In mijn tienerjaren ging ik net als de meeste klasgenoten in de zomer een paar weken vakantiewerk doen. In Emmen, waar ik ben opgegroeid had je dan vooral twee opties: of je ging bij een boer onkruid wieden tussen de aardappels of de suikerbieten, in één van de buitendorpen. Of je ging bij de ENKA werken, een grote fabriek van kunststofgarens. Daar verdiende je goed, vooral als je wat ouder was en in de ploegendienst mocht werken, dus dat heb ik een aantal vakanties gedaan. Met als gevolg, dat ik wel een machine voor kunststofgaren kan bedienen – waar je niks aan hebt – maar dat ik helemaal geen verstand heb van onkruid wieden.
Ik heb geen verstand van onkruid wieden, maar het lijkt me vreemd als een boer zou zeggen: dat onkruid, laat dat maar staan.
En toch is dat precies wat de boer in de gelijkenis van Jezus tegen zijn knechten zegt. Zij komen bij hem en zeggen: ‘Wilt u dat wij het onkruid weghalen?’ Ze willen het graan zuiveren van het onkruid. Maar de boer wil dat niet. Hij zegt: ‘Laat beide samen opgroeien tot aan de oogst…’.
Waarom?
Omdat ze anders, met het onkruid ook het graan eruit kunnen trekken.
En, omdat er een moment komt, de oogst, waarop de scheiding tussen graan en onkruid wél gemaakt zal worden.
Maar nu nog niet. Niet te vroeg, niet te gretig, niet te overhaast.
Het is een gelijkenis. En zoals u weet, bevat elke gelijkenis een levensles, een geloofsles.
Jezus spreekt bij voorkeur in gelijkenissen, dat is ook iets wat we allemaal wel weten, maar wat altijd weer belangrijk is om te onderstrepen. Jezus geeft geen theoretisch onderricht; hij geeft geen catechisatie zoals wij dat vroeger wellicht hebben gehad. Hij deelt zijn wijsheid in verhalen. Herkenbare verhalen, uit het (boeren)leven gegrepen, waar iedereen of je nu hebt doorgeleerd of niet, meteen een beeld bij heeft.
Welke levensles zit in deze wonderlijke gelijkenis.
Want wonderlijk is het, vanwege die onverwachte reactie van de boer. Gelijkenissen lijken eenvoudig, maar als je er even langer bij stilstaat, dan blijkt het altijd ingewikkelder te zijn.
Nu lijkt het dit keer wat gemakkelijker. Want Jezus legt, op verzoek van zijn leerlingen, zijn eigen gelijkenis ook nog een keer uit.
Dat is opmerkelijk, dat gebeurt anders nooit. Dan mag je er zelf bedenken wat de gelijkenis betekent. Maar in dit hoofdstuk vertelt Jezus twee gelijkenissen over zaad en over de zaaier. De eerste over het zaad dat op verschillende grond terecht komt (vorige week misschien gehoord?) en vandaag de gelijkenis van het zaad en het onkruid. En die beide gelijkenissen worden door Jezus zelf toegelicht. Is dat omdat de evangelist Matteüs er zoveel belang aan hecht?
Eerlijk gezegd zijn er wel andere gelijkenissen te noemen waarbij we liever een uitleg van Jezus zelf hadden gehad. Want zeg nu zelf, zo ingewikkeld is het toch ook weer niet.
‘Hij die het goede zaad zaait is de Mensenzoon’, zegt Jezus. ‘De akker is de wereld; het goede zaad dat zijn de kinderen van het koninkrijk, het onkruid de kinderen van het kwaad. De vijand die het zaait is de duivel, de oogst staat voor de voltooiing en de maaiers die bij de oogst het graan zuiveren van het onkruid, dat zijn de engelen. (37 – 41).
Dat lijkt een invullesje.
Maar dan blijft onbelicht, wat juist nu zo opvallend is in de gelijkenis. Dat de boer tegen zijn knechten zegt, haal het onkruid niet weg; laat ze samen opgroeien. Nu is het te vroeg, nu is het riskant. Je zou het goede graan er mee beschadigen. Heb geduld, tot de dag van de oogst.
Wat betekent dat dan? Dat legt Jezus dan níet uit. Dus mogen wij dat proberen te doen…
Volgens mij zitten er een aantal levenslessen juist in dit detail verscholen, waar wij vandaag wat aan kunnen hebben.
Als de boer die het goede zaad heeft gezaaid, de Mensenzoon is, zoals Jezus zegt, dan heeft Hij het over zichzelf. Of beter, Matteüs de evangelist stelt het zo voor.
Alle gelijkenissen in dit hoofdstuk gaan over het Koninkrijk. Jezus is gekomen om het woord van het koninkrijk te brengen, het leven zoals God het bedoelt. Dat is het goede zaad. Soms komt dat zaad verkeerd terecht (dat was vorige week). Altijd groeit het goede zaad op tezamen met het onkruid (de gelijkenis van vandaag).
De knechten van de boer, die popelen om het onkruid te wieden en uit te trekken, dat zijn de leerlingen, zou je kunnen zeggen, en bij uitbreiding, dat is de kerk, dat zijn wij.
En de situatie die in de gelijkenis wordt geschetst, dat is nog steeds de actualiteit.
We leven in een wereld waarin het onkruid samen opgroeit met het graan. Dat is onvermijdelijk. De wereld is niet perfect en de kerk al helemaal niet. Wij zijn het zelf niet.
Het is zelfs zo, dat het met het blote oog niet altijd goed uit te maken is, wat onkruid is en wat niet. Dat suggereert de gelijkenis ook.
Het schijnt zo te zijn, dat het hier gaat om een ‘grasachtige eenjarige plant die ongeveer een meter hoog wordt. Het lijkt sterk op graan, en kan daarvan onderscheiden worden als de aren, die giftig zijn, zichtbaar worden’ (ontleend aan Preekinspiratie NBG).
Dat is een levensles.
Je kunt je gemakkelijk verkijken. We hebben vaak een oordeel klaar, we denken dat we heel goed weten wat goed en wat fout is, en wie goed en wie fout is. Maar gaat dat niet te snel? En is dat niet te makkelijk?
Er zit altijd ook een andere kant aan. Dat betekent niet dat in het duister alle katjes grauw zijn. Het blijft zo, dat er graan is en dat er onkruid is.
Maar denk niet te snel dat je het zo goed weet te onderscheiden. Soms is er meer tijd nodig om te weten met wat je te maken hebt. Daarom doe je er beter aan, zegt de boer, om te wachten op de dag van de oogst. Of, zoals blijkbaar bij dat onkruid het geval is, totdat het voldoende is uitgegroeid om te weten waar je mee te maken hebt.
Er is ook nog een andere reden, die de boer in de gelijkenis noemt, om niet te overhaast te werk te gaan. Dat is het gevaar om met het uitrukken van het onkruid ook het graan los te trekken.
Als je een gezwel hebt, zal de chirurg er ruim omheen snijden, om te zorgen dat alle foute cellen verwijderd worden. Maar als je te ruim snijdt, kun je ook veel beschadigen.
Al te drieste zuiveringsoperaties maken veel meer kapot.
Daar hebben we genoeg voorbeelden van uit de eigen kerkgeschiedenis. Pogingen om de kerk te zuiveren, dat was soms nodig, hebben ook veel schade aangericht. Als we elkaar teveel de maat nemen, op een onbarmhartige manier, dan kan dat hetzelfde effect hebben. Toch geldt ook hier, dat je niet in het andere uiterste moet vervallen en alles maar blauw blauw moet laten.
In de tijd van kerkvader Augustinus, in de vierde eeuw, was er een grote strijd om de zuivere kerk – daar zal ik u niet mee vermoeien. Maar Augustinus muntte toen de formule dat de kerk een corpus per mixtum is, een gemengd lichaam – u begrijpt het wel.
Ook de kerk is geen zuivere koffie, maar een mix van goed en minder goed en misschien zelfs wel kwaad. De kerk is geen perfecte gemeenschap. Ze valt daarom altijd tegen. Maar dat moet je accepteren. Dat is wat anders dan je er bij neerleggen.
Maar wie dat niet accepteert en streeft naar een zuivere kerk, die doet misschien wel meer kwaad. Veel kwaad wordt in de wereld gedaan door mensen met de beste bedoelingen.
Nou ja, dat soort levenslessen, kun je volgens mij ook uit dit opmerkelijke detail trekken van de boer die niet wil dat zijn knechten gaan wieden. En die levenslessen gelden niet alleen in de kerk, maar ook in het leven en samenleven.
Heb een beetje geduld met elkaar.
Ga niet altijd op je eerste indruk af.
Pas op met te snel en te gemakkelijk oordelen.
Maar dan toch.
Ik heb het al een paar keer benadrukt. Zonder oordeel gaat het ook niet.
Dat is precies wat in de gelijkenis uiteindelijk een beslissende rol speelt.
Er komt een dag van de oogst. De boer zegt: ‘dan zal ik tegen de maaiers zeggen: ‘Haal eerst het onkruid weg, bind het in bundels en verbrand het. Breng dan het graan bijeen in mijn schuur’’.
Is dat het eindoordeel?
Jezus (de Mensenzoon) die zal komen om te oordelen, de levenden en de doden.., zoals we dat belijden?
Het valt ons moeilijk om daar concrete beelden bij te hebben, zoals vroegere generaties dat vaak wel hadden – kijk maar naar de kunst in de middeleeuwse kathedralen.
Het gaat bij het oordeel echter niet om bangmakerij, zoals sommigen dat misschien uit hun eigen jeugd of kerkelijk milieu herinneren.
De bijbel, en ook Jezus in deze gelijkenis, spreekt over een oordeel, want dat betekent de dag van de oogst.
Het oordeel is niet dreigend, maar bevrijdend. God zal dan alles recht zetten, alles wat hier scheef is gegroeid en scheef is gegaan, want dat mag niet zo blijven. Het onkruid moet er uit.
Hoe we leven en wat we doen, dat doet er toe. God neemt ons zo serieus, dat Hij ons aansprakelijk houdt. Hij eert onze vrijheid en dus onze verantwoordelijkheid. Dat betekent het oordeel ook.
De mildheid en het geduld van de boer in de gelijkenis, die de gestalte is van de Mensenzoon, die mildheid en dat geduld is geen karakterzwakte, is geen weke halfzachtheid.
Het komt voort uit de stille zekerheid, dat niet het kwaad het laatste woord heeft. De duivel die het onkruid zaait – het grote raadsel van het kwaad – zal niet voor eeuwig bestaan, de duivel heeft geen bestand.
En het bevat de belofte, dat uiteindelijk het goede zal overwinnen. Dat het kwade teniet gedaan zal worden. Het wordt verbrand als onkruid in het vuur, het verwaait als kaf in de wind.
Jezus zelf besluit zijn uitleg van deze gelijkenis als Hij zegt:
‘Dan zullen de rechtvaardigen in het koninkrijk van hun Vader stralen als de zon.
Laat wie oren heeft, goed luisteren!’