In 1930 verschijnt de roman Job van Joseph Roth. Het betekent zijn internationale doorbraak als schrijver. Daarvoor heeft hij in Duitsland al de nodige bekendheid als journalist vergaard. Met de roman Radetzkymars uit 1932 wordt hij nog beroemder.
Dit voorjaar verscheen een nieuwe vertaling van Roth’s roman Job van de hand van Els Snick. Zij promoveerde ooit op Roth en heeft al diverse van zijn werken vertaald. Daarnaast is zij de voorzitter van het Joseph Roth Genootschap in de lage landen.
De hoofdpersoon in de roman Job heet Mendel Singer. Hij is een eenvoudige, vrome Jood uit Oost-Europa aan het begin van de 20e eeuw. Het milieu waarin Joseph Roth zelf opgroeide. Roth werd in 1894 geboren in het uiterste oosten van de toenmalige Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie. Na de eerste wereldoorlog viel deze wereld voorgoed uit elkaar. De roman speelt in deze periode.
Worden we door de titel uitgenodigd Mendel Singer te identificeren met de bijbelse Job?
Het lijkt er wel op.
Ook Mendel en zijn vrouw Debora overkomt het nodige aan leed en verdriet, vergelijkbaar met de bijbelse Job. In het tweede deel van de roman wordt op een gegeven moment gerefereerd aan het verhaal van Job en met name aan diens machteloze worsteling om een antwoord te krijgen op de grote waarom-vraag naar de zin van het lijden.
In dit artikel belicht ik een aantal overeenkomsten tussen roman en bijbelboek.
Proloog
De ondertitel van de roman is: Roman van een gewone man.
Dat mag gelden voor Mendel Singer, maar de bijbelse Job is verre van een eenvoudig mens.
In de proloog wordt hij als volgt gekenschetst (ik citeer uit de NBV21):
In het land Us woonde een man die Job heette.
Hij was rechtschapen en onberispelijk, hij had ontzag voor God en meed het kwaad.
Job had zeven zonen en drie dochters.
Hij bezat zevenduizend schapen en geiten, drieduizend kamelen, vijfhonderd span runderen, vijfhonderd ezelinnen en een groot aantal slaven en slavinnen.
Hij was de aanzienlijkste man van het Oosten (1: 1 – 3).
Mendel Singer is niet rijk en allerminst aanzienlijk. De manier waarop hij echter in de roman wordt geïntroduceerd, is een toespeling op het bijbelverhaal (paginaverwijzing naar de nieuwe vertaling van Els Snick):
Vele jaren geleden leefde in Zoechnov een man genaamd Mendel Singer. Hij was vroom, godvrezend en gewoon, een alledaagse Jood. Hij beoefende het eenvoudige beroep van leraar. In zijn huis, dat slechts bestond uit een ruime keuken, bracht hij kinderen de kennis van de Bijbel bij. Hij gaf les met oprechte ijver en zonder opzienbarend resultaat. Honderdduizenden voor hem hadden op dezelfde manier geleefd en lesgegeven (13).
Opvallend is de viervoudige kwalificatie. In de bijbeltekst is dat ‘rechtschapen en onberispelijk, hij had ontzag voor God en meed het kwaad’; in de roman: ‘vroom, godvrezend en gewoon, een alledaagse Jood’. Een echo van de bijbeltekst.
Daarbij komt dat deze viervoudige kwalificatie van Job in het bijbelverhaal twee keer wordt herhaald.
Zoals bekend, krijgt Job het nodige onheil te verduren. Dat is het gevolg van een weddenschap die God aangaat met de Satan. Letterlijk en figuurlijk wordt dat boven zijn hoofd bekokstoofd in een hemels topoverleg.
God pocht op zijn dienaar Job en Hij gebruikt daarvoor dezelfde vier kwalificaties. Maar Satan vermoedt dat Job zo voorbeeldig is omdat het hem voor de wind gaat. Zou hij ook ontzag hebben voor God als al die rijkdom hem ontnomen wordt?
Wij als lezers/hoorders worden over deze ‘weddenschap’ ingelicht. Job niet. En dat blijft zo, tot op het eind. Het is één van de aspecten die het zo’n wonderlijk en intrigerend boek maakt.
Als Satan toestemming heeft gekregen om Jobs rijkdom en bezit (en kinderen!) af te nemen, en Job geen krimp geeft, volgt er een tweede ronde. Opnieuw ingeleid door dezelfde woorden, waarmee God zijn dienaar Job prijst. Een functionele herhaling, die in de bijbelse literatuur vaker wordt gebruikt. Job wordt nu ook in zijn gezondheid aangetast. Maar ondanks alles ‘zondigde Job niet en sprak hij geen onvertogen woord’, volgens de bijbelse tekst.
Het is opvallend dat de viervoudige kwalificatie in de roman ook wordt herhaald.
We zijn dan in het tweede deel, dat zich afspeelt in Amerika.
Voor het eerst verlieten de zorgen het huis van Mendel Singer. Ze waren hem vertrouwd geweest als gehate broers en zusters. Negenenvijftig jaar zou hij nu worden. Al achtenvijftig jaar kende hij zorgen. Ze verlieten hem, de dood naderde.
Mendel leeft vrij anoniem in de Joodse buurt van New York
… in de nabijheid van de armen, de katten en de muizen. Hij was vroom, godvrezend en alledaagse, een heel gewone Jood. (145)
In het origineel gebruikt Roth overigens beide keren dezelfde typeringen, die in de literaire vertaling zijn gevarieerd (Er war fromm, gottesfürchtig und gewöhnlich, ein ganz alltäglicher Jude).
De vrouw
De zorgen die Mendel en zijn vrouw Debora treffen, houden vooral verband met hun kinderen. Na twee jongens Jonas en Sjemarja, wordt er een dochter geboren, Mirjam, de oogappel van Mendel. Hun vierde kind, Menoechim, blijkt echter gehandicapt te zijn. Hij kan niet zelfstandig lopen en het enige dat hij kan zeggen is ‘mama’.
Het verdriet drijft de echtelieden uit elkaar. Debora zoekt haar heil bij een wonderrabbi, die verklaart dat Menoechim beter zal worden:
‘Menoechim, Mendels zoon, zal gezond worden. Er zullen weinige zijn zoals hij in Israël. De pijn zal hem wijs maken, de lelijkheid goedmoedig, de bitterheid mild en de ziekte sterk. Zijn ogen zullen open en vol diepgang zijn, zijn oren scherp en vol weerklank. Zijn mond zal zwijgen, maar als hij zijn lippen opent, zullen ze goeds verkondigen. Wees niet bevreesd en ga naar huis!’ verklaart de rabbi. Wanneer hij zal genezen is niet duidelijk, maar hij bindt Debora het volgende op haar hart:
‘Laat je zoon niet in de steek, ook al is hij je zeer tot last, sta hem niet af, hij is uit jou gekomen, net als een gezond kind. Ga nu!’ (24)
Ook hier valt de viervoudige kwalificatie op, die eveneens later in de roman weer terugkeert. In het algemeen doet het taalgebruik van Roth hier bijbels aan. Het is alsof de ritmiek van de bijbelse verhaalkunst in zijn schrijven doorklinkt. De ‘bijbelse’ klank zit ook in zinnetjes als ‘Mendels zoon’ en de oproep ‘Wees niet bevreesd’.
Voorlopig geneest Menoechim niet.
Het onheil in het huis van Mendel en Debora stapelt zich op. De oudste zoon Jonas ontvlucht het huis om soldaat te worden. De tweede zoon Sjemarja vertrekt naar Amerika om de dienstplicht te ontlopen. Dochter Mirjam vrijt met de soldaten in de naastgelegen kazerne. De ouders raken op deze manier alle drie gezonde kinderen op een verschillende manier kwijt.
Debora is wanhopig en schreeuwt het plotseling uit:
‘Mendel, ga naar buiten, de mensen om raad vragen!’ (…)
‘Kraam niet zo’n onzin uit,’ zei Mendel Singer. ‘Waar zou ik naartoe moeten gaan? Wie zou ik om raad moeten vragen? Wie helpt een arme leraar, en waarmee zou men hem helpen? Welke hulp verwacht je van de mensen als God ons gestraft heeft?’ (45 – 46)
In het bijbelboek Job blijft diens vrouw naamloos. Ze komt anders dan Debora in de roman, nauwelijks in het verhaal voor. Slechts eenmaal treedt ze naar voren.
Als Job voor de tweede maal is geslagen door de Satan, terwijl hij in het stof en het vuil zit en zich met een potscherf krabt, komt zij op het toneel:
‘Waarom blijf je zo onberispelijk? Vervloek God toch en sterf.’
Job reageert: ‘Je woorden zijn de woorden van een dwaas.
Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?’ (2: 9 – 10)
Job noemt zijn vrouw dwaas.
Mendel zegt dat Debora onzin uitkraamt. In het origineel: “Was redest du für Dummheiten?”, sagte Mendel Singer.
Dwaasheid is in de bijbel niet domheid of onzin, een gebrek aan verstandelijk vermogen. Dwaas is degene die tegen God ingaat, die niet op de leefregels van God acht geeft, maar zijn eigen weg kiest. Niet gehoorzaamt aan het gebod van God maar eigen keuzes maakt. ‘Dwazen denken: Er is geen God’ (Psalm 14 en 53). Niet omdat ze atheïst zijn, maar omdat ze hun eigen gang willen gaan. Zich niets aan god noch gebod – letterlijk – gelegen willen laten liggen.
Klinkt er iets van die bijbelse betekenis door in de reactie van Mendel op Debora, of is dat te ver gezocht?
De vrienden
Als Mendel Singer naar Amerika is verhuisd en in de joodse buurt in New York is gaan wonen, is het ‘voor het eerst dat de zorgen het huis van Mendel Singer verlaten’. Zo begint hoofdstuk 11, dat we hierboven al citeerden, waarin opnieuw de eenvoudigheid van Mendel wordt benadrukt met de vier kwalificaties die Roth ook in de eerste alinea van zijn roman heeft gebruikt:
Hij was vroom, godvrezend en alledaags, een heel gewone Jood.
Roth vervolgt:
Weinig mensen schonken aandacht aan hem. Sommigen merkten hem niet eens op. Overdag bezocht hij een paar oude vrienden: fruitverkoper Menkes, Skowronnek van de muziekwinkel, Bijbelschrijver Rottenberg, schoenmaker Groschel (145),
waarmee de vier vrienden van Mendel worden geïntroduceerd die in het vervolg hun rol zullen spelen.
Het is niet moeilijk om hier een parallel met de bijbelboek Job op te merken. Daarin spelen de vrienden van Job een cruciale rol. Aanvankelijk zijn het de drie Elifaz, Bildad en Zofar die, als ze van Jobs rampspoed horen, besluiten om hem op te zoeken en te troosten. Zeven dagen en nachten zitten ze zwijgend bij de arme Job.
Daarna verandert de toon van het bijbelboek dramatisch. Job verheft zijn stem, vervloekt zijn geboortedag en slingert zijn vlammende verwijten in de richting van God die hem onterecht in het ongeluk heeft gestort. De vrienden reageren, ieder op een eigen manier, maar de teneur van hun redenering is dezelfde: Job moet de schuld bij zichzelf zoeken. Geen mens is zonder zonde. God straft niet zonder reden.
Het verhaal (in proza) wordt onderbroken door lange, poëtische, redevoeringen van Job en zijn vrienden.
Verderop in het boek treedt er nog een vierde persoon naar voren, Elihu. Waarschijnlijk een latere invoeging. Opmerkelijk is dat in de epiloog weer sprake is van de drie vrienden en Elihu niet wordt genoemd.
Hoe dit ook zij, de vier vrienden van Mendel Singer corresponderen dus met de vier vrienden van Job.
Het geluk van Mendel en Debora duurt niet lang.
Zoon Sjemarja, die al eerder naar Amerika is vertrokken en zich inmiddels Sam laat noemen en al helemaal veramerikaniseerd is, besluit om voor zijn nieuwe vaderland te vechten en gaat naar Europa waar de oorlog woedt (de Eerste Wereldoorlog). Hij sneuvelt.
Die boodschap grijpt Debora zo aan, dat ze zich de haren uit het hoofd trekt. Ze wordt radeloos van verdriet
Debora begon te zingen. Ze zingt met een diepe, mannelijke stem, die klinkt alsof zich een onzichtbare zanger in de kamer bevindt. De vreemde stem zingt een oud Joods lied zonder woorden, een zwart wiegelied voor dode kinderen (161).
Als ze stopt met zingen, valt ze van haar stoel. Er wordt een dokter bijgehaald, die slechts haar dood kan constateren.
Zeven volle dagen zat Mendel Singer op een krukje naast de kleerkast en keek naar het raam, waaraan een witte doek hing als teken van rouw. Dag en nacht brandde een van de blauwe lampen bij het venster. Zeven ronde dagen rolden na elkaar voorbij, grote, zwarte, langzame wielen zonder begin of einde, zo rond als de rouw. Eén voor één kwamen de buren: Menkes, Skowronnek, Rottenberg en Groschel, ze brachten hardgekookte eieren en bagels voor Mendel Singer mee, ronde spijzen, zonder begin of einde, zo rond als de zeven dagen van rouw (162).
Ondertussen voert Mendel een gesprek met zijn dode vrouw:
‘Jij hebt het goed, Debora. De Heer had medelijden met jou. Jij bent dood en begraven. Met mij heeft Hij geen medelijden, want ik ben een dode die leeft. Hij is de Heer, Hij weet wat Hij doet. Bid voor mij als je kunt, bid dat ik word uitgewist uit het boek der levenden (163).
Nog is het de beker van het onheil niet leeg. Tot overmaat van ramp wordt Mirjam krankzinnig en moet ze acuut worden opgenomen.
Als ze haar in de kliniek hebben achtergelaten en Mendel alleen thuis is en beseft alles kwijt te zijn, besluit hij de laatste band te verbreken. Hij maakt een vuur en staat op het punt daar zijn gebedsriemen, zijn gebedsmantel en zijn gebedenboeken in te werpen. Geschrokken door het geschreeuw van de razende Mendel en de rook die onder de deur doorkomt, waarschuwen de buren zijn vrienden, die haastig komen om hem te kalmeren:
‘Wat is er aan de hand, Mendel? Waarom maak je vuur, waarom wil je het huis in brand steken?’
‘Ik wil meer verbranden dan alleen maar een huis en meer dan een mens. Jullie zullen ervan opkijken als ik zeg wat ik werkelijk van plan was te verbranden. Jullie zullen ervan opkijken en zeggen: Mendel is ook gek, net als zijn dochter. Maar ik verzeker jullie: ik ben niet gek. Ik was gek. Meer dan zestig jaar was ik gek, nu ben ik dat niet.’
‘Vertel ons dan wat je wil verbranden!’
‘God wil ik verbranden’ (171).
De vier vrienden schrikken. Hoewel ze zelf niet meer praktiserend zijn, gaat dit voor hen toch te ver:
‘Laster niet, Mendel,’ zei Skowronnek na een lange stilte. ‘Jij weet beter dan ik, want jij hebt veel meer geleerd, dat Gods slagen een verborgen betekenis hebben. Wij weten niet waarvoor we gestraft worden.’
En vervolgens:
‘Denk toch eens, Mendel,’ begon Rottenberg, ‘denk toch eens aan Job. Hem is iets gelijkaardigs overkomen als jou (…) Ook hij lasterde God. En toch was het slechts een beproeving geweest. Wat weten wij, Mendel, van wat er daarboven gebeurt?’
Tevergeefs proberen ze, als eens de vrienden van Job, om Mendel te overtuigen zich bij het onheil neer te leggen.
Na een lange stilte, begint Mendel weer te praten:
‘En wat bedoel je met het voorbeeld van Job? Hebben jullie ooit al echte wonderen gezien, met jullie eigen ogen? Wonderen zoals die aan het slot van Job worden verteld? Zal mijn zoon Sjemarja herrijzen uit het massagraf in Frankrijk? Zal mijn verdwenen zoon Joas plotseling weer opduiken? Zal mijn dochter Mirjam gezond en wel uit het gekkenhuis komen? (…) Zal mijn vrouw Debora opstaan uit haar graf, dat nog vers is? Zal mijn zoon Menoechim midden in de oorlog vanuit Rusland hierheen komen, gesteld dat hij nog leeft?’ (172 – 174)
Het is in deze passages dat de parallel met het bijbelboek het meest manifest aanwezig is. Het grootste deel daarvan wordt in beslag genomen door de ‘gesprekken’ tussen Job en zijn vrienden, waarbij de vraag aan de orde is waarom al dat leed Job is overkomen. De vrienden zoeken (vrome) verklaringen, maar Job neemt daar geen genoegen mee. Net zo min als Mendel zich laat overtuigen door zijn vrienden.
Epiloog
Eén van de wonderlijke dingen van het bijbelboek is, dat de Almachtige zich verwaardigt om Job te antwoorden (vanuit de storm of het onweer). Met veel retorische kracht krijgt Job de nodige vragen in zijn gezicht geslingerd:
Waar was jij toen Ik de aarde grondvestte?
Vertel het me, als je zoveel weet.
Wie stelde haar grenzen vast? Jij weet dat toch? (38: 4 – 5)
Waarna Job er het zwijgen toe doet.
Het bijbelse verhaal eindigt met de rehabilitatie van Job. Hij herwint zijn rijkdom, dubbel zoveel zelfs als het gaat om het vee. Hij krijgt ook weer zeven zonen en drie dochters, de laatsten met de prachtigste namen. Hierna leefde Job nog honderdveertig jaar en hij zag zijn kinderen en de kinderen van zijn kinderen opgroeien, tot het vierde geslacht. En toen stierf Job, oud en verzadigd van het leven (42: 16 – 17).
Het einde van het bijbelboek kan op verschillende manier geïnterpreteerd worden. Opvallend is dat, na het verbale vuurwerk van Gods antwoord op Job, er geen communicatie meer is tussen beiden. God zegt weliswaar dat de vrienden ‘niet juist’ over Hem hebben gesproken ‘zoals mijn dienaar Job’. Maar dat zegt God indirect, als Hij zich tot Elifaz richt. Job moet voor hen bidden en als dat gebeurd is, ‘bracht de Heer een keer in het lot van Job’ (42: 8 – 11).
Het blijft bij deze ene keer.
Anders dan in de proloog, waar wordt vermeld dat Job regelmatig een offer brengt, is er in de epiloog geen sprake meer van een levend contact tussen Job en God. Je kunt die stilte uitleggen als het gevolg van alles wat er is gebeurd. Job heeft er genoeg van? Troost en medeleven ondervindt hij (nu pas?) van zijn familieverwanten en kennissen.
In de roman wordt verteld hoe Mendel, na het ochtendlijk gesprek met zijn vier vrienden, bij één van hen gaat inwonen:
Sinds die ochtend woonde Mendel Singer bij de Skowronneks. Zijn vrienden verkochten zijn armtierige inboedel. Ze hielden enkel het beddengoed en de roodfluwelen zak met de gebedsbenodigdheden achter, die Mendel bijna had verbrand. Mendel raakte de zak niet meer aan. In de achterkamer van de Skowronneks hing hij grijs en stoffig aan een stevige spijker. Mendel Singer bad niet meer. Wel werd hij soms, als er een tiende man ontbrak, gebruikt om het voorgeschreven aantal bidders te vervolledigen. Dan liet hij zich voor zijn aanwezigheid betalen. Soms leende hij ook zijn gebedsriemen uit aan deze of gene tegen een kleine vergoeding. Er werd verteld dat hij vaak naar de Italiaanse wijk ging om varkensvlees te eten en God te treiteren (180).
Mendel bidt niet meer, zoals Job niet meer offert.
Je zou ook hierin een associatie tussen roman en bijbelboek kunnen ontwaren, zij het misschien niet zo sterk.
Dat Joseph Roth zijn roman over de lotgevallen van Mendel Singer de titel Job heeft gegeven is betekenisvol. De overeenkomsten tussen de geschiedenis van beiden zijn overduidelijk.
Ook de roman kent een happy end, als je dat zo mag zeggen. Maar toch anders dan bij de bijbelse Job.
Roth maakt hiervoor gebruik van een ander motief uit de Joodse religie.
Op de seideravond gedenken de vrome Joden de bevrijding van hun voorouders uit de slavernij in Egypte. Mendel Singer wordt uitgenodigd om de seideravond te vieren met het gezin Skoronnek, maar hij zit er verloren bij, gebroken door het verlies van zijn dierbaren. Het gebeuren gaat langs hem heen. Dan wordt volgens de ceremonie de beker wijn voor Elia gereed gezet en hem welkom toegezongen. Kort daarna wordt er aangeklopt. In de deur staat een goedgeklede vreemdeling, die zich bekend maakt als Aleksej Kossak, geboren in hetzelfde dorp waaruit ook de familie Singer stamt. Kossak, een beroemd musicus, is met zijn orkest op tournee in Amerika. Hij weet te melden dat Menoechim leeft. Sterker, hij blijkt zelf Menoechim te zijn!
In Rusland achtergebleven, is hij in een kliniek in Petersburg terecht gekomen en geleidelijk aan genezen, door de impulsen van muziek. Hij is getrouwd en heeft kinderen. In hun portret meent Mendel een kinderfoto van Debora te herkennen.
Samen met Menoechim rijdt Mendel naar een terras aan zee:
De golven van de zee kabbelden zacht en regelmatig op het strand. Aan de lichtblauwe hemel stonden enkele witte wolkjes. Onder deze hemel vond Mendel het best om te geloven dat Jonas ook weer zou opduiken en dat Mirjam naar huis zo komen, ‘mooier dan alle vrouwen op aarde’, herhaalde hij in stilte. Hijzelf, Mendel Singer, zal na lange jaren een mooie dood sterven, omringd door veel kleinkinderen en ‘van het leven verzadigd’, zoals in het boek Job geschreven staat. (222)