De Heer heeft gegeven…, Job 1: 21 (Oudjaar)

Onlangs was ik bij een meneer op bezoek, die vertelde dat hij al dertig jaar niet meer in de kerk was geweest. Dat had te maken met een dominee die, op een moment dat het erop aankwam, niet de goede woorden had gesproken. Ik zeg het maar wat netter dan hij het zelf formuleerde.
Ik hoorde zijn verhaal aan. En ik dacht: ‘Wat heb je soms ook prutsers onder mijn collega’s’. Maar een tijdje later bedacht ik: het zou ook zomaar kunnen, dat ik die dominee ben in het verhaal van een ander.

Het komt er nogal op aan, wat je zegt en op welk moment. Dat geldt voor iedereen. Zeker als het gaat om vrome teksten of Bijbelwoorden.

‘De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geprezen’.
Vroeger stond dat nog wel eens boven een rouwkaart, of op een grafsteen.
Ik ken mensen die er troost in vonden.
Maar ik heb vaker gehoord van mensen dat ze geweldig steigeren tegen deze tekst en het bijvoorbeeld niet konden begrijpen dat hun ouders dat zeiden bij het overlijden van een kind, hun zusje of broertje.

Op de laatste avond van het jaar heb ik gekozen voor deze tekst.
En ik zal mijn best doen er behoedzaam over te spreken. Want het luister nauw, het luistert altijd nauw.
Toch denk ik dat er een eigen waarde in deze vrome tekst schuilt. Juist op deze avond, als we als vanzelf een beetje melancholiek terugkijken op een jaar dat achter ons ligt en met een schuin oog naar het jaar dat zich voor ons uitstrekt.

Teksten klinken altijd in een bepaalde situatie.
Dat maakt dan ook hun zeggingskracht uit. Of je er door getroost wordt, of juist omgekeerd, extra gekwetst. Dat laatste is natuurlijk nooit de bedoeling. Ook niet van die misschien wat onhandige collega waar ik mee begon in het verhaaltje van die man die niet meer naar de kerk wil.

Laten we eerst een stapje terug doen.
Want deze tekst komt ergens vandaan.
En dan zijn we in het wonderlijke verhaal van Job op. Waar veel en veel meer over te zeggen valt, dan in het bestek van één meditatie past.
Job is een schier onuitputtelijk boek, over de grote vraag van het leven. Over lijden en schuld. Over God in het lijden, of niet? Over waar je troost vindt, of niet. Echte troost of surrogaattroost.
Job zelf maakt in de loop van het verhaal een verandering door. Hier is hij nog de vrome Job, die geen onvertogen woord laat vallen.
Zelfs niet als hem het onbeschrijfelijke verdriet overkomt, op één en dezelfde dag verliest hij al zijn bezittingen. Zijn vee, runderen en ezelinnen, worden geroofd en de boerenknechten met geweld omgebracht. Vervolgens komt de volgende jobstijding binnen: zijn schapen zijn door de bliksem getroffen en allemaal dood. De boodschapper is nog niet uitgesproken, of er is bericht dat ook de kudde kamelen met geweld is geroofd. En als klap op de vuurpijl, het bericht dat al zijn tien kinderen, zeven zonen en drie dochters, omgekomen zijn toen het huis waar ze feest vierden instortte. Onvoorstelbaar.

En dan staat er, in de plechtstatige stijl van de Bijbel:
‘Toen stond Job op, scheerde zijn hoofd kaal en wierp zich ter aarde. En hij zei: ‘Naakt ben ik uit de schoot van mijn moeder gekomen, naakt zal ik tot de aarde terugkeren. De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geprezen’.

Job als de voorbeeldig gelovige?
Die niet klaagt, maar draagt en bidt om kracht?
De vrome mens, die geen vragen stelt maar alles aanvaardt uit Gods hand?

Ik zei al, en dat weet u ook, Job verandert gedurende het verhaal. Dit woord van Job is zijn eerste woord, maar nog lang niet zijn laatste woord.
Die verandering wordt hier in het begin al voorbereid. Want na al die onheilstijdingen op één dag, is het nog niet over.
Job wordt nu ook getroffen door een vreselijke huidziekte, hij weet niet waar hij het zoeken moet van de pijn en de jeuk. Zijn hele lichaam is aangetast.
Zijn vrouw, zonder naam, zegt: kap toch met die God van jou. Ze ergert zich aan zijn vroomheid. Maar Job zegt dan: Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?

Ook dat klinkt weer erg vroom.
Maar toch, in ieder geval maakt Job nu onderscheid, tussen goed en kwaad. Niet alles wat je overkomt is goed of reden om God te loven en te prijzen.
Daarbij, tweede verschil, is deze uitspraak een vraag. En dat opent toch al een luikje om er ook anders naar te kijken. Om het niet zomaar, zonder vragen, aan te nemen. De stellige zekerheid van ‘De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen..’, heeft Job hier al enigszins losgelaten, lijkt het.

Nog maar even, en de toon en de stijl van het boek verandert drastisch.
Dan barst Job los, zijn geboortedag vervloekend, in een lange klacht over het onrecht dat hem wordt aangedaan. Daar gaat het grootste deel van het boek over, uitgebreide klaagzangen, in gesprek met zijn vrienden die zijn gekomen om hem te troosten.
Job klaagt God aan. Hij wil uitleg. En, dat is een van de wonderen van het boek, God antwoordt hem, Job. Of dat allemaal bevredigend is, dat laten we nu maar even in het midden.
De een zegt dat Job aan het einde bakzeil haalt. Hij legt de hand op de mond. Hij heeft geleerd dat het voor een mens onmogelijk is het beleid van God te doorgronden.
De ander zegt dat Job zelf een einde maakt aan het dispuut. Hij heeft gezegd wat hij wilde zeggen, en laat het zo.
Het is niet helemaal duidelijk, of je kunt ook zeggen: er zijn verschillende manier om het te lezen en betekenis te geven aan de vragen van God, de mens en het lijden.

Hoe dan ook, aan het einde van het verhaal lijkt het alsof alles weer goed gekomen is. Job wordt in ere hersteld. Zijn bezit krijgt hij dubbel terug. Ook worden er weer tien kinderen geboren – maar ja, die eerste kinderen zijn toch voorgoed verloren.

En, belangrijk, aan het einde zegt God dat de vrienden van Job niet op de juiste manier over Hem hebben gesproken. De vrienden zoeken verklaringen en leggen de schuld bij God. Maar dat is dus niet goed? En heeft Job dus wel goed gesproken?

Wat betekent dat dan.
Slaat dat terug op het laatste, dat Job er het zwijgen toe doet.
Of betekent het dat Job het goede recht had om het niet te nemen, om zich bij God te beklagen. Daar lijkt het op. In geloof mag je dus ook klagen. Je verdriet, zelfs je woede tegenover God uiten. Er zijn meer voorbeelden daarvan in de (joodse) bijbel.
Maar je kunt ook zeggen, en dan zijn we weer terug bij onze tekst, dat als Job op de juiste manier over God gesproken heeft, dit ook slaat op wat hij hier aan het begin zegt.
Ik denk dat je niet hoeft te kiezen, maar al die vier manieren van spreken van Job erbij mag betrekken.

Dan is niet dus zo, dat Job weg is gegroeid van dat vrome antwoord uit het begin.
Het is niet zo, dat Job eerst stellig is, dan vragen stelt, vervolgens klaagt en dan, nadat God heeft gesproken, ophoudt en inziet dat hij het allemaal toch niet begrijpen kan – en dat hem dát op het positieve oordeel van God komt te staan – mijn knecht Job heeft juist over Mij gesproken.
Nee, dat juiste spreken moet je volgens mij laten terugslaan op alle manieren waarop Job over God heeft gesproken. Dus op de klacht, op al die woedende, smekende vragen van Job, want klagen mag; maar het juiste spreken geldt ook voor de vraag waarmee het begon te schuiven:  zouden we het goede van God aanvaarden en het kwade niet. Maar je mag het ook terug laten slaan op dat allereerste woord van Job: De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geprezen.

Waarom? Omdat als je het allemaal samen neemt, deze uitspraak dan niet meer de passieve resignatie is, de lijdzame vroomheid die sommigen er in horen. Integendeel. Het verwoordt een diep besef, hier al aan het begin, bij waar het boek Job uiteindelijk bij uitkomt. Alles wat er gebeurt, is ten diepste een geheim mysterie dat ons ontgaat. Bij alles wat je kan overkomen, letterlijk over – komen, komt ook het besef mee, dat het leven niet iets is wat wij maken, maar dat ons toevalt. Dat ons gegeven wordt, werkelijk, het goede en het kwade. Wij hebben ons leven niet in eigen hand. Wij leven uit Gods hand.

Dat maakt je niet passief of onderdanig. Dat is verkeerde vroomheid.
Het maakt je bescheiden, zeker, het maakt je boven alles dankbaar.

Kierkegaard wijst in één van zijn Opbouwende Toespraken op het feit dat Job eerst zegt: De Heer heeft gegeven. Hij begint niet met: de Heer heeft genomen, hoewel dat de feitelijke situatie lijkt. Maar nee, legt Kierkegaard uit, dat Job eerst zegt ‘de Heer heeft gegeven’ duidt erop “dat zijn ziel niet geheel bekneld raakte in de stomme onderwerping aan het verdriet, maar dat zijn hart eerst ruimte vond voor dankbaarheid” (einde citaat).
En dankbaarheid is wat anders.
Dat is de wonderlijke lofzang om het leven, het onbegrepen leven, waar je niet altijd chocola van kunt maken, maar dat je toevalt – dat is het geloof – uit Gods hand. Op goede en op kwade dagen.

Natuurlijk, het luistert nauw.
Niemand dwingt jou om het ook zo te zeggen als Job.
Als het een opgelegde vroomheid is, of een door anderen aangedragen wijsheid, dan kan het helemaal verkeerd uitpakken. Dan kan je zo kwaad worden dat je nooit meer naar de kerk wilt, of de dominee uit huis zet.
Niemand mag het voor jou zeggen, of jou voor zeggen.
Maar als het een doorleefde vroomheid is, zoals van Job, als het ware door het leven en het lijden getest en beproefd, dan kan het een machtig en troostrijk vers zijn. Dat je dat kunt zeggen, in dankbaarheid: De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geprezen.

Ik eindig met de laatste strofe van het bekende Oudejaarslied van Bonhoeffer, het staat ook in ons Liedboek (511). Een lied dat overigens, u moet het nog maar eens helemaal overlezen, verrassend dicht bij de wijsheid van Job staat.

In goede machten liefderijk geborgen
verwachten wij getroost wat komen mag.
God is met ons des avonds en des morgen,
is zeker met ons elke nieuwe dag.

Schrijf een reactie

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *