Preken

Handen en voeten, Matteüs 25, 31 – 46

De gelijkenis uit Matteüs 25 is onder veel eigentijdse christenen populair geworden. Dat komt omdat het hier zo heerlijk gaat over het geloof in de praktijk. Waar komt het uiteindelijk op aan? Op dat wat je voor de minste der mensen hebt gedaan… voor de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters. En dan gaat het om heel concrete dingen, om een stuk brood voor de hongerige, een beker water voor wie dorst heeft, om het opvangen van vreemdelingen en zo voort. Allemaal heel gewone dingen, nou ja, dingen die ieder mens kan doen. Daar hoef je niet voor doorgeleerd te hebben. De gelijkenis is daarom zo populair, omdat het hier gaat om christendom in de praktijk.

Ik moet zeggen, ik herken me daar wel in.
Maar dan is het wel opvallend, dat we kennelijk voorbij gaan aan het feit dat deze gelijkenis een vergelijking maakt met het laatste oordeel. Tenminste, daar lijkt het op. Het is niet voor niets de laatste gelijkenis van Jezus in het evangelie van Matteüs. “Wanneer de Mensenzoon komt …. zal hij plaatsnemen op zijn glorierijke troon. Dan zullen alle volken voor hem worden samengebracht en zal hij de mensen van elkaar scheiden, de schapen van de bokken….”

PRINTVERSIE

Er zijn ook tijden geweest, dat mensen vooral dit aspect van deze gelijkenis hoorden. Het laatste oordeel. En dat was dan niet direct iets waar ze zich over verheugden, maar waar ze vooral schrik van hadden. De gelijkenis als een waarschuwing, om je angst aan te jagen. En zo heeft het vaak uitgewerkt en in sommige kringen is dat nog zo. Het oordeel als scheiding. Voor sommigen een schrikbeeld dat ze een leven lang achtervolgt.
Wat zegt het over ons en over onze tijd, dat dit aspect ons vandaag niet meer aanspreekt, geen schrik meer aanjaagt?

Misschien komt het ook omdat we geleerd hebben andere accenten te leggen bij dit soort teksten. Jezus vertelt geen gelijkenissen om mensen angst aan te jagen, maar wel om ons scherp te houden. De gelijkenis gaat over de komst van de Mensenzoon, maar dat betekent niet per se dat je dat moet verleggen naar de verre toekomst. Het is geen gelijkenis over ooit, straks, aan het einde; nee, het is een verhelderende vergelijking die je bepaalt bij wat je nu en hier te doen staat.
Dat is telkens de rode draad in de gelijkenissen die hier, aan het einde van het evangelie, zijn verzameld. Het oordeel is niet iets voor later, het is een richtingwijzer voor het nu, voor mijn leven, voor mijn keuzes. Hoe maak ik mijn geloof waar, geef ik het letterlijk handen en voeten?

De mensenzoon in de gelijkenis vraagt niet wat je gelooft, maar wat je doet. Het criterium is niet of je keurig je geloofsbelijdenis op kunt zeggen, wel voldoende bidt of naar de kerk gaat, of je de catechismus hebt geleerd… nee, het verschil wordt gemaakt door wat je voor een ander doet … of nalaat…
Vandaar die populariteit bij een bepaalde groep gelovigen. Het is concreet en praktisch. De nadruk ligt op onze goede werken.

In de traditie wordt dat naar aanleiding van deze tekst de zeven werken van barmhartigheid genoemd. Nou weet ik niet, wie daarnet scherp heeft opgelet en meegeteld. Dan zul je zeggen: zeven? Ik heb er maar zes geteld.
Inderdaad, de hongerige eten geven, de dorstige te drinken, de vreemdeling opnemen, de naakte kleden, de zieken bezoeken, de gevangen opzoeken – dat zijn er zes. De vrome traditie heeft er een zevende aan toegevoegd, nl. de doden verzorgen en begraven. Inderdaad, een christelijk werk. En zeven is natuurlijk een mooi symbolisch getal. Als de zeven werken van barmhartigheid kom je ze dan ook overal in de geschiedenis tegen, let er maar eens op.

Nou zit daar ook nog een andere kant aan. Want, als het gaat om de goede werken, dan roept dat ook weer herinneringen op aan discussies uit het verleden. Alsof je de hemel kunt verdienen met goede werken. Dat hebben wij protestanten toch altijd gezien als een dwaling van de katholieken. Als je denkt met jouw goede werken er te komen, dan doe je geen recht aan Gods genade. Wij verdienen de hemel niet, we krijgen het – uit genade. Die zinswending kom je nog steeds tegen in het gebed van sommige mensen.

Nou laat ik de geschiedenis maar even zitten. Een ander gevaar zou ik wel willen noemen, dat daar mee te maken heeft. Twee gevaren, eigenlijk.
Het ene is, als het dan op onze daden aankomt, je zelf verliest in het doen van goede dingen. Veel oprechte gelovigen hebben daar een handje van. Vaak speelt daar een bepaald plichtsbesef in mee, vergezeld met het gevoel nooit genoeg te doen, een schuldgevoel dat je maar moeilijk kwijt raakt. Misschien herkent u dat? Want, er is altijd wel iets te doen, voor een ander. De nood in de wereld is zo groot, er zijn altijd mensen die het veel minder hebben dan wij, en zo voort. Allemaal waar. Allemaal belangrijk. Maar een mens kan soms ook ongenadig voor zichzelf zijn, gebukt gaan onder een verlammend schuldgevoel, juist als we benadrukken dat het op onze daden aankomt.

Het andere gevaar is dat je, dat mensen zich stiekem meer gaan voelen dan een ander, als ze ‘goed bezig’ zijn. De menselijke geest werkt soms geraffineerd. Voordat je het weet veroordeel je een ander en ben jij zelf natuurlijk degene die het goede doet, het juiste vindt en zo voort. Dat is ook niet de bedoeling. Daarmee blijven de goede daden wel goed voor de ander, maar niet meer voor je zelf.

Juist dan is het goed, toch nog een keer terug te keren naar de tekst zelf.
Want een van de opmerkelijke dingen in dit verhaal blijft toch, dat zowel degenen die het goede doen als degenen die dat hebben nagelaten verklaren, dat ze zich daar niet van bewust zijn geweest. Dat lijkt haast niet mogelijk, maar het wordt tot twee keer aan toe herhaald, in deze gelijkenis die strak volgens de lijnen wordt verteld. “Wanneer hebben wij u als vreemdeling gezien, u naakt gezien, of in de gevangenis?”

Betekent dat dat ze zich er niet van bewust zijn, dat in de vreemdeling, de gevangene, de zieken enzovoort, dat ze daarin Jezus zelf – de Mensenzoon – tegenkomen?
Ja, dat ook. Maar misschien ook nog iets meer. Dat het betekent dat ze wat ze deden of niet deden, dat niet met voorbedachten rade deden. De mensen die het goede hebben gedaan – ze deden het niet ergens om, om de hemel te verdienen, of om God te plezieren. Ze deden het omdat ze het vanuit hun eigen mens-zijn meenden te moeten doen. Net zo goed als de anderen het niet nalieten uit kwade opzet, maar gewoon omdat het niet in hen opkwam om iets voor een ander te doen. Niet goed natuurlijk, daarom wordt zo’n gelijkenis ook verteld, maar het betekent niet dat ze het niet zouden kunnen.

Dat lijkt mij uiteindelijk de hoopvolle boodschap te zijn, en dan zijn we toch weer bij het begin.
Wat hier wordt geschetst als criterium voor een eeuwig leven – dat wil zeggen een leven met toekomst – dat is niet iets voor super-gelovigen, voor bijzondere mensen, voor de uitzonderingen. Dat wat gevraagd wordt, kan iedereen, want het gaat om de gewone menselijke dingen, het gaat om de eenvoudige, medemenselijke daden waarin wij barmhartigheid aan elkaar kunnen betonen.

Laat dat ons gebed zijn:
Maak dat ik mij nimmer schaam, mens te wezen in uw naam (LvdK 473, 9)

Previous Post Next Post

No Comments

Leave a Reply