‘Vriendschap is een illusie. Een pakketje schroot met een dun laagje chroom’. Regels uit een bekend liedje van de Nederpop-band Het Goede Doel. Vriendschap is een illusie. De één zal daar hartelijk maar ook wat smartelijk mee instemmen. Die zal zeggen, dat heb ik zelf ervaren, dat vrienden je teleur kunnen stellen, pijn kunnen doen, dat je vrienden kunt verliezen. Er zijn mensen die hebben een tegeltje aan de wand: ‘Sinds ik de mensen leerde kennen, heb ik de dieren lief’ – dat is helemaal van een onbeschrijfelijke treurigheid. Maar toch, je kunt diep beschadigd raken door mensen van wie je dacht dat het vrienden waren. Vriendschap is een illusie. Er zijn gelukkig ook voorbeelden van het tegendeel, en je wenst ze iedereen toe. Vrienden die je er door slepen. Iemand die met je lacht en met je grient – dat is pas een vriend. Toch? En misschien vraag je je ook wel eens af, niet: heb ik zulke vrienden? maar: ben ik zelf voor anderen zo’n vriend, zo’n vriendin?

Job, de ongelukkige Job, heeft vrienden. En hij heeft ook nog een vrouw, zijn beste maatje. Vandaag gaat het over de mensen die hij om zich heen heeft. Goddank, is hij niet alleen in zijn verdriet. Waar zou een mens zijn als hij helemaal alleen aan zichzelf zou zijn overgelaten? Tegelijkertijd hebben de vrouw en vooral de vrienden van Job niet zo’n beste pers. U kent het verhaal. Job wordt getroffen door het grootst mogelijke ongeluk. Hij is een sprookjesachtig rijk man, maar verliest in één dag al zijn have en goed. Hij heeft zeven zonen en drie dochters, en die komen op een en dezelfde dag om het leven. En alsof dat nog niet genoeg is, wordt hij getroffen door een akelige ziekte, zodat hij in zak en as neerzit op de mestvaalt, terwijl hij met een potscherf zijn schurftige huid schuurt.
Aanvankelijk draagt Job zijn verdriet als een man: De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de Naam van de Heer zij geprezen (1: 21). Maar zijn vrouw zegt tegen Job: ‘Wat heeft het voor zin om de Heer te blijven prijzen. Vervloek God toch en sterf’ (2: 9). Zij neemt het niet. Zij, de moeder van de tien kinderen die allemaal zijn omgekomen, laten we dat niet vergeten, zij begrijpt er niks van. Niks van die God van Job en niks van haar eigen man. Geef er toch de brui aan. Hou er toch mee op. Die God van jou, wat heb je daar nu aan, alleen maar Elend.
Karel Eykman geeft de vrouw van Job in zijn stemmenspel de volgende tekst:
Alles is ons ontnomen, kinderen omgekomen,
onze liefsten zijn we kwijt.
Dit is niet te geloven, dit moet eraan geloven
dit gaat mij te ver.
En jij wou intussen rustig blijven berusten
trots rotsvast vasthouden aan God?
Schei toch uit.
Rot toch op.
Ga toch weg.
Vloek op God en val dood.
Ik kan hier niet meer tegen, hier scheid ik onze wegen
ik laat je in de steek.
Vervloekt nog aan toe, wat jij bij God hebt te zoeken
je zoekt het maar uit.
Het is niet vol te houden van jou te blijven houden
wij zijn allebei verstrikt in de eenzaamheid van eigen verdriet.
Laat mij gaan.
Ik laat jou ook gaan.
En ik verlaat God
die ons zo verlaten heeft.
Maar Job geeft geen krimp. ‘Je woorden zijn de woorden van een dwaas. Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden’ (2: 10). En vanaf dat moment in het verhaal van Job komt zijn vrouw niet meer voor. Ook niet aan het einde, na al die uitvoerige redevoeringen van Job en zijn vrienden en van God, helemaal aan het einde als het verhaal weer wordt opgepakt en er een soort sprookjesachtig slot is. Als Job al zijn rijkdom dubbel en dwars terugkrijgt, en hij ook weer zeven zonen en drie dochters krijgt en Job nog 140 jaar leeft, 2 x 70 een dubbele leeftijd – dan blijft de vrouw van Job ongenoemd en buiten beeld. Het lijkt erop alsof zij voor het verhaal en de thematiek van het boek Job niet van wezenlijk belang is. Toch is dat de vraag. Misschien speelt zij juist een sleutelrol, hoewel ze maar één keer sprekend wordt opgevoerd.
Want let nog eens op, hoe er subtiel iets verandert in Jobs woorden. Eerst reageert Job met: De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen. Hij neemt als het ware het goddelijke perspectief in. Geen onvertogen woord. Maar als zijn vrouw hem heeft aangesproken, zegt Job: zouden we het goede aannemen en het kwade niet? Met andere woorden: hij neemt nu het menselijke perspectief in. Hij kijkt er al anders tegen aan. Bovendien, hij noemt nu wel degelijk het ongeluk dat hem is overkomen ‘het kwade’ – een begin van een veroordeling.
Door de interventie van zijn vrouw, verandert er iets in Job. Zij wrikt en er gaat iets schuiven. Heel voorzichtig misschien, nauwelijks waarneembaar, maar toch. Er komt bij Job iets in beweging. Hij wordt van een zeker wetende gelovige (de Heer heeft gegeven en genomen) tot een vragensteller (zouden we het kwade niet net als het goede moeten accepteren?) en zet zo de eerste stap op de weg die hem verder leidt door straks zijn vragen en zijn twijfel en zijn onbegrip en zijn emoties, niet meer achter te houden.
Dat doet die vrouw van Job – zoals in elke goede relatie, zoals bij echte vriendschap. Een vriend is iemand die met je lacht en met je grient, ja dat ook, maar echte vriendschap is nog wat meer dan alleen dat. Een vriend, vriendin, is iemand die jou durft tegen spreken. Een vriend is iemand die het beste met je voor heeft en dat betekent soms die daarom je een andere mening of visie of invalshoek voor houdt. Een vriend is niet iemand die jou napraat maar iemand die jou onderbreekt, die je op andere paden zet. Vrienden aaien je niet alleen maar over de bol, maar ze tikken je ook op de schouder. Een vriend of vriendin is iemand die jouw horizon verbreedt.

Nu komen de vrienden op het toneel. Zoals gezegd, ze hebben een kwade reputatie. Omdat ze Job om de oren slaan met vrome verklaringen voor zijn lijden. Omdat ze uitgebreid hameren op zijn schuld – want dat moet toch wel, dat Job ergens schuld heeft, niemand lijdt zomaar, zo is God niet, maar wij lijden omdat wij zondige mensen zijn, dus ergens moet Job iets fout hebben gedaan. Ze wrijven het erin en ze persen hem uit. Kwade vrienden, dus. Dat blijkt ook op het einde, als Job door God in het gelijk wordt gesteld en de vrienden dus niet. Het is zelfs zo dat Job voor hen moet bidden, om te voorkomen dat ze worden gestraft, want ‘jullie hebben niet juist over mij gesproken, zoals mijn dienaar Job’ (42: 8).
Maar is dat dan wel terecht? Kun je de vrienden van Job zo makkelijk diskwalificeren als aan het einde gebeurt, of doe je ze daarmee onrecht?
Er is een aantal redenen om de vrienden te prijzen:
1. ze hebben gehoord van Jobs ongeluk en ze komen naar hem toe.
Hoe vaak gebeurt het niet dat mensen het erbij laten zitten. Ik kom binnenkort eens bij je langs, wordt zo makkelijk gezegd – bij een condoleance; op een briefje geschreven. Hoe vaak hoor ik niet van mensen, die op wat voor manier ook door het ongeluk zijn getroffen, dat ze de pijnlijke ervaring opdoen dat anderen hen uit de weg gaan. Wegduiken in de supermarkt, of ostentatief de andere kant opkijken… Het gebeurt.
De vrienden van Job zijn vrienden van Job en daarom komen ze, zonder aarzeling.
2. ze komen, en ze gaan bij hem zitten… en ze houden hun mond.
Indrukwekkend is het zwijgen. Je kunt je het nauwelijks voorstellen. Zeven dagen en zeven nachten lang. De volheid van de tijd.
Dat is zoiets bijzonders, waar wij vaak bij elkaar komen om meteen te praten, om er niet zelden over heen te praten, om de stilte – die akelige, nare, drukkende, moeilijke stilte maar niet te horen. Zwijgen, veel zeggend niets zeggen – dat is zo bijzonder. Waar wij vaak aankomen met die en die en zus en zo, die heeft ook, je moet maar denken, enzovoort.
Er is een mooie tekst van de dichteres Szymborska, Een begrafenis – u moet dat maar eens opzoeken – die bestaat uit niets anders dan losse zinnen, die mensen uitwisselen op een begrafenis. Triviale, alledaagse zinnen, nietszeggend en daarom zo pijnlijk sprekend.
De vrienden van Job zijn vrienden van Job en daarom zwijgen ze, zeven dagen lang.
3. ze zwijgen en ze wachten, totdat Job gaat spreken…
Hun zwijgen is niet de adem inhouden, om vervolgens van wal te steken. Hun zwijgen is niet een tactisch terugtrekken, om dan des te sterker naar voren te kunnen komen. Ze zwijgen en houden het zwijgen uit, opdat de ander tot spreken komt.
Zij zijn het niet die beginnen te spreken. Het is Job die de stilte tenslotte doorbreekt.
In deze houding van de vrienden schuilt een diepe therapeutische kwaliteit, als je daar even over doordenkt. Stilte, zwijgen, de stilte in een gesprek of ontmoeting, slaat niet dood, maar is de incubatietijd die nodig is om tot verandering te komen. Job moet gaan bewegen – en uiteindelijk bewerkt de stilte van de vrienden dat ook, zou je kunnen zeggen.
De vrienden van Job zijn vrienden van Job en daarom wachten ze, ze wachten totdat Job het woord neemt. Hun zwijgen brengt Job tot spreken.
Maar dan gaat het ook los.
Als Job het woord neemt, breekt hij uit in een lange jammerlijke klacht. Hij vervloekt de dag van zijn geboorte. Hij slingert zijn verwijten in het rond, tegen God en de hele wereld. Hij loopt leeg:
20 Waarom geeft God het licht aan ongelukkigen,
het leven aan verbitterden?
21 Zij wachten op de dood die uitblijft,
ze zoeken naar hem, meer dan naar schatten;
22 hun vreugde kent geen grenzen,
ze jubelen als ze hun graf gevonden hebben.
23 Waarom geeft God het licht aan hem
voor wie de weg verborgen blijft,
wie hij de weg verspert?
24 Ik heb geen ander voedsel dan verdriet,
mijn klachten stromen in een vloed van tranen.
25 Wat ik vreesde, komt nu over me,
wat mij angst aanjoeg, heeft me getroffen.
26 Ik vind geen vrede, vind geen kalmte,
mijn rust is weg – onrust bevangt mij.’
Het is prachtige maar tegelijk hartverscheurende poëzie en misschien daarom wel zo mooi.
Jobs klacht opent het dichterlijke middengedeelte van het boek. De redevoeringen van Job om te beginnen, de reacties van zijn vrienden Elifaz, Bildad en Sofar. En, zeggen we dan, daar gaat het mis, met die vrienden. Waren ze voorbeeldig in hun zwijgen, in hun solidariteit – nu ze beginnen te spreken loopt het uit de rails. Is het over met hun solidariteit met Job, maar wordt Job juist het voorwerp van hun kritiek. Ze storten de een na de ander alleen maar traditionele vroomheid over Job uit. Ze doen niets anders meer dan God recht praten door Job de hoek in te drijven. Ze weten het zo goed. Ze weten het beter. Nee, kun je aanvankelijk nog een zekere sympathie voor de drie vrienden hebben, dat verspelen ze in het vervolg van het boek definitief en voorgoed. Vriendschap is een illusie?
En toch. Ook hier kun je en moet je misschien genuanceerder spreken.
Het voert te ver om nu nog op ieder van de drie in te gaan. Ze hebben ieder hun eigen accent. Maar ’t is niet zo dat ze in hun redeneringen opeens alleen maar hardvochtig zijn ten opzichte van Job, dat wil er bij mij niet in. Ze zijn met hem begaan, en juist daarom zoeken ze, met Job, tegen Job, hoe dit heeft kunnen gebeuren. Ze blijven het beste met hem voor hebben.
Of dat ook zo uitwerkt, is de vraag. Het is immers vaker zo, dat de mensen die het beste met je voor hebben je de meeste pijn kunnen doen en onbedoeld en ongewild kwetsen. Is dat ook niet de tragiek van de vriendschap? Was sich liebt, das neckt sich. Is dat ook niet een deel van de tragiek van het boek Job? Job en zijn vrienden. Job en zijn God.
Wat is vriendschap? Een pijnlijke illusie?
Een hedendaags filosoof, Cornelis Verhoeven, gaf als omschrijving van vriendschap: een zone zonder gevaar. Bij vrienden kan ik mijzelf zijn, hoef ik niet achterdochtig te zijn, op mijn woorden te passen of op mijn hoede te zijn. Bij vrienden is het veilig.
Door vrienden word ik mijzelf.
De vrienden van Job zijn vrienden van Job, want ze maken hem meer mens.
Aansprekende preek en herkenbare signalen.
Blijft bij mij wel de vraag hangen: Wat is de rol van die afvallige engel, Satan? Het lijkt een strijd te zijn tussen God en Satan,(hfdst.1) in hoeverre zien we ook hem achter al die andere personen.
Moet ik geloven dat het kwaad toch bij God vandaan komt in Jobs leven?
Afwachten nu, er komen vast nog wel meer preken, heel welkom!