De meeste lessen die ik op school heb gehad, ben ik vergeten. Maar van de lessen die ik onthouden heb, is er één waarin ons werd uitgelegd dat het woord tempel, afgeleid is van het Griekse τέμνώ, dat snijden of afbakenen betekent. De tempel is oorspronkelijk een stuk grond dat afgesneden is, dat scherp afgebakend is van de rest eromheen. De tempel is een aparte uitsnede, een afgezonderd terrein voor de heilige handelingen, een gewijde ruimte.
Je kunt een hele beschouwing ophangen aan zo’n woordafleiding. Dat wil ik niet doen. Waar het mij omgaat is dat die oorsprong terug te vinden is in ons diep gevoel dat er een onderscheid is, een scheiding, tussen het sacrale en het profane, tussen het heilige en het wereldse. De tempel is de plaats die dat markeert. Wie de tempel betreedt, gaat een drempel over, komt in een andere ruimte, in een meer dan gewone zin. 
Dat geldt voor iedere religieuze ruimte. Denk maar aan de manier waarop je een kathedraal of een oude middeleeuwse dorpskerk binnentreedt, of een stiltekapel in een ziekenhuis. Daar storm je niet binnen, met veel lawaai (only fools rush in where angels fear to tread), maar je nadert met schroom, om het zo te zeggen. Je wordt stil of gaat op fluistertoon. Je gedraagt je vanzelf ‘eerbiedig’, want dit is een gewijde ruimte, een huis van gebed en stilte. Zelfs een klein kind voelt dat aan. Je kunt die ruimte niet zomaar schenden. Er is een scherp gesneden grens tussen het sacrale en het seculiere.
Is het toevallig dat het enige verhaal van Jezus waarin hij een zekere fysieke agressiviteit aan de dag legt, dit verhaal is dat we vandaag lezen? Jezus die in de tempel komt en daar de kopers en verkopers wegjaagt, en het huisraad van de handelaars omver gooit. Heeft die woede van Jezus te maken met dat wat hij aantreft in de tempel dat diepe besef raakt, dat je niet straffeloos de grens tussen het heilige en het wereldse kunt overschrijden, dat je niet zomaar de boel door elkaar moet laten lopen?
Het lijkt op een heilige woede. Je kunt begrijpen waar dat vandaan komt. Maar toch, met heilige woede, met religieus gemotiveerde verontwaardiging moet je ook altijd oppassen. Het wordt zo gauw zo fanatiek.
Laten we het eens van de andere kant bekijken. Stel je eens voor in de positie van zo’n geldwisselaar of van een eenvoudige duivenverkoper. Wat zouden zij er van hebben gevonden?
Bedenk dat in die tijd de vrome gelovigen naar de tempel komen om hun godsdienstige plichten te vervullen, om een offer te laten brengen – pech voor de duiven, maar dit speelt ver voor Marianne Thieme en haar Partij voor de Dieren.
In de tempel moet uiteraard betaald worden. Voor niets gaat de zon op. Maar nu is het zo dat de Joden daarvoor niet de Romeinse geldstukken kunnen gebruiken. Want daar staat het beeld van de keizer op. En de keizer die zichzelf een god waant, kan niet geëerd worden in de tempel waar God de enige heerser is. Daarom is er speciaal tempelgeld in omloop – vandaar die wisselaars.
Die wisselaars zijn net als de duivenverkopers, eerbare mensen. Dienstverleners. De wisselaars zijn geen woekeraars. Dit speelt ook ver voor onze bankencrisis.
Wat hier gebeurt is fair trade, eerlijke handel. Zij maken het met hun discrete dienstverlening mogelijk dat de zaken in de tempel vlot en gesmeerd verlopen. Wat is daar mis mee? Wat rechtvaardigt die woede-uitbarsting van Jezus? Hij verwijt deze eerlijke handelaars dat ze er een rovershol van maken. Toe maar. Is dát wel fair? Wat valt hen eigenlijk te verwijten? Zit er niet iets onheus in deze overijverige schoonmaakactie? Iets gevaarlijks.
Ik weet niet precies wat je daar van denken moet.
Misschien is het niet goed om te focussen op die individuele verkopers of wisselaars. Misschien moet je zeggen, dat Jezus het niet per se persoonlijk bedoelt, maar een verrot systeem aanvalt. Hij kaart een situatie aan die uit zijn voegen is geraakt. De handel lijkt een doel op zichzelf te zijn geworden. Maar waar was die tempel ook al weer voor bedoeld?
Hoe dat allemaal ook zij, duidelijk is dat als de sferen van de handel en die van de religie elkaar raken, dat het dan makkelijk misgaat. Commercie en compassie, geld en gebed, dat is een lastige combinatie.
Geld regeert de wereld en de handel bepaalt ons dagelijks bestaan, maar er is kennelijk iets dat daar buiten valt, dat daarvan afgesneden en afgebakend is. Je kunt die twee domeinen niet zomaar met elkaar vermengen. Die boodschap lijkt Jezus met de reiniging van de tempel over te brengen. Als de logica van de handel en het geld gaat domineren, nota bene op deze gewijde plaats, dan gaat het scheef.
De tempel markeert het inzicht dat er een precaire grens is. Dat met geld niet alles te koop is. Dat er dingen in het leven zijn die onbetaalbaar zijn. En, voegen we daar aan toe, dat het misschien wel vooral in het leven om die, onbetaalbare, dingen gaat: de gewijde ruimte en de gewijde tijd; de sfeer waarin wij het goddelijke eren en ontmoeten, waar wij worden herinnerd aan de echte waarden en waarde van het leven. Daarvoor ga je toch naar de tempel, om weer te weten waartoe wij bestaan, om het met een regel uit een lied te zeggen (Vol van verwachting, Eva’s lied). Als dat besef ontbreekt, missen we iets. Dat is een verlies dat groter is dan een economische derving van inkomsten.
Maar nu komt het tweede deel. Want dit verhaal heeft een keerzijde. En misschien is die keerzijde zelfs wel belangrijker. Het plaatje van de tempelreiniging staat scherp op ons netvlies, maar wat er meteen aansluitend gebeurt is misschien nog wel sprekender. Waarom?
Jezus jaagt niet alleen mensen de tempel uit. Hij nodigt vooral mensen binnen. De blinden en de verlamden komen naar hem toe, staat er, en even later zijn er zelfs zingende kinderen in de tempel.
Waar de handelaren naar buiten worden gejaagd, worden juist dezen naar binnen genodigd: de blinden, de verlamden en de kinderen. Zij, die juist in de ogen van de vromen niet in de tempel horen; zij die de tempel zouden verontreinigen, ontwijden, juist die kwetsbare en beschadigde mensen worden door Jezus met een royaal gebaar binnen genodigd.
Dit tafereel, dat ons vaak veel minder voor ogen staat, is het spiegelbeeld van de schoonmaakactie. Jezus’ zuivert de tempel, maar dat betekent tegelijkertijd dat de zogenaamde onzuivere, onreine mensen, van Hem volop de ruimte krijgen. Zij die ‘normaal’ worden buitengesloten, worden nu door Jezus vooraan geplaatst (vgl. de zaligsprekingen).
En dan klinkt er een kinderkoor in de tempel. Ongehoord. Ze nemen het lied van de intocht van hiervoor probleemloos over. Er klinkt het Hosanna voor de zoon van David.
Niet de schriftgeleerden, niet de tempelelite, niet het huiskoor van de modelvromen zingt hier het Gloria, maar de kinderen zingen Jezus toe. Uit de mond van kinderen en zuigelingen, hebt Gij sterkte gegrondvest, uw tegenstanders ten spijt (Ps 8: 3, NBG).
De tempel markeert een grens.
Er is een ruimte, die heilig is. Er zijn dingen te kostbaar om louter economisch te beprijzen.
Maar de grens van de tempel is geen enge, geen benauwende, geen gesloten cirkel om een gekoesterd eigen gelijk.
De grens wordt open getrokken door de Heer, die de blinden en de lammen en de kinderen tot zich laat komen, de zondaren en de brekebenen, allen die ons voorgaan in het Koninkrijk.
Waar wordt die genereuze, die grensdoorbrekende sterker ervaarbaar, dan in de open kring van mensen die Zijn roepstem hebben gehoord: kom, wees niet bang, kom nader en eet, zonder je geld en je goed mag je komen, om niet staat de tafel des Heren gereed.
AMEN