Zondag ga ik misschien wel weer de regel van Rutger Kopland gebruiken: Wie wat vindt heeft slecht gezocht. Het is de titel van zijn dichtbundel uit 1972.
De evangelielezing van zondag gaat over zoeken en vinden. Een verloren schaap, een zoekgeraakt muntje. Als het teruggevonden is, worden vrienden en buren uitgenodigd om feest te vieren. Een beetje grotesk, zoals wel meer gelijkenissen van Jezus, waarin het onlogische als vanzelfsprekend wordt verkocht. De vergelijking is met de vreugde in de hemel die, volgens Jezus, nog groter is als één zondaar tot inkeer komt. Dan gaan ze in de hemel helemaal uit hun dak… (Lucas 15: 1 – 10).
Bij het thema zoeken en vinden past de intrigerende regel van Kopland, die er als dichter soms ook een handje van heeft om het onlogische als iets vanzelfsprekends te presenteren.
Nu heb ik ooit in een interview met Kopland gelezen, dat hij het maar zo zo vindt als zijn werk door predikanten wordt geciteerd. Alsof de poëzie dan toch weer een ander (lees: religieus) doel moet dienen en niet op eigen benen kan staan.
Daar heeft hij uiteraard een punt.
Maar het kan altijd erger.
Onlangs ontving ik een rouwkaart waarop de familie een mooi gedicht had geplaatst. Van Rutger Kopland.
Ik ken niet het hele oeuvre van Kopland, maar ik had toch vrij snel het idee dat dit niet van Kopland kon zijn. Daarvoor was het te expliciet christelijk. Even googelen leerde dat het een tekst van Geert Boogaard is. Een dominee-dichter, wiens werk vooral rond de eeuwwisseling populair was, in bepaalde kringen.
Boogaard is hiermee tekort gedaan, maar Koplands naam ijdel gebruikt, en ik weet niet wat het ergste is.
Maar het kan zelfs nog erger.
In het kerkblad van een gemeente uit de buurt, lees ik een gedicht Nazomer. Past bij de tijd, maar meer positiefs valt er eigenlijk niet over deze tekst te zeggen. Ik ben geen kenner en als het om poëzie gaat dan is het, zoals met alle kunst: smaken verschillen. Maar ik vermoed niet dat regels als ‘De zon kleurt gouden paden / waar de zomer zachtjes glijdt. / De nazomer, een tijd van graden, waar de natuur in rust verblijdt’ het hart van poëzieliefhebbers sneller doet kloppen.
Onder dit ‘gedicht’ staat: Gerrit Achterberg.
Misschien is het een naamgenoot van de beroemde dichter uit Langbroek. Die heeft weliswaar ooit een gedicht geschreven met dezelfde titel Nazomer, maar daarmee houdt elke vergelijking wel op.
Een verkeerde naam onder een gedicht is erg, je naam onder een verkeerd gedicht lijkt me nog erger…
Ik zal mijn best doen om zondag in mijn preek de regel van Kopland zo integer mogelijk te gebruiken, maar dat laatste blijft het natuurlijk wel…
Nazomer
Wanneer de herfst zal komen moet ik rijp zijn voor de dood.
Reeds staan zijn witte stilten aan de poorten van mijn ziel.
De blauwe bovenlopen van het bloed spiegelen heel
de hemelkoepel, waarin wolken als cameeën groot
gesneden staan, in roerloze herinnering aan u;
zoals gij waart de najaren, voordat de winter kwam:
een koude vlam, die aan de zon het verste vuur ontnam
met koele, volle huiveringen, tot het donker viel.
Gerrit Achterberg