Goede reis, Mat. 2: 1 – 12

Als u ooit eens meedoet aan een Pubquiz, dan is het goed om op deze instinker verdacht te zijn. Stel dat er gevraagd wordt hoeveel wijzen uit het oosten de ster achterna gingen op zoek naar het kindje Jezus, dan is het antwoord niet drie.
Ondanks dat wij het in menig kerstliedje hebben over de drie wijzen of de drie koningen. Of het er drie waren, dat weten we niet. Het bijbelverhaal zelf laat het in het midden, het noemt geen aantal. Kennelijk is dat niet van belang.

De traditie heeft er drie van gemaakt. Dat zal wel komen door de drie geschenken, die wél worden vermeld: goud, wierrook en mirre. Vandaar dat het voor de hand ligt om te denken aan drie wijzen of magiërs, zoals er nu wordt vertaald. Want je kunt je slecht voorstellen dat een van hun met lege handen aan zou komen, toch?

De vrome traditie heeft er wel meer van gemaakt.
Zo denken we dat ze op kamelen kwamen, maar ook dat is niet in de tekst te vinden. Paarden is waarschijnlijker, las ik onlangs in weer een nieuw boek over de evangeliën. Maar wat maakt het uit?
In de Middeleeuwen kregen ze ook nog namen: Caspar, Balthasar en Melchior. Het klinkt deftig genoeg voor gestudeerde heren, dus waarom niet. Maar het bijbelverhaal noemt geen namen, anders dan die van koning Herodes, waar de magiërs eerst belet vragen, en opmerkelijk, van moeder Maria. Haar kind krijgt geen naam, maar dat kan uiteraard geen ander dan Jezus zijn.

De drie koningen kregen in de verbeelding niet alleen namen. Ze gingen ook nog eens symbool staan voor de verscheidenheid van de wereld, die het kind komt aanbidden. De drie staan voor de drie werelddelen: Europa, Azië en Afrika (u begrijpt, het is voor de ontdekking van Amerika). De drie kregen ook ieder verschillende leeftijden, de één werd een jongeman, de tweede iemand van middelbare leeftijd en de derde een grijsaard, zodat alle levensfasen ook nog eens vertegenwoordigd zijn.

Het laat allemaal zien, hoe het verhaal door de eeuwen door – letterlijk – tot de verbeelding heeft gesproken.
Dat mag er later allemaal bij bedacht zijn. Het eenvoudige verhaal in de Bijbel heeft zelf ook allerlei symbolische betekenissen en stimuleert als het ware zelf tot nadere verbeelding.

Ik stip het even aan, zonder dat allemaal tot in detail uit te spinnen.
Maar we herkennen het motief van de reis. De magiërs op weg. De zoektocht die zij ondernemen. Het verlangen dat hen aanspoort. De verwachting die ze koesteren. Het zijn allemaal dingen waar wij ons iets bij voor kunnen stellen. Je kunt dat op allerlei vlak toepassen. Maar er is iets wat hen drijft, wat hen doet besluiten om op weg te gaan. De zekerheid en vertrouwdheid van hun eigen land en bedrijf achter zich te laten. Het vizier op de ster, die hen leidt door de nachtelijke woestijn.

De ster, het licht, dat is natuurlijk een volgend motief. Herkenbaar in deze tijd. Het licht in het duister. Het licht dat jouw duisternis verlicht. Het licht dat je leidt, soms op nieuwe en onverwachte wegen. Maar ook het licht waar jij je op richt, letterlijk en figuurlijk. Want hoe je kijkt, bepaalt mede wat je ziet.

De ster in dit verhaal is een symbolisch verhaalelement. Onlangs kon je in de krant weer een heel artikel lezen over wetenschappers die proberen de bijzondere ster terug te vinden in de astrologische geschiedenis. Ook dat is al eeuwenlang geprobeerd, om een wetenschappelijke verklaring te vinden voor de ster van Betlehem. Dan zou het gaan om een bijzondere constellatie van twee planeten Jupiter en Saturnus in het voorjaar van 6 voor Christus. Heeft de Bijbel dan toch gelijk? Ja, maar wel anders dan je denkt.
Want de ster van Betlehem is geen astrologisch fenomeen. Een ster die een omweg maakt, eerst via Jeruzalem en dan naar Betlehem, of een ster die stil kan staan boven een huis – ja, dat kom je alleen in literaire verhalen tegen, niet in de wetenschap.
De ster is er om wijzen weg te wijzen. De ster laat zien wat al in de psalmen wordt gezegd:
‘bij U is de bron van leven
door uw licht zien wij licht’ (Psalm 36: 10).
Of met andere woorden, je moet een verklaring van de ster niet zoeken in de wetenschap, maar in de Schriften.

Naast de motieven van de reis en van de ster, een spoor van licht, is er nog het motief van de geschenken. Ook daar speelt de symbolische betekenis een grote rol.
Goud. Wierrook en Mirre.

Goud, dat is het meest kostbare wat je je voor kunt stellen. Goud, dat is wat koningen elkaar schenken. Goud is hier het koningsgeschenk.

Wierrook werd overal in de oude wereld gebruikt als welriekende geur. Het werd in de tempel van Jeruzalem gebruikt, zoals het in de katholieke en oosterse kerk nog steeds gebeurt. Wierrook is oorspronkelijk wij-rook, rook om te wijden. Met de wierrook stijgen onze gebeden op tot God. Wierrook benadrukt de goddelijkheid van het kind.

En mirre, dat werd gebruikt bij overlijden, het is hier symbool van lijden en dood. De mirre wijst als het ware al vooruit naar Jezus’ dood aan het kruis.

De geschenken van de wijze magiërs spreken hun eigen taal, vol met betekenissen.
Tja, Maria had misschien gehoopt op kraamcadeaus met wat meer praktische waarde, maar daar gaat het dus niet om. Luiers gaat ze zelf maar kopen.

Ondertussen speelt ook mee dat het geven van geschenken door alle tijden heen een teken van vriendschappelijke betrekking is en ook ontzag uitdrukt. Het geschenk is er om de ander te eren en om de goede verhoudingen in stand te houden. Zo werkt het tot op de dag van vandaag. In de grote wereld van de politiek, van koningshuizen en machthebbers, van een deftig staatsbanket tot het voorrecht om in het koninklijk paleis te overnachten; tot in het persoonlijke, waarin wij elkaar geschenken geven, met verjaardagen, Sinterklaas of Kerst, of bij een jubileum, of gewoon een kleinigheid als je bij elkaar op bezoek gaat of te eten bent gevraagd. Of zoals er bij een vriendschappelijke voetbalwedstrijd vaantjes worden uitgewisseld.

Ook dat is een eigen motief in dit verhaal, dat tegelijk refereert aan andere verhalen uit de geschiedenis. De koningin van Seba, uit het Zuiderland, die bij koning Salomo op bezoek komt. De profetische teksten waarin de koningen van de wereld naar Jeruzalem zullen optrekken om daar de Heer van Israël te aanbidden, of hun schatten komen brengen bij de koning van Israël, zoals in psalm 72, waar we vanmorgen mee begonnen.

Al die elementen in dit verhaal, dat van de reis, van het licht, van de geschenken – ze zijn van diepere betekenis dan alleen de al dan niet historiciteit van het verhaal. Dat is van minder belang.
We lezen de Bijbel immers niet om ingelicht te worden over wat er ooit gebeurd is, maar om te horen wat er vandaag kan gebeuren; wat het verhaal oproept en losmaakt in mijn eigen leven, in de wereld van nu waarin wij leven, en onze weg zoeken, met alle onzekerheid die daarbij hoort. Wat dit verhaal over een ster, een licht aan de hemel dat je de weg wijst – al moet je natuurlijk wel zelf in beweging komen, begrijp je – wat dit verhaal mij nu misschien wil duidelijk maken?

En dan zou het zomaar kunnen zijn, dat ik ga begrijpen dat ik, om het Kind en alles waar het voor staat, de echte waarde van het leven, om dat te ontdekken, in beweging moet komen. Uit die luie stoel, figuurlijk dan. Uit mijn comfortabele positie, met mijn eigen gekoesterde zekerheden. Actief zoeken, wegen verkennen, het spoor van het licht achterna. De onzekerheid van de reis omarmen, om rijker terug te keren, of om gaandeweg mijn bestemming te ontdekken. Zeg het maar.

Om in de beeldtaal van het verhaal te blijven. De magiërs verlieten hun vertrouwde omgeving. Ze ondernamen de reis van hun leven, die hun leven misschien wel beslissend veranderde. Al weten we daar niks van. Maar ook daar mag je je eigen beelden bij maken.


Er is een fascinerend gedicht van de Engelse dichter T. S. Eliot, De Reis van de Magiërs, waarin dat op een bijzondere manier gebeurt. Hij schreef het bijna 100 jaar geleden. In het gedicht blikt één van de wijzen aan het einde van zijn leven terug op deze bijzondere reis.

Het eindigt als volgt (vertaling van Martinus Nijhoff): 

“Dit alles is lang geleden, ik heb het onthouden 
en zou het over willen doen, maar ik stel, 
dit vooropgesteld, 
één vraag: was het doel dat ons dreef 
geboorte of dood? Wij waren getuigen van een geboorte, zeker, 
daar is geen twijfel aan. Maar als ik vroeger geboorte of dood zag, 
dacht ik dat ze tegenstellingen waren. Deze geboorte echter 
was een onverbiddelijk einde voor ons, een dood, onze dood. 
Wij keerden terug naar ons land, onze koninkrijken, 
maar voelden ons niet meer thuis in de oude orde 
tussen vreemde mensen die hun goden omklemmen. 
Ik zal blij zijn als ik andermaal sterf.”

Natuurlijk ging het om een geboorte. Maar er ging die reis ook iets dood bij hen, dat is de suggestie die van het gedicht uitgaat.

In het gedicht van Eliot keren de koningen terug, maar ze waren niet langer op hun gemak. De ontmoeting met het kind had voorgoed iets veranderd.

Sinds je dit kind en alles wat het belichaamt hebt ontmoet, weet je dat er iets hogers, iets beters te vinden moet zijn. Dit weten kleurt onze levensreis. Je bent niet langer ‘at ease in the old dispensation’ – thuis in de oude bedeling. Er is meer dan dit leven. En die belofte wordt belichaamd in dat kind.

Hoor, de englen zingen de eer
van de nieuwgeboren Heer
(…)
al uw glorie legt Gij af
ons tot redding uit het graf,
dat wij ongerept en rein
nieuwgeboren zouden zijn.

Goede reis.

AMEN

Schrijf een reactie

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *