De kool en de geit, Mat. 21, 23 – 32

Waar zitten we vandaag?
U zult zeggen: in de kerk, of in het schip – dat kan ook. Maar dat bedoel ik niet.

Als we de Bijbel openslaan, en dat doen we hier iedere week weer, dan is de eerste vraag die je moet stellen: waar zitten we vandaag?
Waar zitten we, in het doorgaande verhaal van de Bijbel of van het evangelie?
Waar zitten we vandaag, in de liturgische gang van het kerkelijk jaar?
En, waar zitten we, in de wereld van vandaag en de uitdagingen en de vragen die daaruit op ons afkomen. Daar wil ik iets over zeggen.

Waar zitten we vandaag?
In het evangelie horen we dat Jezus naar de tempel is gegaan en daar onderricht geeft.
We zijn dus in Jeruzalem.
Als je het evangelie ziet als een doorlopend verhaal dat begint met Jezus’ geboorte tot aan zijn dood en opstanding, dan zijn we hier, tegen het einde van het verhaal, in Jeruzalem. Het doel van zijn levensreis. Het verhaal van de intocht is kort hiervoor verteld.
Sinds Hij in Jeruzalem is, is Jezus voortdurend in de tempel te vinden, geeft er zijn onderricht. Treedt in gesprek, in debat, goed Joods, met de omstanders, met de geestelijke leiders van het volk.
Let wel, dit zijn – volgens de gang van het evangelie – de laatste dagen van zijn leven. Binnen een paar dagen zal zich het dramatisch levenseinde voltrekken. Het is alsof het kruis al zijn schaduw vooruitwerpt. De taal is fel, de dreiging hangt in de lucht. Aan het einde van dit hoofdstuk staat dat ze Jezus graag gevangen zouden willen nemen, maar het nog niet durven vanwege de reactie van de menigte. Nu nog niet…

Je kunt zeggen: het komt er steeds meer op aan. Het komt er altijd op aan, natuurlijk. Maar nu misschien nog wel meer. De urgentie, om de goede keuzes te maken. De hartstocht die er in doorklinkt, in hoe Jezus ons voor de keuze stelt.
Zoals de profeet Ezechiël dat op zijn manier en zijn tijd doet: het volk wijst op de consequenties van hun leefwijze. ‘Kom tot inkeer, bega geen misdaden meer (…) breek met je zondige leven (…) vernieuw je hart en geest (…) want de dood van een mens geeft me geen vreugde – spreekt de Heer. Kom tot inkeer, en leef!’

Maar nu komt die tweede vraag erbij, waar zitten we in de liturgische gang van het jaar.
In deze tijd van het jaar vieren de Joden hun grote feesten, Grote Verzoendag was het deze week en nu is het Loofhuttenfeest. In deze periode is er in onze kerk ook de Israëlzondag, dat is volgende week. Ik hoor bij de predikanten en theologen die ongelukkig zijn met deze benaming, omdat die voor veel misverstand zorgt. Beter zou het zijn de zondag van het jodendom, of zondag van kerk en synagoge, wat mij betreft. Het gaat immers om de gelovige verwantschap die er is. Niet alsof de kerk verbonden zou zijn met de huidige staat Israël, laat staan kritiekloos achter Israël zou staan. Dat is het misverstand dat door die benaming in de hand wordt gewerkt.
Wat belangrijk is, is het besef dat wij als christelijke kerk voortgekomen zijn uit het Jodendom en er daarom onlosmakelijk mee verbonden. Het omgekeerde is al minder vanzelfsprekend. Het Jodendom kan prima zonder christenen, maar andersom dus niet.
Waarom zeg ik dit?
Omdat juist deze evangelieteksten, Jezus in debat met de Joodse schriftgeleerden, het gevaar met zich meebrengen dat we de tegenstelling, die pas veel later tussen jodendom en christendom is ontstaan, terug projecteren in het evangelie. Jezus staat niet tegenover de Joden, Hij staat er midden tussenin. Hij is zelf Joods, in al zijn vezels. Zoals zijn leerlingen, zoals de evangelieschrijvers enzovoort.

Goed Joods is het om je boodschap in een verhaal te vatten.
Dat kennen we. Jezus spreekt in gelijkenissen. Dat gebeurt ook hier.
Een vader had twee zonen.
Aan allebei vraagt hij of ze in zijn wijngaard willen werken.
De ene zoon zegt Nee, maar doet het vervolgens toch.
De andere zoon zegt Ja, maar doet het vervolgens toch niet.
Beetje typisch allemaal, maar in gelijkenissen gaat het er wel vaker wat vreemd aan toe.
Wie van de twee heeft nu de wil van de Vader gedaan?
Dat is niet zo moeilijk.
De eerste.
Dus, niet per se wat je zegt, is van belang. Het beslissende is, wat je doet.

Niet wat je zegt te  geloven, niet alles wat je braaf op kunt sommen, aan vrome teksten en gelovige belijdenissen, of weet ik wat.
Nee, wat je doet – zelfs als zeg je misschien het tegendeel.
Bij het kerkasiel in Kampen kom ik mensen tegen die zeggen: ik geloof eigenlijk niet en ik hoor ook niet bij een kerk, maar hier zet ik me graag voor in.
Zoiets?
Of misschien denkt u aan uw eigen kinderen. Nee, ze gaan niet meer naar de kerk, maar ze leven wel bewust, hoor ik soms … zoiets?

Ondertussen is het goed Joods, om de nadruk zo te leggen op het doen.
Geloof uit zich in daden, want anders is en blijft het loos gepraat.
Zeker, maar ook dat kan een banale alledaagse wijsheid worden. Misschien moeten we nog iets dieper graven.

Want Jezus zegt, als ze het antwoord hebben gegeven op de vraag wie de wil van de Vader doet, er iets verrassends achteraan:
‘Ik verzeker u, de tollenaars en de hoeren zijn u voor bij het binnengaan van het Koninkrijk van God’.

Wat is dat?
Zijn zij dan de mensen die het doen? Die uitblinken door goede daden?
Dat zou kunnen, maar dat wordt niet gezegd. En misschien ook niet in de eerste plaats bedoeld.

Die tollenaars en hoeren, die kennen we ook uit andere gedeelten uit het evangelie.
En we weten allemaal, dat Jezus een bijzondere voorkeur heeft voor dit soort mensen, mensen waarop anderen vaak neerkijken, mensen over wie anderen – wij – vaak al een oordeel klaar hebben. In het evangelie van Matteüs begint Jezus zijn onderricht met de zaligsprekingen. Daar worden de mensen die in de wereld achterop komen als het ware naar voren geroepen. Er zijn verhalen in het evangelie waaruit blijkt dat de zogenaamde zondige mensen een beter begrip hebben van Jezus’ boodschap dan de zogenaamde fatsoenlijke gelovigen. De laatsten worden de eersten; de omkering die Jezus tot stand brengt.

Het is niet zozeer dat ze beter doen, maar het beter begrijpen, als Jezus spreekt van Gods onvoorwaardelijke liefde, als Jezus spreekt over de vergeving die God schenkt, over de vrijheid die Hij belooft – want, God schept alleen maar vreugde in het leven van mensen. Kom tot inkeer en leef! Zij weten dat ze dat nodig hebben. Wij denken vaak dat die boodschap voor anderen is bestemd.

Wat de tollenaars en de hoeren ‘doen’, is vooral deze boodschap oppikken en zich eigen maken. Zij hebben niets om zich op te beroemen, integendeel, en dát weten ze. Zij voelen misschien wel beter aan, dat zij, zoals ieder mens, het moeten hebben van de genade alleen. Zij hebben geen verdiensten – dus géén goede daden of goede werken – waar ze prat op kunnen gaan – integendeel. Maar juist daarom, omdat ze hun armoede goed genoeg kennen, en onderkennen, staan ze open voor de rijkdom van Gods genade.

Daarom gaan ze ons voor.
Ze gaan niet in onze plaats, gelukkig maar, maar ze gaan wel voorop. Zoals de kinderen. Zoals al die mensen die niet bogen op hun prestaties, hun prestige, hun fatsoen, hun geleerdheid of wat dan ook.

In het oude dienstboek van de NH kerk, dat altijd ‘in ontwerp’ is gebleven, stond een gebed dat begint met de woorden: ‘Heer, vergeef ons dat we zo fatsoenlijk zijn…’, of iets in die trant. Daar werd ik ooit eens op gewezen door een collega.

Ons fatsoen zit ons soms in de weg. Onze burgerlijkheid. Onze braafheid en onze netheid. Al die sluiers van cultuur en fatsoen en conventies en zo voort.
De waarheid van het evangelie is rauw en onverbloemd. Juist de mensen aan de zelfkant, of juist als je zelf de klappen van het leven ervaart, kunnen je open maken voor dat inzicht. Er zit bij ons – bij mij – vaak zoveel tussen, en dat kan je lelijk in de weg zitten.

We zijn fatsoenlijk, zoals die ene zoon – we zeggen ja, ja en amen, maar ondertussen, als het erop aankomt blijkt het nee te zijn geworden, of is het er gewoonweg niet van gekomen.
We zijn fatsoenlijk, als kerk, en daarom spreken we soms met meel in de mond, om maar niemand voor het hoofd te stoten, enerzijds anderzijds, de kool en de geit.

De laatste van de drie vragen van het begin, waar zitten we vandaag, gaat over de wereld waarin we leven en de uitdagingen waar we voor gesteld worden.
Dat is natuurlijk veel te groots geformuleerd.
Maar het gaat er wel om, dat al die mooie woorden en gedachtes concrete praktijk worden, hoe we in de wereld zijn als kerk en als individuele gelovigen. Dat we het doen in praktijk brengen van elke dag.

Het doen van de wil van de vader, meewerken in de wijngaard, met alles wat in die beeldspraak besloten ligt. Je woorden doen er toe, maar nog meer je daden, want die spreken.
Het komt erop aan, dat we in deze harde en harteloze wereld, woorden en daden van liefde en genade verspreiden. Dat we leven uit de vergeving, die ons zelf geschonken wordt en dat we zo omgaan met de ander – welwillend en voorkomend, maar ook beslist en scherp als dat nodig is. Een kerk die zich niet uit, maar in zichzelf gekeerd is, is misschien wel een gezellig clubje, maar geen kerk van Christus.

Jezus Christus, die niet alleen Ja zegt maar ook Ja doet.

View Comments (1)
  1. Mindert Kronemeijer

    Mijn Gerda zei: wat weer een goede preek. Zelf heb ik door bijwerkin van medicijnen soms moeite om geconcentreerd te blijven en daarom heb ik de lezing nog eens doorgenomen.
    Gerda heeft gelijk.

    Groet,

    Mindert

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *