In de gang die we deze weken maken door het boek en het verhaal van Job, zijn we vandaag aangekomen op een aangelegen punt.
Het is het moment waarop God gaat spreken tot Job. Gods antwoord aan Job.
Het is zoiets als de apotheose, het hoogtepunt waar we in al die lange redevoeringen van Job en zijn vrienden op hebben gewacht. Job zeker. Hij is vanaf dat hij begonnen is zijn geboortedag te vervloeken en zijn lot te beklagen, niet opgehouden om God ter verantwoording te roepen. Hij wil niemand anders dan God zelf spreken. Want het onrecht dat hem is aangedaan is onterecht en oneerlijk. Hoe langer hij erover spreekt, hoe meer zijn vrienden hem op andere gedachten proberen te brengen, hoe kwader hij lijkt te worden, hoe vastbeslotener dat hij, Job, God zelf wil ontmoeten.
Maar zoals wel vaker, als je de apotheose verwacht, het hoogtepunt, het moment waar al zo lang op is gewacht en waar je al zo’n tijd naar toe hebt geleefd, dan valt het vaak tegen. De apotheose is een anticlimax. Het is zo anders dan je verwacht of gehoopt had. Het stelt teleur.
Job wil weten waarom hij onterecht moet lijden. En God antwoordt met een les in natuurkunde. Met grootspraak over zijn schepping. Is dat waar Job op zit te wachten?
Vandaag gaat het over het antwoord van God. Is het wel een antwoord? Is het wel een weerwoord dat recht doet aan wat Job hiervoor heeft gezegd en heeft gevraagd? Doet het recht aan Job’s klacht, dat hij onrechtvaardig is behandeld, dat hij onterecht lijdt? Of stelt God teleur?

Of het een voldoende antwoord is, het is in ieder geval een reactie. Voor het eerst in het lange verhaal richt God zich rechtstreeks tot Job. Dat op zich is al een opmerkelijk moment, een keerpunt in het verhaal. Maar wat betekent dan die reactie van God? Wat moet je daarvan vinden? Wat vindt Job zelf ervan?
Vragen, die voor een deel vragen zullen blijven. Zoals het hoort bij een goed verhaal.
Maar we zullen vanmorgen deze vragen verkennen, om zo te proberen iets dieper door te dringen in het geheim van Gods bemoeienis met het lot van Job en met dat van ons mensen in het algemeen.
Laten we eerst even halt houden, om onder de indruk te raken van het toneelbeeld.
Hiervoor hebben in lange hoofdstukken afwisselend Job en zijn vrienden het woord gevoerd. Eerst de drie vrienden van het begin, Elifaz, Bildad en Zofar. Ieder antwoordt op de klacht van Job, waarna Job weer op hen reageert, drie rondes lang. Vervolgens komt Elihu op het toneel, iemand die zich bekend maakt als een jongere, met het woedende ongeduld van de jeugd (vgl. 32: 2, 3 en 5) mengt hij zich in het gesprek. Ook Elihu houdt een aantal redevoeringen, maar opmerkelijk genoeg worden die niet onderbroken of beantwoord door Job. Het blijft stil. Het is alsof de vrienden geruisloos van het toneel verdwijnen.
Alle stemmen zijn verstomd. Al die uitvoerige redeneringen, die God proberen te verdedigen en die Job veroordelen, alle menselijke woorden zijn stil gevallen. Ook Job zwijgt.
Er is de stilte voor de storm. Het is nu, alleen nog maar Job. Alleen met zichzelf.
En dan steekt de storm op. Het gaat waaien. En in het geweld van de wind antwoordt de Heer.
Natuurlijk is dit een verhaal, door mensenhand geschreven.
Maar dat doet niets af aan de grootsheid van dit moment, de ontmoeting van een mens met zijn God. De mens tegenover God.
In de bijbel zijn zulke momenten spaarzaam. Het valt alleen de allergrootsten ten deel. Mozes, Elia, mensen van dat kaliber. Hoe dan ook, de Heer verwaardigt zich in dit verhaal om af te dalen uit zijn hemelwoning. Hij zoekt Job op, en dat op zichzelf is al een groots moment. De Heer komt tegemoet aan Jobs wens, ja op Jobs eis. Hij verschijnt op Jobs dagvaarding. En het is nu dan ook, God tegenover de mens.
Maar wordt de grootsheid van dit moment, niet te niet gedaan door de kleinheid van Gods antwoord. Antwoord? Job ziet een spervuur van vragen op zich afkomen, een repeterend geweer van de een na de andere onmogelijke vragen.
Zeventig vragen las ik ergens. Ik heb het niet nageteld. Maar het gaat maar door: ‘Waar was jij toen ik de aarde grondvestte? Wie sloot de zee af met een deur? Heb jij ooit de morgen ontboden? en Heeft de regen een vader?’ Met name die laatste vind ik altijd zo poëtisch en bevreemdend tegelijk.
Wat zijn dat voor vragen?
Heeft Job al die tijd moeten wachten om uiteindelijk getrakteerd te worden op een mondelinge overhoring. Bovendien, heeft Job ooit getwijfeld aan Gods scheppingsmacht? Nee. Verschillende malen in zijn redevoeringen heeft hij daar zelf over gesproken. Dat is zijn probleem niet.
God mist het punt. Als een blindeman walst hij over Jobs vragen heen. Job wil weten waarom hem dit alles moest overkomen, of dat rechtvaardig is van God. Maar daar horen we in Gods antwoord niets over. Is dat niet vreemd, om niet te zeggen, onverteerbaar?
Verschillende lezers zijn daar in de loop der tijd over gestruikeld.
De Israëlische schrijver Meir Shalev schrijft in zijn boek De Bijbel nu:
“Het is te veronderstellen dat Job even de verschrikkelijke jeuk van zijn zweren vergat en met stomheid geslagen luisterde naar de stortvloed van onzin die over hem heen kwam. Bovendien wist hij uit bittere ondervinding dat hij tegenover God beter niet de wijsneus kon uithangen. Toen God hem uiteindelijk vroeg of hij wat terug te zeggen had, antwoordde hij dan ook kortweg: ‘Zie, ik ben te gering: wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond (…)’. Job had geen zin zich nog meer ellende op de hals te halen (…)” (p. 134).
Volgens Shalev kan Job nooit voldoening hebben gevonden in Gods antwoord. Gods antwoord is onder de maat.

Andere uitleggers, Joodse lezers, die het verhaal van Job niet anders kunnen lezen dan tegen de achtergrond van de verschrikkingen van hun eigen volk met name in de Holocaust, verzetten zich tegen de lijdzaamheid van Job, die te snel lijkt te capituleren voor de spierballentaal van God. Abel Herzberg vertelt van een man, die na alles wat hij doorstaan had, van mening is dat Job zich te snel laat overdonderen. Hij schrijft een brief aan Job: “Ik heb er geen vrede mee, Job, dat je gezwicht bent en je proces niet hebt doorgezet. Er moet recht gesproken worden tussen jou en God, en ik sta aan jouw kant. Jij, Job, zult de aanklager zijn en de havelozen, de kinderlozen, de vader- en moederlozen, de door de wereld verdoemden (…) zul je oproepen als je getuigen.” (p. 61 en 62, geciteerd bij W. v.d.Zee, Wie heeft daar woorden voor?, p. 53). Op een vergelijkbare manier heeft Elie Wiesel over Job gesproken. Als een vurige strijder, een onverschrokken rebel, die helaas te snel het hoofd buigt. Maar is dat zo? Het is ook nog mogelijk om er anders naar te kijken. Zowel naar Gods antwoord als naar Jobs reactie.
Je kunt zeggen, het gaat niet zozeer om het antwoord dat God geeft, maar om het feit dat hij antwoordt. Het gaat niet om de inhoud, maar om het gebeuren op zichzelf.
Want waar heeft Job zich al die tijd over beklaagd? Dat hij onterecht lijdt, ja, maar vooral, dat hij daarin zich afgesneden voelt van zijn schepper en zijn God. Hij klaagt dat God hem heeft verlaten, dat hij van zijn vriend tot een onbetrouwbare vijand is geworden.
Daarom is het feit dat God ten laatste antwoordt, Job opzoekt, op zichzelf al een troost en een erkenning voor Job.
Dat God antwoordt, is misschien voor Job al genoeg.
Iemand schreef in een uitleg hierover: ‘ Job wil geen antwoord van God. Job wil een God die antwoordt. En dat is wat anders’ (W. van der Zee).
Misschien wordt dat ook gezegd omdat wát God antwoordt, zo tegenvalt. Maar ook zonder dat aspect is voor veel mensen herkenbaar wat hier wordt bedoeld. Dat er antwoord is, reactie, dat God Job op komt zoeken, is al zoveel belangrijker dan wat er vervolgens gezegd wordt.
Als ons onheil of verdriet overkomt, dan is niets zo pijnlijk als het zwijgen van anderen, als het gesprek doodvalt als jij in de buurt komt, of als mensen je mijden, de andere kant uitkijken. Als er iemand op je toe stapt en zegt, ik weet niet wat ik moet zeggen, is dat al genoeg. Honderd maal liever dan dat opvallend onopvallend wegkijken.
Dat er een God is die antwoordt, die je niet uit het oog is verloren, dat er een God is, hoe dan ook, dat ons leven en ons lot niet onopgemerkt is gebleven, dát op zich, is al genoeg. Of, in ieder geval, het is al heel wat. Er komt nog iets bij. Dat heet te maken met de godsnaam. In alle redevoeringen hiervoor is de naam van God veelvuldig gevallen. De vrienden hebben er de mond vol van, want ze weten zo goed wie en wat God is en wil en doet. Er zit systeem in hun dwaasheid. Maar ook Job heeft veelvuldig de naam van de Eeuwige in de mond genomen. God is mijn vijand geworden, zegt Job, want hij begrijpt het niet.
Als God uiteindelijk antwoordt, is dat dus een belangrijk omslagpunt in de gang van het verhaal. Dat wordt gemarkeerd in de godsnaam. Want hier valt voor het eerst sinds lange tijd, Gods naam: de HEER spreekt. JHWH – de Naam die een belofte is: Ik zal er zijn, of: Ik ben er bij. ‘ Niet God, de grote abstractie, geeft antwoord, maar de bondgenoot, de Heer van het verbond. Job hoort niet een ‘god’, maar hij hoort de Heer, bekend uit de verhalen’ (V.d. Zee).
Het is zo’n algemene spreekregel uit het oude testament die je niet genoeg kunt herhalen. God en JHWH zijn één en dezelfde, maar wie en wat God is, leer je van de naam JHWH, die veelbetekenend door de joden niet wordt uitgesproken. Het geheim van die naam, is de nabijheid van God. Overal waar die Naam in het verhaal valt, word je herinnerd aan het verbond, aan de geschiedenis van bevrijding en nabijheid, hoe dan ook.
Het is tekenend dat in al die lange redevoeringen, van de vrienden maar ook van Job, het bijna altijd gaat over God, als over een begrip.
Het is sprekend dat als deze God zelf in het verhaal optreedt, het gaat om de Heer, om Ik zal er zijn voor jou.
Als je dat erbij bedenkt vanaf het allereerste woord van God, dan klinkt wat volgt opeens heel anders. Niet als een staaltje krachtpatserij, niet als opschepperij van een God die zegt: kijk mij eens, wat ik allemaal heb geschapen, daarbij vergeleken ben jij maar een miezerig waardeloos mensje, een pluisje op de rok van mijn universum. Nee, zo niet.
Als je van meet af aan de Naam van de verbondsgod in zijn spreken hoort, dan klinken zijn vragen anders, om zijn schepping in herinnering te roepen als een veilige plaats voor mensen om te wonen. De schepping als grond onder onze voeten en een dak boven ons hoofd.
‘Waar was jij toen ik de aarde grondvestte?’ (38: 4) – De aarde als het droge, het land, aan mensen gegeven om op te leven, te bewerken en vruchtbaar te laten zijn.
‘Wie sloot de zee af met een deur?’ (38:8) – De zee, in de bijbel het beeld voor het kwaad, de dood, de zee die gebreideld moet worden, de chaos bedwongen, de zee die doorbroken wordt om bevrijdend land te bereiken, enzovoort. Dat hoor je in de woorden van de Heer, bekend van de verhalen.
‘Heb jij ooit de morgen ontboden?’ (38: 12) – De morgen, dat is het licht, dat is de eerste van al Gods scheppingsdaden, het lichtende vuur dat in de duisternis van onze wereld en ons leven wordt ontstoken. Nou ja, de associaties buitelen over elkaar heen.
Als je het antwoord van de Heer zo hoort, dan komt dit lied in een andere toonsoort te staan.
En dat geldt dan ten slotte ook voor Jobs reactie.
Hij legt de hand op de mond. Hij doet er het zwijgen toe.
Is hij overdonderd? Kiest hij eieren voor zijn geld en laat hij het er maar bij zitten?
Of zit er in zijn gebaar iets van de verbazing en de verwondering, om de God die hem uiteindelijk tegemoet komt, antwoordt, en hem, Job, een inzicht gunt in het onmetelijke mysterie van zijn schepping.
De schepping die er is, om geen andere reden dan de mens en het menselijk geluk?
Dit mooie stuk was heel bruikbaar voor mijn review over het boek Nemesis van Philip Roth.