30 juni, Wat Job weet

JobHet grootste deel van het boek Job bestaat uit tamelijk uitgebreide redevoeringen. Van Job, van zijn vrienden en later ook van God zelf. In de kerk wordt dat niet vaak gelezen en ik vermoed thuis ook niet, tenminste daar waar de gewoonte nog bestaat om regelmatig de Bijbel te lezen.

Job wordt door onheil getroffen. Hij die altijd zo voorbeeldig heeft geleefd, ervaart dat als een straf van God. Maar waarom? Waar heeft hij dat aan verdiend? Job snapt het niet, en hij neemt het niet. Hij komt in verzet tegen God.
Zijn vrienden komen en praten op Job in: “Als dit je allemaal overkomt, dan moet je wel ergens iets fout hebben gedaan. God straft niet zomaar. Job, ga bij jezelf te rade. Hoe meer je je verzet, hoe erger je het maakt. Beken schuld en alles zal weer goed komen”. Zo redeneren zij.

Wat moeten wij daar vandaag de dag mee? Zijn de gesprekken van Job en zijn vrienden nog actueel, of weerspiegelen ze een manier van denken die wij inmiddels achter ons hebben gelaten? Tegenwoordig denken wij toch anders over lijden en schuld. Ook mensen die geloven, geloven lang niet allemaal meer dat het lijden een straf van God is.

Als je naar de bibliotheek of de boekhandel gaat, dan vind je daar de nodige zelfhulpboeken, die je leren om te gaan met ongeluk en verdriet. Mensen schrijven over hun ervaringen.  Om het zelf te verwerken; om anderen daarmee te helpen. Je kunt dat ook in diverse tijdschriften lezen of soms zijn er zulke programma’s op TV. Er zijn mensen die daar baat bij hebben, om te lezen over of te praten met anderen, met vergelijkbare ervaringen. Het geeft herkenning en erkenning. Het helpt je bij je eigen verdriet. Natuurlijk geldt dat niet voor iedereen. Mensen zijn nu eenmaal verschillend. Er is niet één manier waarop je dat doet. Ieder moet daarin zijn of haar eigen weg zoeken.

Als we vandaag de dag over zoveel zelfhulpboeken, over praatgroepen en professionele hulp beschikken, hebben we dan die oude, zware redevoeringen van Job en zijn vrienden nog wel nodig? Worden we daar iets wijzer van? Kunnen we niet beter terecht bij eigentijdse zelfhulpboeken in plaats van bij oude en verouderde voorstellingen, over God, over lijden en schuld? Weet Job iets waar wij vandaag wat aan zouden kunnen hebben?

Toegegeven. De redevoeringen in het boek Job zijn oud. Ze weerspiegelen voor een deel opvattingen waarvan je zou wensen dat we die achter ons gelaten hebben.
Zoals dat wat een mens overkomt, het resultaat is van zijn gedrag: Wie goed doet, goed ontmoet. En, wie wind zaait zal storm oogsten. Ieder krijgt wat hem toekomt. God straft de bozen en beloont de goeden.

Dat is de oude, traditionele, opvatting. Maar, die opvatting komt al in de bijbel zelf onder druk te staan. Want het klopt niet met de ervaringen. Hoe vaak is het niet andersom, komen de kwade mensen ermee weg, gaat het hun juist voor de wind, terwijl de rechtvaardige armoe lijdt of slag op slag te verduren krijgt. In het boek Job kom je die spanning tegen. Want het klopt niet. Job, voorbeeldig mens, de integriteit zelve – het wordt een paar maal met nadruk gezegd – Job overkomt het grootst mogelijke ongeluk: alles kwijt, zijn bezit, zijn kinderen, zijn gezondheid – alleen zijn leven heeft hij nog, maar God, is dit leven? Hoe valt het onschuldig lijden te rijmen, met het leven, maar vooral ook met God. Wat moet je van een God denken, die mensen blijkbaar zomaar in het ongeluk kan storten. Of is dat niet God, maar een kwade macht – de satan zoals die aan het begin van het boek wordt genoemd.

Er zijn veel gelovigen die het zo verdelen. Het goede komt van God; het kwade is het werk van de duivel. Maar dat is te simpel. Het is wel overzichtelijk, maar het is te gemakkelijk en uiteindelijk loop je ermee vast.
Er zijn kwade machten, maar die moeten we niet groter maken dan ze zijn. In ieder geval niet zo groot dat ze een zelfstandige macht zijn naast God. Twee principes, God en de duivel, de neiging tot het goede en de neiging tot het kwade, die elkaar in evenwicht houden. Dat is een verkeerde voorstelling van zaken. De macht van het kwade is beperkt – God laat de aanklager toe om Jobs bezit af te nemen en hem met ziekte te slaan. Juist dat maakt de vragen alleen maar groter. Waarom is dat? Speelt God een onbehoorlijk spel met zijn kinderen, met zijn schepping?
Het thema van het boek Job is ook de vraag naar God. God en het lijden. Hoe valt dat met elkaar te rijmen? Vragen waar je niet zomaar een antwoord op hebt.

Voor Job en zijn vrienden is God de oorzaak van het lijden, want niets gebeurt er zonder de wil van de Almachtige. Heel veel moderne mensen, ook in de kerk, beleven dat anders.
Wij kunnen eigenlijk niet meer goed geloven dat er een relatie is tussen God en het lijden, tussen God en wat ons overkomt.
Een dodelijke ziekte? Helaas, pech gehad, zeggen we tegenwoordig. Een kwestie van verkeerde genen – wie moet je daar de schuld voor geven… kom nou niet met God aan, het is zo al erg genoeg.
Een fataal ongeluk? Op het verkeerde moment op de verkeerde plaats – zulke dingen gebeuren, verschrikkelijk, wat moet je er van zeggen, zoiets is niet te voorkomen.

Als we dan zouden zeggen, dat het blijkbaar Gods wil is, dan maken we het toch alleen maar erger. Dat wil er bij ons niet in. God kan er ook niets aan doen. Wat God wel kan doen, is naast je staan in je verdriet. God is niet de hand die ons in het ravijn duwt, maar de arm om onze schouder, of de schouder om op uit te huilen, of hoe dan ook. Het kan bevrijdend zijn om het zo te zien. God en het geloof kan een bron van troost zijn. God ervaren in de warmte van de mensen om je heen, in aandacht en zorg en de tederheid van de troost.

Maar als we dan zeggen, dat God dit niet wil, het ongeluk, de voortijdige dood, al dat verdriet dat zo hemelhoog op de aarde is opgetast, wat dan? Is dat uiteindelijk genoeg, dat er een God naast je staat, in en door de mensen om je heen? Is God dan uiteindelijk niet net zo onmachtig als wij, niet opgewassen tegen het leven en vooral niet tegen de dood? Wat verlies je dan eigenlijk, als je god en het geloof op zou geven? Niets toch.

Precies op dit punt, moet je zeggen: Job weet meer. Wat dat is, zullen we zo dadelijk zien.
Het hele idee van een god die onmachtig is, die net zo lijdt onder het lijden als wij mensen, is een manier van denken en geloven die vreemd is aan Job en zijn vrienden. Zij vinden dat alles wat een mens overkomt het werk van God is. Het grote verschil zit ‘ em er in, dat Job protesteert tegen wat hem van Godswege overkomt. Hij kan niet meer geloven dat dit rechtvaardig is. Terwijl de vrienden niets anders doen dan recht praten wat krom is, want de theorie klopt dus moet de praktijk inschikken. Ze praten op Job in dat hij moet veranderen, zich moet plooien naar God, bij zichzelf te rade moet gaan waar hij (Job) in de fout is gegaan. Maar Job staat pal en zegt: ik sta in mijn recht. God zit fout.
Dat is het ongehoorde.
Het is dus niet zozeer dat Job niet meer kan geloven in een god als oorzaak van het kwade – dat is ons probleem. Typisch van onze tijd, waarin we alles wat vreemd en onverklaarbaar is, alles wat duister en bedreigend is, uit God weg hebben gedacht. Maar dan hou je een soort lievige God over, een allemansvriend, die het ook niet kan helpen. Of je geeft het hele idee van een God die bij ons leven betrokken is, op.

IMGDe worsteling van Job is een andere. Job graaft dieper. Hij geeft God niet op. Hij daagt God uit. Hij raakt daarbij dimensies aan, die je op een of andere manier niet kunt missen wil je recht doen aan de diepgang van het geloof en aan de draagkracht daarvan.
Job weet meer. Hij heeft een besef van God dat wij zijn kwijtgeraakt. Het besef dat God in het lijden is, hoe dan ook.

In hoofdstuk 16 komen we dat tegen.
Jobs klacht richt zich in eerste instantie tot Elifaz en zijn vrienden. Mooie troosters zijn jullie – ‘een eindeloze stroom van lege woorden’.
Er klinkt cynisme en spot in door: ‘O ja, was ik in jullie positie, ik zou ook zo hebben gesproken. Toch zou ik jullie moed inspreken..’, kennelijk iets wat Job bij zijn vrienden mist.
Dan verschuift de aandacht van zijn vrienden naar God.
Job richt zich tot God. Eerst nog sprekend over Hij (Hij heeft mijn krachten uitgeput), maar al snel in één adem door wordt God zelf aangesproken (U hebt al mijn naasten weggevaagd), waarna het perspectief weer verspringt. Het is tekenend voor Jobs onrust.

Zijn klacht over wat God hem heeft aangedaan bereikt grote hoogten. Totdat er aan het einde staat, ik lees voor:

Maar nog heb ik in de hemel mijn getuige,
nog heb ik daar mijn pleitbezorger.
Zijn mijn vrienden soms mijn voorspraak?
Nee, in tranen zien mijn ogen op naar God.

en even verderop, in hoofdstuk 19, misschien wel de kern van het hele boek:

Ik weet: mijn redder leeft,
en hij zal ten slotte hier op aarde ingrijpen.
Hoezeer mijn huid ook is geschonden,
toch zal ik in dit lichaam God aanschouwen.
Ik zal hem aanschouwen,
ik zal hem met eigen ogen zien, ik, geen ander
(…)
Weet dat er recht gesproken wordt
(19: 25-27b, 29c)

Midden in de klacht, over de lege woorden zonder troost van zijn vrienden; midden in de klacht, hemeltergend, om wat Job door God is aangedaan; midden in dat alles, midden in het leven, spreekt Job een rotsvast vertrouwen uit dat hij God zelf zal ontmoeten. Niet ooit later, nee, hier en nu, ‘ in dit lichaam’ en ‘met eigen ogen’, ‘ik, en geen ander’.
Voorlopig is het nog niet zo ver.
Maar wat Job weet, is dat hij God niet loslaat. Let u op de volgorde: hij, Job, laat God niet los. Dat is zijn grootsheid. Dat is zijn geloof.
Job laat, bij alles wat hem – tot zijn grote verontwaardiging – is overkomen, Job laat God niet los en alleen op die weg hoopt hij, nee weet hij dat God hem niet los zal laten. AMEN

View Comments (1)
  1. Deze preek sluit nauw aan bij mijn geloof, niet bij mijn weten. Een preek vol troost, hier kan ik mee verder. Gezegende zondag!

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *