Er is altijd maar weinig nodig om weer goede moed te vatten.
Ik weet niet of u dat herkent. Misschien hangt het van je karakter af, dat zal vast wel. Maar zelf bespeur ik het, dat je soms een kleine strohalm vastgrijpt om toch weer positief te zijn.
Als ze het in de onderhandelingen voor een nieuw kabinet even de goede kant op lijkt te gaan, dan denk je: ha, mooi, komt er nu dan een kabinet dat wél de problemen aan gaat pakken… Een ander zal zeggen, ach wat, het is toch één pot nat. Maar even en het enthousiasme is weer gezakt. Kijk daar zijn de eerste obstakels alweer. En dan daarbij, wat kan die nationale politiek eigenlijk nog, in een wereld die geregeerd wordt door grotere machten, van kapitaal en internationale machtspolitiek. Dat klinkt verstandig, en toch. Stiekem hoop je dat het nu toch echt anders gaat worden.
Mensen zijn onverbeterlijke optimisten. In de grootste ellende klampen ze zich aan ieder klein teken van hoop vast. Wie weet is er nog een medicijn? Wie weet kan een nieuwe therapie nog wat verlichting bieden? Het geldt op allerlei vlak.
Er is maar weinig nodig om de goede moed te grijpen. Een kleine scheut op een afgehouwen stronk. Een kale boom die alweer knoppen zet.
Het is opvallend dat veel van de bijbelse beelden van hoop aan de natuur zijn ontleend. Of misschien is dat helemaal niet zo bijzonder. We leven immers midden in die natuur. Zeker geldt dat voor mensen in vroegere, bijbelse tijden. De natuur leert ons het leven, is een oude wijsheid. In de natuur zie je het, de wisselingen van de seizoenen. Als alles doods lijkt, in winterstand geraakt, zijn er al weer de tekenen van het nieuwe begin.
Er is dat mooie lied, we hadden het vandaag ook goed kunnen zingen, maar dat doen we een andere keer. Niet als een storm, als een vloed / niet als een bijl aan de wortel / komen de woorden van God … maar als een glimp van de zon / een groene twijg in de winter (Huub Oosterhuis, Lied 321).
Een lied met een knipoog naar de tekst uit Jesaja van deze zondag, dunkt me.
Gods woord komt met stille overmacht. Niet met donderend geweld, als de leuzen die in de wereld schallen, maar als een fluistering in je hart. Een klein teken, dat spreekt.
Uit de stronk schiet een telg omhoog.
Het is een bekend beeld en de tekst van Jesaja wordt dan ook graag aangehaald in de Advent. Het zijn immers woorden die een belofte uitdrukken.
De stronk staat voor de afgehouwen koninkrijken. Het zijn duistere tijden waarin Jesaja leeft en profeteert. De grote wereldmachten bepalen het spel – dat is van alle tijden. Het volk van Juda, rond Jeruzalem, heeft het te verduren. Ze voelen de Assyrische last op hun schouders, het juk van de onderdrukking (10: 27). Maar Jesaja kondigt nieuwe tijden aan.
Uit de stronk van Isaï schiet een telg op, een scheut van zijn wortels komt tot bloei.
Isaï, dat is de vader van koning David, lang geleden. Zijn naam staat model voor het herstel van het koningschap. Het is de oude droom van het volk, dat uit het geslacht van David een nieuwe heerser, de messias, zal voortkomen.
Geen wonder dat de kerk later deze woorden op de komst van Jezus heeft toegepast.
Maar voor Jesaja en zijn tijdgenoten is dat niet aan de orde.
Profetische woorden wijzen boven zichzelf uit. Ze blijven hun geldigheid en hun zeggingskracht houden, ook na Jezus’ komst eeuwen later. Het is alsof die hoopvolle toekomst ook voor ons, zoveel jaren later, nog toekomstmuziek is.
Immers, dat mooie visioen, van de wolf naast het lam, de panter en het bokje, de zuigeling die speelt bij het hol van de adder – de volkomen vredevolle harmonie in de natuur – dat uiteraard ook weer een beeld is van de harmonie in de samenleving, ook dat is vandaag toch nog toekomstmuziek?
Kennis van de Heer vervult de aarde, / zoals het water de bodem van de zee bedekt.
Op die dag zal de telg van Isaï / als een vaandel voor alle volken staan.
Ook wij zijn nog op weg naar die toekomst.
Er is maar weinig nodig om daar weer in te geloven, om je daaraan over te geven.
Of hebben we de moed verloren dat het ooit eens anders zal?
Dat is de vraag van de Advent.
Advent is bedoeld als een tijd om je verwachting te oefenen, om als het ware het verlangen weer aan elkaar te voeden. Advent is bedoeld als een spirituele oefening om je te richten op het visioen van bevrijding en vrede, of met woorden uit de tekst: op gerechtigheid en trouw (vs. 5). Dat lijkt in de grote wereld ver te zoeken.
Daarom moet je extra letten op de kleine tekenen, zoals een scheutje op een kale stronk. Het lijkt zo weinig, zo nietsig, maar het belooft zoveel meer.
Het is ook een kwestie van zien. Want je ziet de tekenen van het nieuwe begin gemakkelijk over het hoofd. Het is ook kwestie van willen zien. Want waar je geef je aandacht aan? Dat geldt in het leven van alledag en in het bombardement van nieuws en informatie waaraan we dagelijks bloot staan. Wat geef je aandacht? Waar kijk je naar?
Ik zei in het begin al, misschien heeft dat ook met je karakter en je algemene instelling te maken. Dat zal vast. Iedereen neemt zichzelf mee.
En toch, je kunt je oefenen, je kunt elkaar daarin bemoedigen. Dat is ook Advent. Daarvoor gaan we naar de kerk, om elkaars geloof te voeden, toch?
Maar daar komt nog iets bij.
Als je het teveel vast legt op je toevallige karakter, dan vergeet je het belangrijke onderscheid tussen optimisme en hoop. Er is een essentieel verschil tussen beide.
Optimisme, dat is een menselijke eigenschap. De een heeft het wat meer dan de ander. Daar heb je dus dat karakterverschil. Daar kun je vaak niet zoveel aan doen. Als je diep gaat graven, zal het vast wel ergens op terug te voeren zijn. Veel komt uit je opvoeding vandaan. Daar worden patronen ingesleten die een heel leven lang doorwerken. En dan nog. U herkent vast wel dat uit een en hetzelfde gezin toch heel verschillende persoonlijkheden voort kunnen komen. Waar zit dat in? Dat blijft iets raadselachtigs.
Maar optimisme, de een meer dan de ander, is een menselijke karaktertrek. Het lijkt iets positiefs te zijn, maar ook dat kan de andere kant opgaan. Er zijn mensen die zijn zo optimistisch of doen zich zo voor, dat ze als het ware hun eigen onzekerheid of angsten of zorgen overschreeuwen. Het is alsof ze met hun optimisme een beschermingswal om zich heen bouwen, waardoor je ze niet echt leert kennen, of waardoor de buitenwereld soms een heel verkeerd beeld heeft. Je leest nog wel eens verhalen van mensen uit de media of de sport, die een bepaald imago overeind moeten houden en hoe dat op een gegeven moment, in een crisis, in elkaar kan storten.
Misschien is dat ook wel omdat optimisme, echt of gespeeld, uiteindelijk haar grond vindt in de menselijke persoonlijkheid.
Maar hoop, dat is een ander chapiter.
Hoop, christelijke of gelovige hoop, is niet afhankelijke van mijn persoon, is zelfs niet afhankelijk van de toevallige omstandigheden, de stand van de beurskoers. Hoop is gegrond in een belofte die van buiten komt, die mij en ons wordt toegezegd. Hoop is niet afhankelijk van mijn luimen, maar is gegrond in de trouw en de gerechtigheid van God zelf, de bron van onze hoop. Hoop is niet iets, zoals optimisme, dat ik zelf moet verwerven. Is niet mijn prestatie. Het is andersom, hoop ontstaat waar ze wordt toegelaten, waar je je openen kunt voor een boodschap van hoop, voor een teken van leven, hoe klein en onbetekenend het ook lijkt, zoals een kleine scheut aan een wortel – zie je het al?
Wat we in de kerk doen, in de Advent, is die hoop levend houden. Is die boodschap van hoop delen en elkaar daarin bemoedigen.
Optimisme is mooi. Maar het is veel betekenend dat het woord in de Bijbel niet voorkomt.
Net zo min als idealisme. Niet dat het daarmee verkeerde dingen zijn, integendeel. Maar het bijbelse woord ‘hoop’ zegt nog net iets meer, het wortelt dieper is mijn gevoel. Het is niet afhankelijke van de grillen van mijn stemmingen, maar is gefundeerd in de geschiedenis die God zelf met mensen maakt. Daarom is Hij de bron van onze Hoop.
Nog een laatste opmerking, voordat we het allemaal te mooi maken. Want leven in de hoop en vanuit de hoop, vraagt wel om actie. Dat leert Johannes de Doper ons wel. En zijn strenge woorden genezen ons van al te veel poezeligheid.
Johannes verkondigt het nieuwe begin van godswege. Hij roept op tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij (Mat. 3: 2). Hij haalt ook de profeet Jesaja aan.
Maar inkeer vraagt omkeer.
En zijn woorden klinken streng. ‘De bijl ligt aan de wortel van de boom; iedere boom die geen goede vruchten voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen’. Opnieuw, sprekende beelden uit de natuur. Alsof het een echo is van de profetie van Jesaja over de stronk van Isaï.
De hoop levend houden, is in de zin van Johannes, en later ook van Jezus, omkeren. Is goede vruchten voortbrengen. Is de hoop gestalte geven. Want hoop is niet een vaag gevoel dat het ooit wel goed zal komen. Levend uit de hoop is de voortdurende aansporing je daarop te richten. Om daar hier en nu al gestalte aan te geven.
Iedere daad, ieder woord, dat de hoop op verandering voedt, dat werkt aan het visioen van gerechtigheid en trouw, van harmonie in natuur en de wereld, draagt daar aan bij.
Ik las een interview met de oud-premier van Finland, Sanna Marin, die haar memoires schreef onder de titel: Van hoop naar actie: “Hoop ontstaat alleen door handelen. Het is dus niets iets wat zomaar uit de lucht komt vallen, maar iets wat we zelf creëren door dingen te doen om de wereld beter te maken” (VK 1 december).