Geurt Henk van Kooten, Echo’s van het goede nieuws

Als je een steen in de vijver gooit, ontstaan er kringen die steeds verder uitdijen. Geurt Henk van Kooten gebruikt de metafoor van het rimpeleffect om de invloed van Jezus op telkens nieuwe generaties na hem te verduidelijken. Van de groep Galilese leerlingen die bij leven met hem optrokken waarvoor Petrus model staat, via Paulus die kort na Jezus’ dood mee ging doen in de beweging van volgelingen, tot de evangelisten Marcus, Matteüs, Lucas en Johannes die ruim een halve eeuw later zijn levensverhaal opschreven. Al deze rimpelingen zijn terug te voeren op Jezus, maar hoe precies?

In Echo’s van het goede nieuws probeert Van Kooten, hoogleraar te Cambridge, die vraag te beantwoorden door de evangeliën in hun historische context te plaatsen. Op zijn beurt gooit hij daarmee een flinke steen in de vijver van de nieuwtestamentische wetenschap.

Ruim anderhalve eeuw was er min of meer consensus over de ontstaansgeschiedenis en onderlinge afhankelijkheid van de vier evangeliën, die er ongeveer als volgt uitziet: Marcus is het oudste evangelie, waar Matteüs en Lucas zich grotendeels op baseren. Samen worden deze drie ook wel synoptici genoemd, omdat ze een vergelijkbare blik op het leven van Jezus geven. Daarnaast hebben Matteüs en Lucas eigen materiaal, maar ook delen ze stukken die uit een gezamenlijke bron moeten komen (Q, voor Quelle – het Duitse woord voor bron), maar die nooit gevonden is. Het vierde evangelie, dat van Johannes, is van latere datum en vaart een eigen koers. De namen van de evangelisten zijn waarschijnlijk pseudoniem. In ieder geval zijn de evangeliën geschreven door latere volgelingen, die Jezus niet zelf hebben meegemaakt.

Een aantal elementen uit deze ‘theorie van de moderne Bijbelkritiek’ wordt nu door Van Kooten onderuitgehaald, of in ieder geval betwist.
Zo meent hij niet dat Matteüs en Lucas onafhankelijk van elkaar het Marcus-evangelie hebben bewerkt, maar dat de eerste bewerking van Matteüs vervolgens door Lucas is gebruikt voor een eigen opstelling van het materiaal. Op deze manier hoeven we niet langer te speculeren over een vermeende bron, waarvan nooit enige sporen zijn gevonden. We kunnen afscheid nemen van de hypothese Q. Van Kooten legt de puzzel van de onderlinge afhankelijkheid op een andere, meer overzichtelijke manier.
Daarbij gaat hij er vanuit dat we via het oerverhaal van Marcus, toegang hebben tot een ooggetuigenverslag. Marcus is volgens Van Kooten (op gezag van bisschop Papias uit de eerste eeuw) medewerker van Petrus en heeft via hem de verhalen en uitspraken van Jezus doorgekregen en op schrift gesteld. Dat moet gebeurd zijn ten tijde van de Joodse opstand (vanaf 66) maar voor de verwoesting van de tempel in Jeruzalem (in 70). De hypothese van Van Kooten is dat Marcus het evangelie schreef voor een Romeins publiek, om daarmee de christenen duidelijk te onderscheiden van de joodse rebellenbeweging. Jezus was geen revolutionair, hij predikte zachtmoedigheid en riep op tot een innerlijke bekering. Politiek en geloof zijn gescheiden zaken, volgens Marcus (Van Kooten?).

Matteüs en Lucas baseren zich op het format van Marcus, maar geven daar een eigen kleur aan. Om dat te verhelderen wordt vaak verwezen naar de verschillende geboorteverhalen die ze vertellen. Marcus had dat nog niet (nodig), die begint het verhaal van Jezus met zijn openbare optreden en zijn verkondiging van het Koninkrijk. De beide anderen voegen geboorteverhalen toe, die echter totaal verschillend zijn. In de kerststal komen herders en koningen (magiërs) gebroederlijk samen, maar in de Bijbel niet. Omdat Matteüs Jezus wil schetsen als de ‘nieuwe’ Mozes, gebruikt hij bepaalde oudtestamentische motieven, de kindermoord, de vlucht naar Egypte, de uitleg van de Wet in de Bergrede enzovoort. Lucas heeft een ander oogmerk, en vervlecht in zijn geboorteverhalen andere motieven, zoals dat de Heer omziet naar de armen en eenvoudigen (het loflied van Maria), de herders op het veld.
Aan deze literair-theologische motieven gaat Van Kooten voorbij. Volgens hem waren de magiërs Parthische geleerden. Toen Matteüs zijn evangelie schreef waren de Parthen voor de Romeinen een bevriende natie. Even later echter waren de politieke verhoudingen veranderd en was het voor Lucas niet meer opportuun om hun bezoek te vermelden en liet hij dat wijselijk achterwege. Ook hier geldt dat de redenen voor het op schrift stellen van hún evangelie-variant ingegeven zijn door apologetische motieven.

In tegenstelling tot de communis opinio dateert Van Kooten vervolgens het Johannesevangelie veel vroeger. Gangbaar is een datering van dit evangelie eind 1e/begin 2e eeuw. We vinden namelijk in Johannes al veel scherper het verschil tussen kerk en jodendom aangezet, dat pas in de loop van de eerste eeuw ontstond. Ook draagt het de sporen van het gnostische denken, dat eveneens later tot ontwikkeling kwam. De Jezus in Johannes is een ander personage, verhevener en goddelijker, dan de menselijke rabbi van de synoptici. Ook dat lijkt op een latere traditiefase te duiden.
Van Kooten dateert het echter gelijk of zelfs eerder dan Marcus. Hij heeft daarvoor eigenlijk maar één argument, nl. dat bij de vermelding van het badhuis Betzata, onderdeel van het tempelcomplex in Jeruzalem er in de tekst een tegenwoordige tijd wordt gebruikt (Er is daar een bad…, Joh. 5 vers 2) wat betekent dat het evangelie dus vóór de verwoesting van 70 geschreven moet zijn.
Een beetje wankel is het wel, om het zacht uit te drukken, om op basis hiervan de datering van het evangelie een paar decennia te vervroegen. Natuurlijk kan het zijn dat de gnostische ideeën, die het evangelie kenmerken, ook al in die tijd rondgingen. En dat het evangelie op ons de indruk maakt minder authentiek te zijn, omdat het zo’n ander beeld van de persoon van Jezus tekent dan de meer ‘menselijke’ en ‘toegankelijke’ verhalen uit de synoptische evangeliën, is natuurlijk ook maar een vooroordeel. Evenwel besteedt Van Kooten nauwelijks aandacht aan het verschil in (theologisch) karakter van dit evangelie in vergelijking met de synoptici maar dat is natuurlijk ook niet het oogmerk van zijn boek.
Hij probeert de historische context van de evangeliën na te gaan en vandaaruit een (nieuwe) theorie te ontwerpen over de ontstaansgeschiedenis.

Daarbij kiest hij niet alleen voor een vroege datering, maar ook om uit te gaan van het authentieke auteurschap van de evangelisten. Het  gaat niet om latere pseudoniemen. De oorspronkelijke auteurs zijn direct of indirect getuigen geweest.
Dat ze pas decennia na Jezus’ dood hun verhalen opschreven, is ingegeven door de apologetische noodzaak om de Jezusbeweging/christelijke gemeenschap voor de Romeinen te presenteren als een eerbiedwaardig en vredelievend en dus politiek onschadelijke beweging. Van Kooten beweert dat herinneringen ook na een halve eeuw nog accuraat kunnen zijn (en geeft daar enkele, niet geheel overtuigende voorbeelden van). Daarnaast laat hij in een heuse tabel zien dat andere ‘biografieën’ van Romeinse keizers ook soms pas veel later zijn geschreven. Maar daarvoor waren, zo stel ik me voor, veel meer officiële documenten beschikbaar waar deze kroniekschrijvers een beroep op konden doen. Jezus heeft geen ‘archief’ nagelaten.

Als de evangelisten werkelijk ooggetuigen zijn geweest, dan waren ze (hoog)bejaard toen ze literair debuteerden. Van Kooten maakt duidelijk dat ook in de Oudheid mensen soms heel oud konden worden, maar of ze op die leeftijd ook nog schreven, laat staan zulke geconstrueerde teksten als een evangelie konden produceren, is daarmee niet bewezen. In ieder geval waren de biografen van de Romeinse keizers in de kracht van hun leven (40 – 50) toen ze hún biografieën schreven. Dat maakt de hypothese van Van Kooten op dit punt gewaagd en tamelijk wankel.

Hoewel hij lang niet altijd overtuigt, is het toch een mooi en belanghebbend boek geworden. Wellicht zal het bij de vakspecialisten al langer bekend zijn, maar voor veel ‘geïnteresseerde leken’, waartoe ik mijzelf reken, schudt hij de gangbare opvattingen eens lekker flink op. Zijn argumentatie om afscheid te nemen van de Q-theorie heeft mij overtuigd. De andere argumenten minder.
Dat neemt niet weg dat het goed en verrijkend is om je in dit boek onder te dompelen. Zijn deskundigheid ligt bij de historische context van de Romeinse cultuur waarin de evangeliën tot stand zijn gekomen. Dat kleurt zijn manier van kijken en brengt onze kennis van de evangeliën verder. Dat hij daarbij echter vrijwel voorbij gaat aan de inzichten die de afgelopen decennia zijn voortgekomen uit de bestudering van het Joodse karakter van de evangeliën, voelt alsof er met een stap vooruit tegelijk een stap terug wordt gezet.

Als je het beeld van de kringen in het water gebruikt, dan is één van de eerste kringen die Jezus’ leven heeft veroorzaakt die van Paulus. Hij schreef geen evangelie, maar zijn brieven zijn wel de oudste christelijke bronnen. In dit boek ligt de focus op de evangeliën. Niettemin hadden de geschriften van Paulus in relatie tot de evangeliën wel wat meer aandacht verdiend dan de anderhalve pagina die Van Kooten er aan besteedt. Wat betekent het bijvoorbeeld dat in de brieven van Paulus nauwelijks tot gaan aandacht wordt geschonken aan het leven van Jezus, geen van zijn uitspraken, gelijkenissen of wonderen wordt aangehaald? Veronderstelt Paulus dat als bekend? Of valt het buiten het bestek van zijn brieven, die vooral ingaan op praktische problemen in de organisatie van de gemeente?

De wereld van het nieuwe testament, van Paulus en de evangeliën, bevat nog vele vragen en onzekerheden. Het blijft fascinerend hoe de steen die ooit door een eenvoudige rabbi in het water van de Joodse religie is geworpen, zoveel rimpelingen, tot ver buiten de oevers, heeft veroorzaakt. Voor ieder die deze fascinatie deelt, is Echo’s van het goede nieuws ten zeerste aan te raden.

Geurt Henk van Kooten, Echo’s van het goede nieuws. De evangeliën in context, toen en nu, Uitgeverij KokBoekencentrum Utrecht 2026, 360 pp, € 29,99.

View Comments (1)
  1. Jac Franken

    Dag Bert,
    Een mooie prikkel om het boek te lezen.
    Wat je schrijft over Paulus roept bij mij de these op – die ik ergens las, helaas weet ik niet meer waar – dat de evangelien – en dan met name Marcus – gecomponeerd zijn als een tegenwicht of correctie op de theologische opvattingen van Paulus.
    De discussie over Paulus gaat de auteur helaas niet aan.
    Groet, Jac

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *