelf is er even niet? Maar kunnen jullie hem dan niet genezen. Je hebt het hem al zo vaak zien doen. Kunnen jullie mijn zoon niet helpen?’ Maar ze kunnen het niet.

En als dan Jezus zelf er bijkomt, dan is het van hup, hup, hup – nou ja, daar lijkt het een beetje op. Hij sprak de demon streng toe. Dat is alles. Deze ging uit de jongen weg en vanaf dat moment was hij genezen.
Hoe kan dat?

Dat is de vraag van vanmorgen: hoe kan dat? Een vraag met verschillende lagen. Ik wil proberen om die verschillende lagen met u af te pellen.
De eerste laag is: Hoe kan dat? Dat een jongen die geplaagd wordt door een demon – wij zouden zeggen, een jongen met psychische problemen – hoe kan dat dat die zomaar in één oogwenk genezen wordt. Kan dat wel?

Als je het verhaal moet geloven wel, maar als we eerlijk zijn: zo werkt het in het echte leven niet.
Iedereen die ervaring heeft met psychische ziektebeelden zal dat kunnen beamen. Als je daar al van genezen kunt, gaat het om lange trajecten. Vaak is het meest optimale, een manier vinden om met je psychische kwetsbaarheid te leren leven.

Ik las een artikel over jongeren met ernstige psychische problemen die daardoor ondraaglijk lijden en een verzoek tot euthanasie indienen. Daar is momenteel veel discussie over. En terecht natuurlijk, want dat is nogal wat.
Het voert te ver om daar nu dieper op in te gaan en een preek leent zich daar ook niet voor. Maar in dat artikel las ik over een hulpverleningsinstelling in Vlaanderen die niet bij voorbaat de doodswens van de jongeren afwijst, maar daarin meegaat – zonder aan te sturen op daadwerkelijke euthanasie. Het gaat erom de doodswens van de betrokkenen te onderzoeken, oordeelloze aanwezigheid, om de existentiële vragen (over het leven) te verkennen. Ze willen ‘compagnons de route’ zijn, weggenoten op zijn Frans. Ik vond dat een mooie term.
Met de psychisch gekwelde mens / jongere op weg zijn. Of zoals een psychiater het verwoordt: niet de behandeling staat centraal, maar de relatie.

Dat is dus wat anders dan de genezing door één machtswoord of één (magische) handeling. Zo werkt het niet. Zoiets kan alleen gebeuren in relaties die langer duren. De tijd is een belangrijke factor.
Tegelijk is het wel zo, dat soms één woord of één interventie of één moment, het kantelpunt kan zijn in zo’n langdurig traject. Dat een behandelaar iets zegt, wat het kwartje doet vallen. Niet zelden, als je dat achteraf terugkrijgt, ben je je er zelf nauwelijks van bewust dat gezegd of gedaan te hebben.

In het verhaal heet het dat de jongen ‘vanaf dat moment genezen was’. We weten er te weinig van, het gaat ook niet om een uitgebreide diagnose, maar misschien zit het daarin. Maar dan nog, zal er tijd voor herstel nodig zijn geweest, zoals iedereen weet die van een ziekte of ingreep of crisis herstelt of revalideert. Je bent niet zomaar de oude; en misschien, als het gaat om psychische ziektebeelden is dat juist niet de bedoeling, dat je de oude wordt.

Hoe het ook zij, in dit evangelieverhaal en in het handelen van Jezus zit iets wat hier toch bij aansluit? Hoezeer het ook gekleurd is door de cultuur en de opvattingen van die tijd, twintig eeuwen geleden, wat Jezus hier doet is niet zozeer een behandeling, maar wel een relatie leggen. Dat is eigenlijk in alle genezingsverhalen die van Hem worden verteld aan de orde. Jezus raakt mensen aan. Of spreekt hen toe. Soms worden mensen uit de menigte naar voren gehaald, face to face. Altijd is er een bijzondere vorm van contact, ook hier. ‘Breng hem bij Me’, en dan wordt de jongen of de kwade geest, in de beleving van toen, direct aangesproken. En is de jongen op slag genezen.

Hoe kan dat?
Er zit een tweede laag in die vraag.
Dat heeft te maken met de leerlingen. Waarom konden wij dat niet? vragen ze Jezus.
Het zit hun toch niet lekker. Is het schaamte?
Waarom lukt het hen niet?
Jezus antwoordt nogal direct, en zonder verzachtende omstandigheden: vanwege jullie gebrek aan geloof.
En dan gaat het over geloof, over ongeloof, over gebrek aan geloof, over geloof als een mosterdzaadje.
Je hoeft dus niet veel geloof te hebben – dat suggereert de vergelijking met het kleine mosterdzaadje – maar wel een krachtig, kiemkrachtig geloof.

Wat is dat?
In het artikel dat ik net noemde, over jongeren die ondraaglijk psychisch lijden en een doodswens ontwikkelen, las ik ook het volgende, uit de mond van één van de mensen die pleiten voor een andere benadering, de compagnon de route:
Soms kan het iemand erg helpen om te voelen dat een ander nog wel hoop heeft voor jou. Dat iemand je nog de moeite waard vindt om te zoeken naar mogelijkheden in het leven.’

Ik ben geneigd dat te verbinden met wat Jezus hier doet, en op al die andere plaatsen in het evangelie bij die zogenaamde wonderverhalen.
Het is de hedendaagse uitdrukking van wat geloof in de kern is:
Dat je de moed en de hoop levend houdt, om te blijven zoeken naar mogelijkheden in het leven. Dat kan gelden op het individuele vlak, zoals in dit verhaal. Dan begint het geloof bij die vader, die zijn zoon naar Jezus brengt. Als hij er geen heil in zag, als hij niet zou hopen dat het toch nog anders kon met zijn kind, had die vader dat niet gedaan.
Het speelt net zo goed bij de grote maatschappelijke problemen waarmee we vandaag de dag in de wereld worstelen. Dat kan je zo overweldigen, vooral jongeren lijden daaronder, dat je totaal verlamd raakt, of in de ontkenning schiet, of er depressief van wordt.

Geloof is, de hoop dat er mogelijkheden zijn, alternatieven, dat het zo niet hoeft te blijven, ook al weet je niet meteen hoe het wel moet of hoe het anders kan. Maar dat laatste niet opgeven, openhouden.
Dat is geloof, dat er iemand is die met je meegaat en dat je samen zoekt, voor elkaar en met elkaar, naar wat wél kan, naar wat openingen biedt, naar mogelijkheden om te leven, beter te leven, dieper, wezenlijker.

Kennelijk ontbreekt het de leerlingen, ontbreekt het ons blijkbaar te vaak aan zulk geloof. We geloven van alles, maar geloven we er ook werkelijk in, dat dingen veranderen kunnen. Dat niets voor altijd vastligt of gegeven is. Geloven we genoeg om het onrecht, in welke vorm dan ook, actief te weerstaan?

Dat brengt ons bij een derde laag, de laatste, die volgens mij in die kernvraag ‘Hoe kan dat?’ meeklinkt. En dan gaat het over ons zelf.
Zo’n verhaal heeft mij / ons ook altijd iets te zeggen.
Het is niet de grote Jezus-show. Nee, wij worden ook uitgedaagd om te doen als Hij. Dat zit al in de tekst.
Het gaat niet voor niets in deze scène om de leerlingen en de omstanders, het volk. Zo komen ook wij in het verhaal voor, als de omstanders en toehoorders van vandaag.
Juist dat is van belang, dat de leerlingen niets konden. Dat het hen niet lukt, de jongen te helpen, is precies het thema.

Als ze dat aan Jezus vragen, hoe kan dat?, geeft Hij het als het ware weer terug.
Want Jezus zegt niet: ‘Ja, zoiets gaat jullie nooit lukken. Daar heb je goddelijke wonderkracht voor nodig, dat is niet weggelegd voor eenvoudige stervelingen’,  of zoiets. Hij zegt niet: ‘dat kan ik alleen, goed dat ik net op tijd terug kwam’, of iets dergelijks. Hij neemt de verantwoordelijkheid bij de leerlingen niet weg of verontschuldigt hen. Nee, Jezus spreekt hen (en dus ons ook) aan op hun ‘gebrek aan geloof’. Met andere woorden, zouden zij/wij wél over voldoende geloof beschikken, moet je zien wat er dan allemaal zou kunnen gebeuren. Of met andere woorden, zou je wél geloof hebben, dan kun je bergen verzetten. Jezus spreekt hier als het ware vanuit dezelfde positie als die we net citeerden:
Hij is die “ander die nog wel hoop heeft voor jou. Iemand die je de moeite waard vindt om te zoeken naar mogelijkheden in het leven.”

Het is een beeldende overdrijving, zeker, maar de boodschap is helder.
Wie gelooft, gelooft in mogelijkheden voorbij de grenzen van zijn eigen voorstellingsvermogen. Wie gelooft, legt zich niet neer bij het ‘nu eenmaal’ van de omstandigheden, maar blijft hopen, streven, werken en zoeken naar nieuwe mogelijkheden, naar scheuren en barsten in het bastion van de werkelijkheid, waarin het licht doorheen kan schijnen.
Wie gelooft, gelooft in het leven, en legt zich niet neer bij de dood, de ziekte, het gebrek, het onrecht en zo voort.

Het kan altijd anders. Zelfs in de meest duistere situaties of uitzichtloze omstandigheden mag je daar op vertrouwen. Mogen wij elkaar daarin bemoedigen.
Wie gelooft, gelooft dat niets onmogelijk is.

Wat een geluk voor die jongen en zijn vader…

Schrijf een reactie

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *