Ooit had je de Waldheim-affaire. In de vorige eeuw was Kurt Waldheim secretaris-generaal van de Verenigde Naties van 1972 tot 1981. Toen hij president van Oostenrijk wilde worden, kwam zijn dubieuze oorlogsverleden naar boven. Deze affaire verhinderde niet zijn benoeming. Van 1986 tot 1992 was hij president, maar persona non grata in een groot deel van de wereld. Het waren andere tijden… Zelf verklaarde Waldheim dat hij betreurde wat hij in de oorlog fout had gedaan, maar ‘dat hij zichzelf inmiddels vergeven had’.
Je hoeft niet zo ver terug in de geschiedenis om voorbeelden te vinden van mensen die zichzelf vergeven hebben. Maar dit geval is mij altijd bijgebleven. Kan dat wel, jezelf vergeven, voor fouten waarvan anderen het slachtoffer zijn geworden?
In zijn nieuwste boek over vergeving, raakt Alain Verheij het thema van de zelfvergeving wel aan – hij meldt dat verschillende mensen toen ze hoorden dat hij bezig was met dit boek daarom vroegen – maar toch gaat hij er niet direct op in.
Vergeving.
Het is de corebusiness van het christelijk geloof, zeker in de westerse variant. De rooms-katholieke kerk heeft eeuwenlang gelovigen van hun schuldgevoel verlost door het sacrament van de biecht en de bijbehorende zondenvergeving door mijnheer pastoor. In het protestantisme, waarin de moraal hoog opgeschroefd wordt, is vergeving een heilige plicht, want de kern van Jezus’ boodschap: God vergeeft zondaars. Zo moeten wij elkaar van harte vergeven. Niet voor niets staat het in het gebed dat Jezus zelf ons leerde, het Onze Vader: ‘vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onze schuldenaren’.
Niet verwonderlijk dat er een rijke literatuur over dit thema bestaat. Verheij maakt daar dankbaar gebruik van, maar draagt met dit boek ook zijn eigen steentje bij. Hij doet dat op de van hem bekende, plezierige, vlot leesbare manier. Geen theologisch traktaat, maar een heldere beschouwing over de verschillende aspecten die met het onderwerp gegeven zijn.
Vergeven is een relatiewoord. Het is iets dat gebeurt tussen twee mensen (of groepen). Meteen aan het begin geeft Verheij een werkdefinitie: “Vergeving is de ander én jezelf een vredige toekomst wensen, ondanks wat de ander jou heeft aangedaan” (p. 15). Vergeving is iets waar beide partijen van opknappen, zowel de dader (die vergeving ontvangt) als het slachtoffer (dat vergeving schenkt).
Met name het perspectief van het slachtoffer krijgt veel aandacht in zijn boek, helemaal in lijn met de huidige tijdsgeest. Het slachtoffer bepaalt of en op welke manier vergeving plaatsvindt. Vergeving is niet een automatisme. Het is ook geen verplichting, zelfs niet voor een gelovige. Dat laatste wordt soms wel gesuggereerd, met name in orthodoxe kringen. Maar dan wordt vergeving gebruikt als een moreel drukmiddel, waarbij het slachtoffer opnieuw schade wordt toegebracht.
Het boek van Verheij is rijk aan illustratieve voorbeelden. Hij wil het niet presenteren als een zelfhulpboek of een stappenplan voor vergeving. Toch geeft hij regelmatig lijstjes om de verschillende aspecten die aan het thema kleven helder te onderscheiden (m.n. pp. 148 – 154).
Verheij is als theoloog een groot liefhebber van de bijbelse verhalen. Ook in dit boek laat hij weer zien hoe die oude verhalen, die weliswaar spelen in andere tijden maar met vergelijkbare sores in het intermenselijke verkeer, nog steeds actueel zijn en bronnen van wijsheid bevatten. Het gaat dan over wraak, over wroeging, over schuld, over verzoening en over menselijke verantwoordelijkheid.
Wat prettig opvalt is dat hij verschillende verhalen uit het Oude Testament belicht. Traditioneel wordt ‘vergeving’ als intermenselijk gebeuren vooral gezien als één van de vernieuwingen die Jezus bracht. In het Oude Testament is het alleen God die vergeeft (vandaar het schandaal dat Jezus veroorzaakt onder de hoeders van de orthodoxie, als hij zondaars vergeving toezegt).
Maar wat te denken van het verhaal van beide broers Jakob en Esau. De oudste (Esau) werd het slachtoffer van Jakobs bedrog, het leidt na een jarenlange verwijdering, uiteindelijk tot een verzoening, die van het slachtoffer, de bedrogen Esau uitgaat. Als ze elkaar in de armen vallen, verklaart Jakob: ‘Oog in oog staan met jou is niets anders dan oog in oog staan met God’. Verheij: “Jakob geeft hiermee een mooie draai aan de gedachte dat alleen God over ons mag oordelen: dat mag dan misschien wel waar zijn, maar voor hem heeft God het gezicht van Esau. Juist Esau mag over hem oordelen” (p.184), waarbij hij volgens mij juist de pointe mist dat het ‘oordeel’ van Esau ‘genade’ is! Esau heeft Jakob ‘begenadigd’ en daarin lijkt hij op God, of sterker is hij ‘als’ God. In mensen die vergeving kunnen schenken, spiegelt zich het aangezicht van de Eeuwige. Dat is het innerlijk geheim van de vergeving en de bijzondere kracht die daarvan uitgaat.
Ook bij andere bijbelpassages die Verheij naar voren haalt, valt nog wel wat meer te zeggen. Zo belicht hij uiteraard Jezus’ beroemde gelijkenis van de verloren zoon (in Lucas 15) die in genade wordt aangenomen door zijn vader, als hij met hangende pootjes terugkeert. De oudste zoon, zijn broer – heel vaak gaat het in de Bijbel om ‘broedertwisten’ – is daar minder blij mee. Hij reageert verongelijkt als ter ere van de klaploper van zijn broertje een groot feest wordt aangericht. Volgens Verheij “vertolkt de oudste broer een stem die in ons allemaal zit en niet helemaal ongelijk heeft” en suggereert dan dat de oudste broer nog niet aan vergeving toe is omdat “hij niet had gepraat over zijn pijn, had ontkend hoezeer hij leed onder het gedrag van zijn broertje” (pp. 111-112). Dat staat niet met zoveel woorden in de tekst (wat overigens geen bezwaar hoeft te zijn), maar het is de vraag of daarmee de reactie van de oudste broer vergoelijkt kan worden. Waarschijnlijk wil Verheij ruimte maken voor het inzicht dat vergeving geen automatisme is of verplichting en neemt hij het daarmee deels op voor de oudste zoon. Maar is de pointe nu niet dat de oudste zoon niet kan vergeven omdat hij teveel door jaloezie en gerichtheid op zichzelf wordt gehinderd? De vader veroordeelt hem niet. Het is meer dat hij zichzelf buitensluit.
Vergeving is geen christelijke plicht, maar een christen wordt wel voorgehouden om altijd naar vergeving en verzoening te streven. Vergeven is geen plicht, maar vergevingsgezindheid wel?
Dat is misschien ook de portee van een andere gelijkenis die Jezus vertelt. In een voor dit thema cruciale passage in het evangelie (in Matteüs 18), vraagt Petrus aan Jezus hoe vaak je moet vergeven. Jezus antwoordt: ‘Zeventig maal zeven’, met andere woorden: eindeloos.
Hij vertelt vervolgens een gelijkenis over iemand die een reusachtige schuld wordt kwijtgescholden, maar vervolgens een ander, die een luttel bedrag bij hem heeft uitstaan, tot de laatste cent uitperst (Overigens, typerend dat Jezus uitleg geeft door een verhaal te vertellen, niet door een redenering op te hangen…)
Iedereen voelt het morele ongemak bij zo’n extreem verhaal. Goed dat in de gelijkenis de koning die de enorme schuld kwijtschold, als hij van het vervolg hoort, dat terugdraait en de schuldenaar alsnog de duimschroeven aandraait. Maar het roept wel de vraag op, of vergeving wel echte vergeving is als het aan voorwaarden gebonden is. Hoezo zeventig maal zeven? Eens vergeven blijft toch vergeven? Of kun je vergeving ook verspelen? En hoe verdraagt zich dat met genade als onvoorwaardelijk geschenk van God?
Vergeving is wat anders dan recht doen aan ons gevoel voor rechtvaardigheid. Maar dat er een relatie is tussen beide mag duidelijk zijn.
Als wij in het Onze Vader bidden: Vergeef ons onze schulden, zoals wij onze schuldenaars vergeven, dan is dat laatste niet de consequentie van het eerste, maar eerder andersom. Wat de bede pas echt tricky maakt. Want dat zeggen/bidden we wel, dat we onze schuldenaars vergeven, maar doen we dat ook? Echt? Altijd? En als het ons niet lukt, verspelen we dan het recht op vergeving? Of is vergeving per definitie iets waar je geen rechten op kunt laten gelden?
Vergeving blijft ingewikkeld. Dat lijkt een beetje slap geformuleerd, maar het is wel zo. Met zijn mooie boek verheldert Verheij het een en ander, maar laat tegelijk het mysterie intact. Dat je vragen kunt blijven stellen, zoals ik hierboven, is dan ook eerder een compliment dan een bezwaar.
Over vergeving raak je nooit uitgedacht en geschreven. Ook dat is wat slapjes geformuleerd, maar even waar.
Voor wie zich weer eens grondig in het onderwerp wil verdiepen is het nieuwste boek van Alain Verheij alleen maar van harte aan te bevelen.
Alain Verheij, De prijs van vergeving, Atlas Contact Amsterdam 2026, 236 pag., €22,99