Overdenking

Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit, BWV 106

De cantate die vandaag wordt uitgevoerd, past goed op deze zondag. Want vandaag is het de laatste zondag van het kerkelijk of liturgisch jaar. De zondag waarop in veel kerken, ook hier vanmorgen, de overleden gemeenteleden bij name worden genoemd en herdacht. Voleindingszondag of Eeuwigheidszondag wordt het ook wel genoemd.

De oorsprong van de cantate moet daar ook worden gezocht. Geschreven voor een rouwplechtigheid, we weten niet meer voor wie, is het een cantate geworden waardoor iedereen zich kan laten raken, zich in kan herkennen.
Want we zijn allemaal mensen die leven met het besef van tijd, van eindigheid en van sterfelijkheid. En juist aan de randen van het leven, aan de randen van de tijd, dringt zich dat besef des te sterker op.

Bach was een vrome jongen, dat is algemeen bekend.
Hij schreef deze wonderlijk mooie muziek toen hij pas 22 was. Als teksten gebruikte hij een handvol min of meer losse bijbelverzen, met uitzondering van het eerste koorstuk dat de naam aan de cantate gegeven heeft. Dat was waarschijnlijk een vrome wijsheid die ergens op een tegeltje bij hem thuis hing. Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit. We weten niet waar hij dat precies vandaan heeft, maar dat maakt ook niet uit. De boodschap komt wel over. Daar zorgt de muziek wel voor.

Eén van die bijbelverzen is ontleend aan Psalm 31, waar we net een wat groter fragment uit hoorden. Het is vooral bekend geworden als één van de zeven kruiswoorden van Jezus. Vader, in uw handen leg Ik mijn geest, zegt de stervende Jezus, als een gebed van overgave (Lc. 23: 46). Zo staat het in het evangelie, een bewust citaat, waarvan de goede verstaander, zeker in die tijd, meteen begreep dat het vervolg van dat psalmvers meebedacht is: want U hebt mij verlost. Het is een bekend Joods avondgebed.

In het evangelie als kruiswoord van Jezus, wordt het uitdrukking van de zekerheid van de gelovige die zich in zijn stervensuur toevertrouwt aan Gods tijd, aan de eeuwigheid, want de liefde kent immers geen grenzen.

Nu is er een eigenaardigheid met die tekst, waar ik kort even bij stil wil staan.

In onze tekst staat:
In uw hand leg ik mijn geest,
HEER, trouwe God, verlos mij.
(NBV21)

In de oude vertaling stond: U (Gij) hebt mij verlost. (HSV)
of ook wel: Gij zult mij verlossen (Van Uchelen), of: u verlost mij (NBV).

Dan vraagt u: maar wat staat er dan echt?
Zegt u het maar.
Dat is de aardigheid van de Hebreeuwse taal, die een eigen souplesse heeft, dat al die verschillende vertalingen, in de verschillende modi van de tijd, mogelijk zijn.

De stelligheid (U hebt mij verlost), kan ook een verlangend vertrouwen zijn (U zult mij verlossen) of een vertrouwensvol gebed (verlos mij).

Het is alsof het geloof zich langs al deze standpunten of perspectieven beweegt. Het pendelt heen en weer, zoals de stemmingen in een mensenleven. Maar er is een vast punt, waarin deze perspectieven gefundeerd zijn en dat is volgens mij het besef dat onze tijd in Gods tijd is geborgen, de eeuwigheid in de tijd, want de liefde kent immers geen grenzen.

Wat hebben wij, sterfelijke mensen, te verwachten, aan de randen van onze tijd, aan de grenzen van onze mogelijkheden?
Zegt u het maar.
Dat mag ieder voor zich zelf zeggen, vinden, ontdekken, geloven, hopen. Dat is de vrijheid van het geloof.

Bach wist het wel.
Hij was een vrome jongen.
Hij vertelt het ons in zijn muziek.
Daar had hij verder niet zoveel woorden voor nodig

Gods tijd is de allerbeste tijd.
Je zou hem op zijn muziek geloven,

AMEN

Previous Post Next Post

No Comments

Leave a Reply