Overdenking

Door haar geloof, over Rachab (Jozua 2)

In deze Advent staan vier sterke vrouwen centraal. U heeft dat inmiddels wellicht gemerkt. Dat is, omdat ze alle vier met name worden genoemd in de geslachtslijst van Jezus.
Ik was twee weken geleden kerkganger bij iemand anders in de dienst en daar liet de voorganger de volledige geslachtslijst waarmee Matteüs zijn evangelie begint, lezen. De lector van dienst dacht daar zichtbaar het hare van. Ik wil dat u niet aandoen.

Het is iets wonderlijks dat het evangelie met zo’n droge opsomming van namen begint. Stel, je wilt het leven van Jezus vertellen. De onuitwisbare indruk die dat heeft achtergelaten. Hoe saai is het dan om je verhaal te beginnen met zo’n namenlijst. Daar komt vandaag de dag geen enkele romanschrijver mee weg, zou ik denken.

Je kunt die keuze voor zo’n opening alleen maar begrijpen, als je weet van het belang van de naam in de Bijbelse leefwereld. Namen zeggen iets. Namen, de lijst van generaties (verwekkingen in Bijbeltaal) voegen je in de geschiedenis in; de naam geeft je een plaats, is een oriëntatiepunt.

Dat er in de namenlijst van Jezus vier vrouwen staan, is bijzonder. Meestal gaat het alleen om de mannen – andere tijden, andere zeden.
Dat er vrouwen worden genoemd is opmerkelijk, maar ook dat het déze vrouwen zijn.

Vandaag gaat het over Rachab, de hoer.
Dat klinkt onaardig, maar ik zeg gewoon hoe het in de bijbel staat.
De bijbel is minder omfloerst. Hoezo, een vrouw van lichte zeden, of, een gezelschapsdame. Nee, gewoon een hoer, en dat mag je weten ook.

Ik heb ooit iemand gekend, die zei: Rachab was een ordinaire moffenhoer.
U hoort al wel, diegene had de oorlog meegemaakt.

Tja, in Israël wordt ze dan misschien tot de sterke vrouwen gerekend, de heldinnen van naam. Maar is wat ze doet in het verhaal, niet ordinair haar eigen volk, haar eigen stad Jericho, verraden?
Zij haalt de spionnen van Israël in haar huis.
Ze verbergt ze voor de inlichtingendienst die er lucht van heeft gekregen.
Met een handige leugen stuurt ze hen het bos in, of naar de Jordaan zo u wilt.
Ze bedingt bij de spionnen een bijzondere behandeling voor haar en haar familie, mocht het zover komen dat haar stad wordt ingenomen. Feitelijk rekent ze daar al op. “Wij zijn doodsbang voor jullie. We weten dat jullie een machtig Heer hebben. We weten dat we geen partij zijn”.
En zo, door de spionnen te beschermen, beschermt ze haar eigen leven.
Maar ze had het natuurlijk nooit mogen aanleggen met de vijand, vanuit het perspectief van Jericho. Vandaar, moffenmeid. Ze redt haar eigen hachje, maar bekommert zich kennelijk niet om haar stadsgenoten.

Tja, als je er zo naar kijkt, dan krijgt zo’n Rachab een heel ander profiel.

Zo kun je er naar kijken – en als je de oorlog bewust hebt meegemaakt, wie dat nog zeggen kan – dan kun je er misschien ook niet anders naar kijken, maar dan mis je volgens mij toch wat dit soort legendarische verhalen als boodschap willen overbrengen.

Hoe avontuurlijk het verhaal ook is, het is niet in de eerste plaats een historische anekdote uit de bijbelse geschiedenis van Israël. Ook in dit verhaal gaat het om de geloofsboodschap die er in doorklinkt.
De handelingen die het verhaal zo spannend maken, zijn snel verteld. Maar uitgebreid wordt aandacht gegeven aan hoe Rachab de mannen toespreekt.
Rachab heeft weet van de Heer die Israël uit Egypte heeft bevrijd. Hoe de Heer de zee heeft drooggelegd. Hoe de Heer vreemde koningen in de macht van dit slavenvolk heeft gebracht.
Rachab weet dat de Heer, jullie God, een God is die macht heeft boven in de hemel en hierbeneden op de aarde.
Daarom eindigt haar toespraak, als je het zo mag zeggen, met die hartstochtelijke bede: Red ons van de dood!

Rachab weet van de God van het leven, de God van bevrijding, de God die met Israël is.
Dat maakt haar gestalte voorbeeldig.

Dat werkt naar twee kanten uit.
Ze is een voorbeeld van geloof voor de Israëlieten en zo is haar naam blijven voortleven. Even verderop in het verhaal van het boek Jozua, dat zoals bekend gaat over hoe het volk het land in bezit neemt, wordt vermeld dat ‘haar nakomelingen tot de dag van vandaag onder de Israëlieten wonen’ (6: 25). Zij is deel van het verbondsvolk geworden.
Die roem heeft ze ook in het nieuwe testament behouden. In de Hebreeënbrief wordt ze genoemd in de galerij van geloofsgetuigen (11: 31), door haar geloof…

Rachab is één van die grote geloofsgestalten. Een teken voor Israël.
Maar dat werkt ook de andere kant op. Zij is ook representant van de volkerenwereld die in het verbond van God met Israël een plaats krijgt.
Zoals dat ook voor Ruth geldt, de Moabitische, één van die andere vrouwen in het familieregister van Jezus.
Zij, vrouwen van naam, vreemdelingen, zijn ingeschreven in het verbond, zijn door hun geloof deelgenoten geworden van de belofte.
En daarom worden hun namen in ere gehouden. Daarom staan ze vermeld in die lange lijst van namen die aan Jezus’ geboorte vooraf gaat.

Ik zei dat je de betekenis van zo’n namenlijst, dat toch iets vreemds blijft, alleen kunt begrijpen als je het belang van namen in de leefwereld van de Bijbel erkent. Ja. Maar het is ook iets typisch van het evangelie van Matteüs, waardoor het betekenisvol wordt dat hij juist zo zijn evangelie begint, met al die namen, en met die vier, vreemde vrouwen daarin opgenomen.

Want kijk maar.
Dat evangelie begint dus met die namenlijst, waarin Ruth en Rachab met ere worden genoemd.
En het evangelie eindigt, met wat we het zendingsbevel zijn gaan noemen. Jezus die na de opstanding zijn leerlingen op de berg ontbiedt, en hen de wereld inzendt: Ga op weg, maak alle volken tot mijn leerlingen, enz.
Er wordt in het evangelie, in het verhaal van Jezus, de gekruisigde en opgestane Heer, een wereldwijde beweging op gang gebracht. Die universele strekking zit door het hele evangelie verweven. Jezus treedt weliswaar op binnen de kring van zijn eigen Joodse volk, het eigen verbondsvolk. Maar Hij heeft ook oog voor buitenstaanders en vreemdelingen die hun toevlucht bij hem zoeken. Het is in dit Matteüs evangelie dat wordt verteld van de Romeinse (!) hoofdman, die onder het kruis belijdt: ‘Hij was werkelijk Gods Zoon’.

Niets in de bijbeltekst is toevallig. En alles krijgt, in verwijzing en verbinding met elkaar, diepere betekenissen.

De afkomst van Jezus, het kind dat wij in deze dagen van Advent verwachten, wordt gestempeld door een grootse beweging, waar ruimte en plaats is, voor wat in de ogen van velen verachtelijk en minderwaardig is. Rachab de hoer. Ruth de Moabitische. Beiden, vreemde vrouwen, maar deelgenoten van het heil. Door haar geloof.

Daarmee wordt dit dorre verhaal van de namen waarmee het evangelie aanvangt, een statement ook in deze tijd. Het Kind dat wij verwachten, is een kind van Israël, is de zoon van David, ja, maar Hij is ook: het heil voor de wereld.

Het opnemen van juist deze vrouwen waaronder Rachab in zijn namenregister, is een bewuste correctie op een tendens die toen, maar ook nu aanwezig is, om het vreemde juist te weren, om het te diskwalificeren.
Nee dus. Gods genade is zo wijd, dat ook de volkeren eronder mogen schuilen.
Gods verbond trekt altijd wijdere cirkels in de wereld en in de generaties, dan onze kleingeestigheid en bekrompenheid geneigd is te doen.
Zijn komst in deze wereld is verrassend – daar waar je het niet had verwacht; van wie je het niet had verwacht – en daarmee veelzeggend. God komt ons altijd tegemoet in het andere, in het niet-eigene.

Kijk dus niet neer op Rachab, de hoer, of op wie dan ook.
Veracht dus de vreemdelingen niet.
Want zij, juist zij, kunnen ons de deur openen die zicht geeft op het heil, de bevrijding van God, redding uit de dood.

Advent vieren is daarom: je horizon verbreden.

Previous Post Next Post

No Comments

Leave a Reply