Eén zwaluw …, Hebr. 6: 9 – 20

De zwaluwen zijn terug.
U had het misschien al opgemerkt, maar ik zag het deze week voor het eerst. Nu maakt één zwaluw nog geen zomer; dus ik was blij dat het er twee waren.
Ik word er altijd een beetje vrolijk van, en dat hebben meer mensen. De zwaluwen zijn terug. Teken van lente, van de zomer die er aan komt. Het vervult je met hoop.
Vandaag gaat het over hoop. Eén van de grote woorden, geloof, hoop en liefde.

‘Het geloof is de zekerheid van de dingen, die men hoopt en het bewijs van de dingen, die men niet ziet’.
Misschien herkent u dit vers, het staat even verder in de Hebreeënbrief (11:1).
Het klinkt als een definitie, een schoolboekomschrijving. Geloof is de zekerheid van de dingen die we hopen en het bewijs van de dingen die we niet zien. Vooral dat woord ‘bewijs’ doet het hem, maar dat zet je ook gemakkelijk op een verkeerd spoor.
Want voor geloof is er geen bewijs, niet zoals je een wiskundige formule bewijst. Voor geloof is er alleen een getuigenis dat kan overtuigen. Daarom moet het je aangezegd worden. Verkondigd. Maar dan is het nog afhankelijk van jouw eigen reactie.
In zaken van geloof kan niemand anders het voor jou zeggen of bepalen. Het komt altijd op jezelf aan. Dat is nu eenmaal met geloof gegeven. Je gelooft niet op het gezag van een ander, maar alleen als je zelf bent aangeraakt, aangesproken, overtuigd – als je zelf het geloof aanvaarden kunt.

De hele opzet van de brief aan de Hebreeën is om gemeenteleden te overtuigen, opnieuw te overtuigen, om ze een hart onder de riem te steken. Om onze hoop levend te houden. De brief wil niet zozeer iets bewijzen, maar ons overtuigen.
De brief lijkt daarbij meer op een preek. Andere brieven in het NT hebben meer het karakter van een levendige correspondentie, met een persoonlijke noot. Daarin wordt ingegaan op specifieke onderwerpen die spelen in de betreffende gemeente. Ook het adres van de brief, aan wie is het precies gericht, blijft wat in het algemene.
Maar de strekking is, zoals gezegd, om de gemeenten bij het geloof te houden. Kennelijk was dat toen ook al nodig.
Hoe gek het ook klinkt, daarin schuilt al een element van troost.
Wij doen wel eens of wij de generatie zijn die te kampen hebben met geloofsafval, kerkverlating en andere vormen van neergang; maar op een bepaalde manier is het van alle tijden. De zorg om de voortgang van het geloof en de kerk – hoewel dat twee verschillende dingen zijn; In de tijd van het Nieuwe testament was er al kerkverlating. Geloof is nooit vanzelfsprekend.

Aan de ene kant waarschuwt de brief om niet van het geloof af te vallen. Aan de andere kant prijst ze de gemeente. “We zeggen dit nu wel, geliefde broeders en zusters, maar we zijn ervan overtuigd dat u op de goede weg bent…” en even verderop: “Het is onze vurige wens dat ieder van u tot het einde toe dezelfde ijver aan de dag blijft leggen, totdat alles waarop wij hopen verwezenlijkt zal worden” en aan het einde van ons gelezen gedeelte: “Onze toevlucht is het vast te houden aan de hoop op wat voor ons in het verschiet ligt. Die hoop is als een betrouwbaar en zeker anker voor onze ziel…”.

Terugkerend horen we hier het woord ‘hoop’.
Geloof is de zekerheid van de dingen die we hopen.

Die hoop is gegrond.
Dat is het hele punt van de Hebreeënbrief.
Die hoop is verankerd.
De hoop van het geloof is nog wat meer dan dat je je optrekt aan de komst van de eerste zwaluw, al is dat ook niet niks. Hoop is niet een gevoel, een soort optimisme, dat de meeste mensen wel hebben – wat moet je anders – een soort laatste toevlucht: hoop als een reddingsboei. We hopen er maar het beste van… Of, komt goed… Of, het hef nog nooit, nog nooit zo donker west…
Tja, dat is ook wat waard, zeker.

Maar hoop, in christelijke zin, is een zekerheid. Omdat het niet het product is van mijn optimisme, of van mijn goede wil, laat staan van mijn inspanningen, of die van ons allemaal samen. Nee, het is een hoop die je geschonken wordt, door en in de weg die Jezus is gegaan. In de taal van de Hebreeënbrief, de weg van het offer. De weg van de overgave.

Bij Jezus zoeken we onze toevlucht. Dat maakt ons kerk.
In het evangelie van deze zondag spreekt Jezus zelf over de herder. Hij noemt zichzelf de goede herder. Hij gebruikt ook andere beelden die daar mee te maken hebben. De schaapskooi en de deur, de stem van de herder waaraan de schapen hem herkennen en zich aan toevertrouwen. En Hij zegt: ‘Ik ben de deur. Wanneer iemand door mij binnenkomt zal hij gered worden; hij zal in en uit lopen en hij zal weidegrond vinden (…) Ik ben gekomen om hun het leven te geven in al zijn volheid’. In al zijn volheid.

We zoeken onze toevlucht bij Jezus, de goede herder, de deur waardoor wij binnen mogen lopen bij God; Hij is de hoop waar wij aan vast blijven houden.

Dat klinkt allemaal goed vroom, en zo is het ook bedoeld.
Maar pas op, goed vroom is het pas als het geen automatisme is. Als het meer is dan een opgezegd lesje. Goed vroom, is niet een geloofswaarheid die je klakkeloos overneemt of nazegt, maar die je je zelf eigen maakt. En dat doe je door er mee in te stemmen én door er naar te leven. Dat hoort er altijd bij, en dat wordt nog weleens vergeten. Geloof is niet alleen iets van het hoofd, ook niet alleen iets van het hart, het is hoofd, hart en handen. Woord en daad en levenshouding. De heilige drie-eenheid.

Daarom roept de brief op om ‘dezelfde ijver aan de dag te leggen’, en verderop in dezelfde brief gaat over ‘de wedstijd lopen die voor ons ligt’.

Nu, dat willen we wel aannemen. Dat het gaat om geloof en om daden van geloof. Bid en werk.
Maar hoe werkt dat nu uit?

Hoop krijgt gestalte in daden  van geloof, die als het ware het geloof van Jezus zelf spiegelen, of voortzetten, of hoe je het ook noemen wilt.
We hebben het in de kerk vaak over geloof in Jezus, maar er is ook zoiets als het geloof ván Jezus.
Misschien is dat nog wel belangrijker.
Het geloof van Jezus overnemen, is Hem navolgen, de weg die Hij gegaan is, het leven uit volheid van liefde, in overgave, dát leven, die levenshouding navolgen.
Ons geloof is de zekerheid dat die weg ons alles zal bieden waar we op hopen. Dat we het in die richting moeten zoeken, die Hij zelf ons heeft aangewezen. Het koninkrijk van God, waar vrede is omdat er recht geschiedt, waar alles en iedereen en heel de schepping opademt, tot haar recht komt, beantwoordt aan Gods eigen droom en bedoeling.

Het leven en deze wereld kan anders.
Dat is onze hoop.

En dan zeggen de mensen, hoe kun je hoop houden in deze wereld, waarin zoveel gebeurt dat we op geen enkele manier rijmen kunnen, dat zo dwars tegen alles ingaat waar wij in geloven, waarin God afwezig lijkt en de mensen achteloos aan Hem voorbij gaan en doen wat hun goed dunkt, ieder voor zich, en ga zo maar door.
Ja, dat lukt ook niet. Dat ik de hoop vasthoud. Niet in die zin, dat wij dat allemaal overeind moeten houden. Als je kijkt naar wat er in de wereld gebeurt, of als het van mij of onze inspanningen af zou hangen, dan was alle hoop tevergeefs. Dat is altijd al zo geweest.

Maar dat is het nu juist, die hoop wordt ons geschonken. Het is Jezus zelf die de hoop belichaamt. Zijn hoop houdt míj vast.
Het is het geloof ván Jezus dat Hem deed volhouden, dwars door de dood heen. Geen kruis kon hem stoppen. Geen graf hield hem gevangen. Het is dát geloof ván Jezus, dat in en door Pasen door God zelf bevestigd wordt. Gerehabiliteerd. In die beweging van de belichaamde hoop neemt hij mij en ons mee. En ieder jaar keren de zwaluwen weer. Ook dat telt mee.

Dat is toch, Paasgeloof. Daaraan ontspringt voor ons de hoop. Daarin is toch onze hoop verankerd, verzekerd, tot de jongste dag. Jezus leeft! Hij is niet die man van ooit, toen. Hij leeft nu en Hij staat op en wordt levend gehouden in zijn gemeente en in alle mensen van goede wil.

Geloven is, stug volhouden, stug vasthouden aan dat fundament.
En als de mensen dan zeggen, of als je het zelf soms denkt: dat is toch onmogelijk, onwerkelijk, een utopie, maken we ons dat zelf niet wijs, om de moed er toch maar in te houden – tja, dan is er geen ander antwoord dan dat jij met je eigen leven en werken laat zien waar jij uiteindelijk je geloof in grondt.

Niemand kan jou dat aanpraten.
Niemand kan dat voor jou doen.

Ieder mens staat voor de beslissing, telkens opnieuw, iedere dag bij wijze van spreken, de beslissing om je aan die hoop voor het leven over te geven, en vrijuit en bevrijd te leven voor het Koninkrijk.
De volheid die Jezus belooft. Dat wordt nog wat!
AMEN

Schrijf een reactie

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *