Dagopening Identiteit

De vraag was om met een inleidende toespraak jullie een beetje te inspireren voor deze studiedag over Identiteit.
Dat wil ik graag doen, anders stond ik hier niet, maar het roept ook een zekere verlegenheid op.

Openingstoespraak op studiedag Identiteit CS Vincent van Gogh te Assen

Ik ben geen leraar, al kom ik in mijn werk ook dikwijls in onderwijsachtige situatie. Maar een cursus voor geïnteresseerde 60+ plussers, of het leiden van een filosofiekring, is toch wat anders dan de dagelijkse omgang met pubers. In mijn werk heb ik nauwelijks meer contact met deze doelgroep. Wat vroeger ‘catechisatie’ heette, is goeddeels weg.

Dus laat ik meteen maar helder stellen, jullie zijn de deskundigen. Jullie staan voor de uitdaging om in de dagelijkse praktijk van lesgeven en begeleiden aan ‘identiteit’ vorm te geven.

Anderzijds ben ik natuurlijk ook weer niet helemaal onkundig. Anders stond ik hier niet.

Ik wil een paar dingen zeggen over hoe ik, als theoloog, tegen identiteit in het bijzonder onderwijs aankijk. Maar wat ik vooral wil doen is ingaan op hoe je de Bijbel of andere teksten kunt gebruiken bij de dagopening. Dat is een wat specifieke vraag, maar naar ik begrepen heb ligt daar een belangrijk speerpunt voor deze dag.

Nu vermoed ik dat de verlegenheid die ik voel, wordt gespiegeld door een verlegenheid aan jullie kant. Ik kan uiteraard niet voor iedereen spreken, maar dat er bij veel docenten een verlegenheid is juist op dit thema, is bekend. Lang niet iedereen ‘heeft’ iets met dit thema – wat vaak een vriendelijke manier is om te zeggen dat je er eigenlijk niks mee hebt. Je geeft vol overtuiging les, je houdt van je vak, maar dat heeft weinig te maken met identiteit of met die C in de schoolnaam. Ook dat roept verlegenheid op, als je zelf geen actieve band hebt met een geloofsgemeenschap – en dat geldt voor velen.

En dan staat er daar ook nog eens een dominee, een oude witte (grijze) man, die het ons wel even zal vertellen?

Goed. Laten we beginnen.

In de aanloop naar deze dag mailde iemand mij (ik citeer) “Na de bestuursfusie tussen cs Vincent van Gogh en dr Nassau college is het nog ingewikkelder om de identiteit van de christelijke school te behouden” (einde citaat).

Dat het ingewikkeld is, dat is niet verkeerd. Dat is de uitdaging.
Maar ik struikelde over het laatste deel: de identiteit van de christelijke school te behouden.

Dat klinkt me te defensief. Alsof identiteit iets is wat je, met een zekere krampachtigheid, moet behouden…

Het gaat me er niet om iemand te diskwalificeren, maar ik wil proberen het scherp te krijgen.

Als identiteit iets is wat het eigene of het bijzondere van jouw school uitdrukt – en zo kijken we er vaak naar, zeker vanuit het verleden: bijzonder onderwijs, de C, enzovoort – als je het benadert als het eigene, dan krijg je een houding van afsluiting, onderscheid, uitzondering. Wat maakt ons anders dan het openbaar onderwijs – dat type vragen. Waarbij het er dan om zou gaan dat wij iets moeten behouden – dat klinkt te behoudend.

Mij lijkt dat een heilloze benadering.

Identiteit is niet het usp, Unique Selling Point, van het bijzonder onderwijs. In elk onderwijs gaat het om identiteit, in de zin van je onderliggende waarden.
Waarden die jou als mens hebben gevormd.
Ervaringen die je hebben gevormd als docent. Je ideeën over goed onderwijs, vanuit het vak maar ook vanuit de omgang met leerlingen (en collega’s).
Al die drie dingen, waarden, ervaringen, visie, neem je mee in je onderwijspraktijk.

Wat vervolgens belangrijk is, is dat je op allerlei niveaus het gesprek hierover voert. Daar krijgt m.i. identiteit vorm. In het gesprek. Het proces is belangrijker dan het product. Of misschien moet je zeggen, het product is het proces.
Identiteit is niet iets wat je bezit (als schoolorganisatie of als docent) maar iets wat zich voortdurend vormt. Het is een voortgaand proces, waarin steeds de meer basale vragen onder of achter de dagelijkse praktijk aan de orde zijn.

Belangrijker dan identiteit is het gesprek over identiteit, zoals vandaag.
Het is niet iets wat je bezit – en dus behouden moet – maar wat je samen ontdekt en tegelijk nooit helemaal vast kunt pakken of in beleidstermen of nota’s dicht kunt timmeren. Het heeft een fluïde karakter.
Een uitstapje:
Als het gaat over de identiteit van het christelijk onderwijs dan wordt nogal eens gezegd dat dit te maken heeft met de traditie waaruit de schoolorganisatie ooit is ontstaan. Dat mag feitelijk zo zijn, maar als je het zo zegt, benadruk je de traditie op een manier die het opsluit in het verleden. Maar een levende traditie is een traditie die zich steeds aanpast, meegroeit, meebeweegt. Als een traditie stolt, is dat de dood in de pot. Gestolde traditie is folklore. Je doet iets, maar je weet eigenlijk niet goed meer waarom – zoals oude ambachten of dode talen.

De enige manier om een traditie te behouden, te conserveren, is om het te onderhouden, door er mee aan de slag te gaan. Dan houd je het levend en levendig en vruchtbaar.

Om het anders te zeggen, identiteit gaat niet over het eigene, maar over het eigenlijke.
De wezenlijke vragen.
Waar je in de waan en de drukte van alle dag natuurlijk lang niet altijd aan toe komt. Daarom zijn er studiedagen als deze. Maar de uitdaging is om het goede gesprek over het goede onderwijs (waarden, ervaringen, visie) meer te integreren in jullie dagelijkse praktijk.

Een open, veilige, ontvankelijk sfeer is daarvoor nodig.
Die is niet gebaat bij een wat defensieve grondhouding – om het eigene te behouden – maar meer met een cultuur van gezamenlijke reflectie en feedback.

Daarom zou ik de aanstaande fusie waarin jullie zitten, niet zien als een bedreiging maar juist als een unieke kans om het over de identiteit te hebben.

Waar bij je dan heel goed tot de ontdekking kunt komen, dat verwacht ik zelfs, dat je meer overeenkomsten hebt met je collega’s van de andere organisatie dan verschil.
Waarbij de bronnen waar je zelf inspiratie uit put kunnen verschillen, maar ook dat hoeft niet per se.

Daarmee kom ik bij het thema van de Bijbel in de les.

Er is prachtig materiaal in het blad Oase, waarvan ik een exemplaar mocht inzien als voorbereiding. Op allerlei manieren word je daarin iets aangereikt, haast panklaar, om vorm te geven aan de dag- of weekopening. Daar zullen we het straks in de werksessies nader op ingaan.

Maar ik zet eerst even weer een stapje terug.
Want rond de dagopeningen heerst er, als ik goed ben geïnformeerd, een vergelijkbare verlegenheid als we net al rond het thema ‘identiteit’ signaleerden.

Dat kan ik niet zomaar veranderen. Maar iedereen begrijpt dat als je leerlingen mee wilt krijgen in je les, je moet werken aan hun intrinsieke motivatie. Dat valt niet mee, want pubers hebben overal belangstelling voor maar niet per se in jouw vak of les. Maar je doet je best om ze mee te krijgen – en dat hangt mede van jouw eigen enthousiasme af. Misschien is dat wel de belangrijkste motiverende factor.

Dus leerlingen merken haarfijn als jij zelf de dagopening als een ‘verplicht nummer’ ziet.

Ik zou zeggen:
– zie het als een kans, een middel om even in de drukte van alledag een moment te hebben voor een ander soort gesprek, over waarden, meningen, ervaringen, visie – dichtbij de leefwereld van de leerlingen;
– zie het als een kans, om op een andere manier in contact te komen met je klas – waarbij soms opeens iemand iets kan delen, waardoor je een andere kant van zo’n leerling gaat zien;
– vergroot die kans, door ook iets van je zelf te laten zien, ervaren, bloot te geven. Je bent meer dan een leraar. Je bent ook een mens, met meningen, emoties, vragen en verlegenheden.
en,
probeer dat mee te nemen in de gehele les, of in je hele manier van lesgeven en leraar-zijn.
Dat is een voortdurende uitdaging.

Maar als de opening een geïsoleerd moment blijft, dan heeft het een beperkt effect, en misschien wel een tegengesteld effect, dat van het ‘verplichte nummer’.
Dus kun je de opening op een bepaalde manier integreren in je les? Als opmaat naar het thema van de les, dat zal niet altijd kunnen, maar het is wel een uitdaging om daar naar te kijken. Eventueel de opening daarop aan te passen – je bent niet gebonden aan het materiaal uit Oase, immers.
Kun je dat wat in de opening gebeurt, in de ideale situatie het gesprek met de klas, jouw openheid en eerlijkheid die de leerlingen aanmoedigt om ook iets van zichzelf bloot te geven, kun je dat meenemen in het geheel van de les, en dat permanent.
Dat heeft alles te maken met hoe je je verhoudt als leraar tot je leerlingen.

Dan toch nog even inhoudelijk over de dagopening.
Oase biedt daarvoor zoals gezegd bruikbare handvatten.
Je hebt allerlei rubriekjes waaruit je een keuze kunt maken. Het hoeft geen bijbelverhaal te zijn. Straks in de werkgroepen gaan we er dieper op in, vooral ook praktisch.

Een paar algemene opmerkingen wil ik alvast maken, als voorzet voor straks:
– het is belangrijk om de opening te integreren in je les; dus maak er geen restcategorie van, of het verplichte nummer. Daarna kunnen we ‘echt’ beginnen…. Dat is een gemiste kans.
Dan komt de dagopening los te staan, gaat zweven en wordt dan irrelevant.
(vgl. de kerkelijke vergaderingen die, volgens de notulen, op de gebruikelijke wijze (of zelfs wel ‘christelijke wijze’) is geopend).
– het is dan soms een uitdaging om te zoeken wat het verbindende element is of zou kunnen zijn. Ook als het inhoudelijk niet meteen aansluit, kun je wel op zoek naar een onderliggende waarde waarmee je een verbinding kunt maken, zodat opening en lesinhoud in elkaar overvloeien, of elkaar op een andere manier triggeren;
– het is belangrijk dat je eerst bij jezelf nagaat, wat jou in dat tekstgedeelte raakt, inspireert, enthousiast maakt of tegen de borst stuit, enzovoort.
– lees je een stukje voor of wordt dat digitaal gedeeld, via bord/scherm – lijkt me wel nodig om leerlingen mee te nemen
– onderaan de tekst staan een aantal gespreksvragen. Ik heb de neiging om te zeggen: draai het om en begin met de vragen. Zo kom je op een andere manier in het thema.
Tip: beantwoord eerst voor je zelf die vragen?
– je kunt de dagopening ook zien als iets van de klas/groep. Waarom is de docent daar alleen verantwoordelijk voor? Maak een schema waarbij iedereen om de beurt de dag/week opent met iets wat hij/zij wil delen – misschien iets voor de bovenbouw alleen? Bied aan dat je altijd wilt helpen. Kan vormend zijn.
– durf de bijbel te gebruiken – tekstje lezen/delen. Niet uit gaan leggen, maar open gesprek: wat staat er? wat valt je op? waar gaat dit over? wat is de boodschap/kern van dit stukje?


Ik rond af.
Misschien zijn mijn opmerkingen en suggesties buiten de orde, gaan ze voorbij aan de weerbarstige realiteit waarin jullie dagelijks in staan.
Maar misschien zit er iets in, wat tot nader gesprek en uitwisseling kan leiden, wie weet. Dat hoop ik dan maar.
Wat blijft:
De belangrijkste factor in het geheel zijn jullie zelf en jullie met elkaar. Zoals ik het ergens geformuleerd vond: als rolmodel, begeleider en gids tegelijk.
Omarm het thema identiteit, zie het als een kans om het goede gesprek te voeren, met jezelf, met elkaar als collega’s en in de organisatie en als een kans om het gesprek over het goede te voeren.
Daar waar het in de onderwijspraktijk eigenlijk om gaat of zou moeten gaan.

Schrijf een reactie

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *