Vandaag vieren we onze jaarlijkse oogstdienst.
We vieren in dankbaarheid de vruchten van gewas en arbeid. De tafel hiervoor laat het zien. Alles wat hier ligt, is door mensenhand geplukt, geoogst en gerangschikt. Maar niets daarvan hebben wij gemaakt. Het is gegroeid. Het is uit de aarde ontsproten, om het eens mooi te zeggen. Het is ons gegeven.
Dat laatste, dat het ons gegeven is, dat klinkt goed vroom en dat is precies de bedoeling.
Je kunt dat niet genoeg benadrukken.
Juist in onze cultuur en in onze economie – waarin zoveel en zo vaak de nadruk gelegd wordt op onze productiekracht en ons groeivermogen en economisch macht; waarin het idee dominant is dat wij de werkelijkheid naar onze hand kunnen zetten; de aarde straffeloos kunnen uitputten en uitbuiten en zo voort – juist in zo’n cultuur is het belangrijk om het besef levend te houden, dat het ons geschonken wordt. In bijbeltaal: dat we leven van genade.
God houdt er een eigen economie op na.
In beide teksten die de kerk op deze zondag leest, gaan geloof en economie samen. Jezus verjaagt de handelaars uit de tempel: ‘jullie hebben van het huis gebed een rovershol gemaakt’. Harde woorden, strenge verwijten, de zaak op scherp.
En bij Jesaja horen we even scherpe taal. De stad Jeruzalem wordt aangeklaagd. ‘Ach, de trouwe stad is een hoer geworden / waar eens recht heerste en gerechtigheid woonde, daar huizen nu de moordenaars’.
Ik wil een paar opmerkingen maken bij deze teksten.
Dat Jezus de handelaars uit de tempel jaagt, is een bekend verhaal.
Realiseren we ons wel op welk moment dit gebeurt?
Dat is een beetje de makke van onze gewoonte om steeds een klein stukje te lezen. We vallen er daardoor telkens midden in. Maar wat hier wordt verteld, vindt plaats meteen na de feestelijke intocht van Jezus in Jeruzalem. Het verhaal van Palmpasen. Vanaf dit moment is Jezus in de stad, in Jeruzalem – het doel van zijn lange levensreis.
Dat maakt het contrast zo groot.
Hiervoor, de juichende stemmen: ‘Gezegend Hij die komt’. De feestelijke intocht. Grote vreugde.
Maar dan meteen, het verdriet van Jezus, die huilt bij de aanblik van Jeruzalem. Jezus die naar de tempel gaat en de handelaars wegjaagt en hen met barse woorden toespreekt.
Het eerste wat Jezus doet als hij in Jeruzalem is, is naar de tempel gaan.
En daar gaat hij niet in discussie met de schriftgeleerden – dat komt later – het eerste wat hij doet is een daad van verzet. Geen theologisch dispuut, maar een economisch protest.
Dat is opvallend.
Zoals het ook opvallend is, dat als de profeet Jesaja – de andere tekst – zijn kritische boodschap over Jeruzalem uitspreekt, hij het vooral heeft over economische en sociale misstanden. Hij klaagt de macht aan:
‘Je vorsten zijn opstandig, ze heulen met dieven
ze denken alleen aan geschenken en steekpenningen.
Ze komen niet op voor wezen,
geven aan weduwen geen gehoor’.
Als het gaat over de zonden, rood als scharlaken, dan gaat het bij de profeten bijna altijd over sociale misstanden, over het rot in de samenleving, over de scheefgroei in de economie.
We zijn soms geneigd te denken dat zonde te maken heeft met begeerte of met geweld of met verkeerde gedachten (ongeloof of twijfel), maar in de bijbel gaat zonde over de verstoorde verhoudingen in het maatschappelijke. Wezen en weduwen die tekort komen. Ze staan voor de mensen die in de samenleving van toen gemarginaliseerd zijn, overgeleverd aan de genade van anderen. Zoals dat in onze samenleving voor andere groepen geldt. Als dat gebeurt, is Gods eer gekrenkt. Dan is de eredienst onzuiver.
Juist dat wordt in dezelfde profetie van Jesaja benadrukt. Hiervoor – het valt buiten de lezing, opnieuw het nadeel van al die kleine stukjes lezen – hiervoor staat dat de Heer bij monde van de profeet uitvaart:
‘Wat moet Ik met al jullie offers? – zegt de Heer
(…)
Houd op met die zinloze offergaven.
Ik heb een afschuw van jullie wierook;
jullie feesten, nieuwemaan en sabbat,
Ik duld ze niet naast al dat wangedrag’ (1: 11 en 13).
Denkt Jezus aan deze woorden van Jesaja als hij de tempel zuivert?
In de scène van de tempelreiniging speelt nog meer mee, dat laten we nu maar rusten.
Dat heeft te maken met de groeiende weerstand die Jezus ondervindt. De leiders van het volk die hem uit de weg willen ruimen. Bedenk, we zeiden het al, dit speelt op Palmpasen. Het is de laatste week van Jezus’ leven, we staan in de gang van het evangelie op de drempel van het passiegebeuren, lijden, kruis en opstanding. Dat alles geeft een bijzondere lading aan deze woorden.
De vraag die we nu op willen werpen is, hoe moet je dat ‘economisch protest’ uitleggen?
Betekent het, dat je dus economie en geloof strikt moet scheiden? Dat Jezus daarom de handelaars wegjaagt. Een huis van gebed kan geen huis van handel en wandel zijn…?
Dat lijkt me te rigoureus, eerlijk gezegd, en ook niet in lijn met het bijbels getuigenis.
Het is niet zo dat je het moet scheiden, je moet het op de goede manier met elkaar verbinden.
Economie en geloof zijn geen gescheiden werelden. Dat is de illusie van een verkeerd soort zuiverheidsideaal. Dat maakt van het geloof een louter geestelijke zaak, losgezongen van de werkelijkheid. Een soort idealistische wereld, niet besmet (let op dat woord) met het materiële van geld en economie.
Maar dat is een illusie, een gevaarlijke illusie. Alsof je de zondag van de maandag kunt losmaken. Alsof de kerk buiten de wereld en werkelijkheid van alledag staat.
Het gaat meer om de vraag hoe je op een goede, gezonde, vruchtbare manier economie en geloof, geld en goed, met elkaar verbindt.
Juist daar gaat het profetische protest over.
Als het wangedrag heerst, als mensen structureel tekort komen omdat het systeem structureel onrecht produceert – dan hebben al die vrome offers en feesten en samenkomsten geen zin. Dan zijn ze niet ter ere van God, maar een klap in diens gezicht.
Wij nemen ons geld ook mee naar de kerk.
We geven onze gaven, uit dankbaarheid en verantwoordelijkheid.
We delen hier de vruchten van de aarde en spreken er de zegen over uit.
Zoals over brood en beker.
Vrucht van de aarde, gewas, maar ook vrucht van menselijke arbeid.
We delen immers niet graan en druiven, maar de producten daarvan die door menselijke inspanning zijn ontstaan. De menselijke factor komt er altijd bij. Alleen zo wordt God de lof gebracht.
Het gaat dus niet om het scheiden, maar om het op de goede manier met elkaar verbinden.
De wereld van ons, handel en wandel, economie, vruchten en gaven, arbeid en productie, en dat wat we in geloof vieren en eren, het besef dat ons dat allemaal geschonken wordt, het hele leven en ons levensonderhoud. Dat het er is ter ere van God en tot heil van mensen.
Dat besef, een soort grondhouding, die leidt tot dankbaarheid én tot verantwoordelijkheid.
Er is nog een ander aspect, dat ik tenslotte kort wil belichten.
Het gaat vandaag over economie en geloof, over dankbaarheid en verantwoordelijkheid.
Maar het gaat in beide teksten ook over Jeruzalem – Jeruzalem als symbool van vrede en gerechtigheid. Dat laatste is zelfs een kernwoord bij Jesaja.
Jezus huilt over Jeruzalem.
Hij spreekt over de dag dat de stad vernietigd zal worden,
Dat is ook gebeurd, in het jaar 70, een generatie na Jezus.
Heeft hij dat al voorzien? Of is het zo dat de evangelieschrijvers, die na de verwoesting van de stad en de tempel hun verhaal schreven, de kennis van toen hebben gebruikt om achteraf het verhaal te kleuren?
Misschien is allebei waar, wie zal het zeggen.
Wat belangrijker is, dat in Jezus’ woorden, net als bij Jesaja, niet alleen onheil doorklinkt, maar de hoop op verandering levend wordt gehouden. Hun waarschuwingen komen voort uit de diepere grond van de belofte. Het wordt ons niet verteld om fatalistisch te worden, maar om de hoop levend te houden, om ons tot verandering te bewegen. ‘Breek met het kwaad en leer goed te doen’, zegt Jesaja.
Wij leven nu. Zoveel jaar later, ver na Jezus, laat staan Jesaja. Maar we leven in dezelfde wereld, op dezelfde aarde.
Heb ik oog voor wat ‘vrede kan brengen’, om de woorden van Jezus aan te halen? Heb ik voldoende erg in om de tijd van Gods ontferming op te merken, opnieuw woorden uit de tekst? Zijn verdriet is ook ingegeven doordat wij vaak onze kansen missen, de dingen laten lopen. Leven langs de genade heen.
Het leven is een zoektocht naar het echte geluk, de diepe vrede – het bijbelse sjaloom. Weten we wel waar het geluk te vinden is?
Het levensverhaal van Jezus wekt het vermoeden, dat het daar ergens te vinden. Nu Hij op het punt staat de liefde van God, Gods ontferming, in zijn overgave en op het kruis voorgoed te tonen. Gods liefde die alles overwint. Zijn genade is ons geluk. Gelovig leven is een leven in dankbaarheid en verantwoordelijkheid. In datzelfde geloof houden we vast aan de belofte. Eens komt de dag dat de stad van de vrede, het Jeruzalem van God zal neerdalen op de aarde. Dan gaan vrede en gerechtigheid hand in hand. Sjaloom Jeruzalem.